ECLI:NL:GHARL:2026:452

ECLI:NL:GHARL:2026:452

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 21-004243-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Strafzaak. Verdachte heeft zich in de kalenderjaren 2020 tot en met 2023 schuldig gemaakt aan overtreding van de Meststoffenwet door in die jaren opzettelijk meer fosfaat te produceren dan het op zijn bedrijf rustende fosfaatrecht. Vanwege allerlei bijzondere omstandigheden zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en geen straf of maatregel aan verdachte opleggen.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 januari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de raadsman van betrokkene, mr. W.J.W. van Eijk, heeft aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De economische meervoudige kamer van de rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 75.000,-, subsidiair 365 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaar.

Het hof komt tot een andere beslissing voor wat betreft de op te leggen straf en zal het vonnis daarom vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in de kalenderjaren 2020, 2021, 2022 en/of 2023,

te [plaatsnaam] , [gemeente] ,

al dan niet opzettelijk,

als landbouwer op zijn bedrijf, gelegen aan of nabij de [adres] ,

meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht,

te weten 14.204,44 kilogram (2020), 11.960,78 kilogram (2021), 12.776,77 kilogram (2022) en/of 15.315,80 (2023) kilogram fosfaat.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest worden opgenomen en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de kalenderjaren 2020, 2021, 2022 en/of 2023,

te [plaatsnaam] , [gemeente] ,

al dan niet opzettelijk,

als landbouwer op zijn bedrijf, gelegen aan of nabij de [adres] ,

meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht,

te weten 14.204,44 kilogram (2020), 11.960,78 kilogram (2021), 12.776,77 kilogram (2022) en/of 15.315,80 (2023) kilogram fosfaat.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 75.000,-, met een proeftijd van 3 jaar.

De raadsman heeft het hof verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen, gelet op alle bijzondere omstandigheden die in de pleitnota staan omschreven. De raadsman heeft er in het bijzonder op gewezen dat verdachte door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel in 2018 met de willekeurige peildatum van 2 juli 2015 minder stuks melkvee kon houden dan oorspronkelijk begroot en dat hij mede hierdoor in (grote) financiële problemen is gekomen.

Verdachte heeft zich in de kalenderjaren 2020 tot en met 2023 schuldig gemaakt aan overtreding van de Meststoffenwet door in die jaren opzettelijk meer fosfaat te produceren dan het op zijn bedrijf rustende fosfaatrecht. Het fosfaatrechtenstelsel is ingevoerd om de hoeveelheid mest en daarmee de fosfaatproductie te reguleren. Wanneer bedrijven meer fosfaat produceren dan de hoeveelheid waarvoor zij rechten hebben, komt dat doel in het gedrang. Ook is de productie van (te veel) fosfaat schadelijk voor het milieu en in het bijzonder de biodiversiteit.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 15 december 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Meststoffenwet.

In het voordeel van verdachte houdt het hof rekening met de bijzondere omstandigheden waar hij mee te maken kreeg sinds de verkoop van zijn melkveebedrijf in [plaatsnaam] , naar aanleiding van plannen van het gemeentebestuur van [gemeente] voor het bouwen van een woonwijk op de plek van het bedrijf van verdachte in 2009, en de daarmee verband houdende aankoop van een (nieuw) bedrijf in [plaatsnaam] in datzelfde jaar. Verdachte was voornemens om zijn melkveebedrijf naar [plaatsnaam] te verplaatsen en uit te breiden met een nieuwe emissiearme stal en extra grond. Het aangekochte bedrijf was verouderd en moest aan de eisen van de tijd worden aangepast. Om dit alles te kunnen realiseren, deed hij in 2009 – toen de latere fosfaatreducerende maatregelen zoals die uiteindelijk zijn ingevoerd voor verdachte nog niet waren te voorzien – verschillende bedrijfsinvesteringen en ging hij financiële verplichtingen aan bij de bank. Na het aangaan van deze verplichtingen kreeg verdachte met grote financiële tegenslagen te maken: de verkoop van zijn oude bedrijf in [plaatsnaam] ging niet door vanwege het faillissement van de koper, waardoor de bouw van de nieuwe stal niet (tijdig) kon plaatsvinden, en door het ontbreken van een natuurtoestemming – de PASmeldersproblematiek – is zijn huidige bedrijf (vooralsnog) minder waard geworden en vrijwel niet te verkopen.

Als gevolg van de vertraging in de bouw van de nieuwe stal in [plaatsnaam] ten gevolge van het faillissement van de koper van het bedrijf in [plaatsnaam] , was de veestapel van verdachte op 2 juli 2015 nog niet op het peil waarop de gedane investeringen waren gebaseerd. Op die datum hield verdachte 241 melkkoeien en 167 stuks jongvee. De investeringen waren gericht op het houden van 542 melkkoeien en 280 stuks jongvee. Die bedrijfsomvang was nodig om de gedane investeringen terug te verdienen en aan de betalingsverplichtingen richting de bank te voldoen.

De beperkte omvang van de veestapel op 2 juli 2015 zorgde na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel op 1 januari 2018 voor (grote) problemen. Sinds die datum worden aan melkveebedrijven fosfaatrechten toegekend die gelijk staan aan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op de peildatum van 2 juli 2015 op het betrokken bedrijf werd gehouden en stond geregistreerd. De toegekende hoeveelheid fosfaatrechten bepaalt hoeveel dierlijke meststoffen een landbouwer jaarlijks met melkvee mag produceren (artikel 21b van de Meststoffenwet). De hoeveelheid fosfaat wordt berekend aan de hand van de in Bijlage D, tabel IA en IIA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, opgenomen diergebonden forfaitaire gehalten (stikstofexcreties van staldieren).

Op de peildatum van 2 juli 2015 voor toekenning van fosfaatrechten hield verdachte slechts ongeveer de helft van het beoogde aantal dieren. Bij besluit van 31 januari 2018 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het fosfaatrecht van betrokkene vastgesteld op 12.321 kilogram. Verdachte beschikte als gevolg daarvan niet over voldoende fosfaatrechten om genoeg melkopbrengst te realiseren om aan zijn financiële verplichtingen richting de bank te voldoen. De bank besloot daarop de door verdachte afgesloten hypotheeklening op te zeggen, met alle gevolgen van dien. Reductie van de veestapel was voor verdachte geen reële mogelijkheid om het hoofd boven water te houden. Om tot een oplossing van zijn problemen te komen, heeft verdachte in de jaren 2018 en 2019 fosfaatrechten verkocht en van de opbrengst daarvan fosfaatrechten (terug)geleased, zodat hij met het door hem gehouden melkvee de aan het bedrijf toegekende rechten niet overschreed. Maar na 2019 bood ook deze constructie geen soelaas meer. De verkoop van de resterende fosfaatrechten zou tot gevolg hebben dat (vrijwel) geen rechten meer resteerden, wat feitelijk de ondergang van het bedrijf zou hebben betekend. De bank wilde geen krediet meer verstrekken aan de onderneming van verdachte. Het gevolg was dat verdachte met zijn bedrijf in de kalenderjaren 2020 tot en met 2023 de fosfaatregelgeving heeft overtreden.

Daarbovenop kwam in die periode de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, die tot gevolg had dat de natuurtoestemming voor het bedrijf van verdachte als PAS-melder, wegviel. Als gevolg daarvan is zijn bedrijf feitelijk onverkoopbaar geworden of hooguit tegen een prijs die ver beneden de reële waarde ligt.

Gelet op al het voorgaande is bij verdachte sprake geweest van een ingewikkeld conflict van plichten. Enerzijds moest hij voldoen aan zijn financiële verplichtingen richting de bank, wat alleen mogelijk was door meer melkvee te houden en dus meer dierlijke meststoffen te produceren dan volgens de fosfaatregelgeving was toegestaan. Anderzijds moest en wilde hij zich ook houden aan de nieuwe fosfaatregelgeving en het op zijn bedrijf rustende fosfaatrecht. Na de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 – waarbij ongegrond is verklaard het beroep tegen het in bezwaar gehandhaafde besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot afwijzing van het verzoek van verdachte om een ontheffing van het fosfaatrechtenstelsel – heeft verdachte bijna tweehonderd melkkoeien afgevoerd en verkocht. Van de opbrengst daarvan heeft verdachte fosfaatrechten aangekocht en geleased voor het overgebleven aantal koeien, zodat hij in 2024 en 2025 binnen de beschikbare fosfaatrechten heeft kunnen produceren. De verkleining van de veestapel en de melkproductie heeft negatieve gevolgen voor de financiële situatie van niet alleen de onderneming maar ook het gezin van verdachte.

Naar het oordeel van het hof is onder al deze omstandigheden ten aanzien van het bewezenverklaarde sprake van een sterk verminderde verwijtbaarheid bij verdachte, waarmee het hof in het voordeel van verdachte rekening houdt. Gelet hierop en alle hiervoor genoemde (bijzondere) omstandigheden in aanmerking genomen is het hof – met de raadsman – van oordeel dat het niet passend is om een straf of maatregel aan verdachte op te leggen. Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. S. Bek, mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. P.T.C. van Kampen, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 januari 2026.

Mr. P.T.C. van Kampen is niet in staat dit arrest te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 28 januari 2026.

Tegenwoordig:

mr. E.W. van den Heuvel, voorzitter,

mr. B. Looijestijn, advocaat-generaal,

A.C. Wiersma, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.W. van den Heuvel

Griffier

  • mr. S

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?