ECLI:NL:GHARL:2026:4524

ECLI:NL:GHARL:2026:4524

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 13-07-2026
Datum publicatie 13-07-2026
Zaaknummer 21-002973-23
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling ter zake van het met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en ter zake van het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen plegen, in beide gevallen terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. Gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren. Overschrijding redelijke termijn. Recidive binnen proeftijd voor een ander zedenfeit. Toewijzing vordering benadeelde partij tot € 10.000,00.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1964 in [geboorteplaats 1] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte en zijn raadsman,

mr. N. Hannaart, en door de benadeelde partij [benadeelde] naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 7 juni 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het overige heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

2.hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 4 april 2012 tot en met 11 april 2012 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans éénmaal (telkens) met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 2002, die toen de leeftijd van twaalfjaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het meermalen, althans éénmaal (telkens)

- stoppen/houden van zijn verdachtes penis in de mond van die [benadeelde] , terwijl hij het feit heeft begaan tegen een kind dat hij verzorgde of opvoedde (als behorend tot zijn eigen gezin) en/of tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

3.hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 4 april 2012 tot en met 11 april 2012 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans éénmaal (telkens) met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten/aanraken (onder de douche) van haar borsten en/of billen en/of vagina en/of

- het laten wassen van zijn, verdachtes penis, althans het zich door die [benadeelde] laten betasten van zijn penis en/of schaamstreek

- het laten eten van zijn, verdachtes sperma door die [benadeelde] , terwijl hij het feit heeft begaan tegen een kind dat hij verzorgde of opvoedde (als behorend tot zijn eigen gezin) en/of tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat, dat aangeefster (hierna: [benadeelde] ) specifiek en op hoofdlijnen consistent heeft verklaard en dat voor zover sprake is van verschillen tussen haar verklaring bij de politie en haar verklaring bij de raadsheer-commissaris dat geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring bij de politie, mede gelet op de jonge leeftijd van [benadeelde] ten tijde van de tenlastegelegde feiten, het aanzienlijke tijdsverloop, de impact op [benadeelde] en de intensieve behandelingen die zij inmiddels heeft gevolgd. Daarnaast vinden haar verklaringen voldoende steun in de overige bewijsmiddelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde] veel inconsistenties bevatten en ongedetailleerd zijn en dus als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld. Voor het geval het hof de verklaringen van [benadeelde] betrouwbaar acht verzoekt de verdediging om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] door een deskundige te laten toetsen. Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet aan het bewijsminimum is voldaan. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), als gevolg waarvan bewijsuitsluiting dient te volgen.

Oordeel van het hof

Betrouwbaarheid verklaringen [benadeelde]

heeft in 2016 toen zij 14 jaar was tegenover haar vriend, vervolgens tegenover haar moeder en daarna tegenover de politie in Duitsland verklaard. Het hof stelt – evenals de rechtbank – vast dat [benadeelde] toen consistent en op onderdelen gedetailleerd heeft verklaard over de handelingen die zij van verdachte moest verrichten en die bij haar door verdachte werden verricht en over de omstandigheden waaronder de handelingen hebben plaatsgevonden in de periode dat zij als 10-jarig (Duits) meisje tijdens een ziekenhuisopname van haar moeder alleen met verdachte in zijn huis in Nederland verbleef.

Dat [benadeelde] vele jaren later in 2025 op onderdelen met betrekking tot de tijd en plaats van de handelingen (aanvankelijk) anders heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris, maakt haar verklaringen uit 2016 op zichzelf genomen niet onbetrouwbaar. Dat verklaringen – op onderdelen of op detailniveau – na verloop van tijd niet (geheel) overeenkomen, kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet teweeggebracht onder invloed van emoties ontstaan door het delict, tijdverloop, de jonge leeftijd van [benadeelde] ten tijde van de tenlastegelegde feiten en de behandelingen die [benadeelde] in de periode na 2016 heeft gevolgd. Het hof heeft op basis van het uit het proces-verbaal naar voren komende verloop van het verhoor daarnaast de indruk dat [benadeelde] tijdens dat verhoor bij de raadsheer-commissaris werd overvallen met het bericht dat verdachte is vrijgesproken voor het onder 1 tenlastegelegde en dat dit bij haar op dat moment voor enige verwarring heeft gezorgd.

Het hof gaat gelet op het voorgaande uit van de door [benadeelde] zo kort mogelijk na het tenlastegelegde moment afgelegde verklaringen, namelijk de verklaringen afgelegd bij de politie in Duitsland in 2016. Deze verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarbij overweegt het hof dat het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de oprechtheid van de verklaring van [benadeelde] bij de politie in Duitsland en neem daarbij mede in aanmerking dat de aanleiding om te gaan verklaren navolgbaar is. Het hof acht die verklaringen van [benadeelde] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

In de omstandigheid dat [benadeelde] in 2025 bij de raadsheer-commissaris op onderdelen anders heeft verklaard ziet het hof gelet op het voorgaande geen noodzaak tot het toetsen van de betrouwbaarheid van haar verklaringen door een deskundige. Het hof wijst het verzoek daarom af.

Verweer vormverzuim ex. art. 359a Sv

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat bewijsuitsluiting dient te volgen, omdat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv overweegt het hof als volgt.

Naar aanleiding van de 5 maart 2016 door [naam 1] namens [benadeelde] gedane aangifte werd door de Duitse politie een onderzoek opgestart. Tijdens dit onderzoek zijn [benadeelde] , aangeefster en [getuige 1] gehoord. Na een rechtshulpverzoek door de Duitse autoriteiten inhoudende een verzoek gedaan tot overname van strafvervolging/- opsporing is het onderzoek in Nederland voortgezet, mede op basis van de in Duitsland door de Duitse autoriteiten verrichte opsporingshandelingen, waaronder vertalingen van de genoemde verhoren die onderdeel uitmaken van het dossier.

De verdediging heeft op de regiezitting van het hof op 7 augustus 2024 verzocht tot het verstrekken van de auditieve opnames van de aangifte en getuigenverhoren bij de politie in Duitsland in 2016. Het hof heeft het subsidiaire verzoek van de verdediging toegewezen om de auditieve opnames van de aangifte en de getuigenverhoren van [getuige 2] , [benadeelde] en [getuige 1] op het politiebureau te beluisteren, indien en voor zover dat laatste mogelijk mocht zijn. Op 14 oktober 2024 heeft het Ressortsparket van het openbaar ministerie de verdediging op de hoogte gesteld dat hieraan niet kan worden voldaan, nu zowel de afdeling Zeden van de politie als het internationaal Rechtshulpcentrum niet beschikt over de geluidsbestanden.

De verdediging heeft aangevoerd dat ten tijde van de verhoren bij de politie in Duitsland en Nederland de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ van toepassing was. Conform deze aanwijzing was auditieve registratie van de verhoren verplicht. In het verlengde daarvan hadden de registraties volgens de verdediging verstrekt moeten worden. De verdediging heeft er op gewezen dat ook in § 58a 'Aufzeichnung der Vernehmung in Bild und Ton' is verankerd dat audio(visuele) verhoorregistraties verplicht zijn bij minderjarigen en indien ‘er reden is om aan te nemen dat de getuige niet in staat zal zijn om tijdens de hoofdzitting te getuigen en de opname noodzakelijk is om de waarheid vast te stellen’. Doordat de auditieve registraties niet zijn verstrekt heeft de verdediging niet kunnen controleren hoe de verhoren van [benadeelde] en de getuigen zijn verlopen. Dit levert volgens de verdediging een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv en zou volgens de verdediging tot bewijsuitsluiting moeten leiden.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat waar het gaat om de beoordeling van verweren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, de aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van die onderzoekshandelingen verschillen naargelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. In het geval dat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten en het daarbij tevens gaat om de autoriteiten van een staat die tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is toegetreden, geldt het volgende. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo'n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Daarnaast geldt dat, voor zover bij het verrichten van het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten sprake zou zijn van schending van enig recht dat wordt gewaarborgd door het EVRM, de verdachte het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van het betreffende land. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim, aldus de Hoge Raad.

Verder is volgens de Hoge Raad het volgende van belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de 'overall fairness' van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.

Het hof constateert dat gesteld noch gebleken is dat in Duitsland onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting vanwege een vormverzuim als bedoeld artikel 359a Sv kan dan ook niet slagen en wordt verworpen.

In het licht van de beoordeling of het gebruik van de verhoren in Duitsland voor het bewijs in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt vast dat naar het zich laat aanzien in Duitsland auditieve registratie van de verhoren had moeten plaatsvinden, maar dat het Ressortsparket van het openbaar ministerie noch het internationaal Rechtshulpcentrum in 2024 beschikt over auditieve registraties van de verhoren van [benadeelde] bij de Duitse politie in 2016.

Het hof overweegt dat de verdediging nu de mogelijkheid mist van controle op de totstandkoming van de verklaringen door kennisname van auditieve registratie en evenmin heeft kunnen controleren of de verhoren op juiste wijze zijn uitgewerkt. Het hof stelt echter ook vast, dat blijkens de vertaling daarvan de uitwerking van het verhoor van [benadeelde] uitvoerig schriftelijk is vastgelegd en woordelijk lijkt te zijn uitgewerkt en dat ook van de verhoren van de andere getuigen een vertaling van de schriftelijke weergave daarvan zich in het dossier bevindt. De verdediging heeft geen concrete (en uit die uitwerking naar voren komende) aanknopingspunten benoemd op basis waarvan het hof twijfels heeft aan de totstandkoming van de aangifte en verhoren of de uitwerking daarvan. Bovendien is de verdediging in de gelegenheid geweest om de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] te toetsen bij de rechter-commissaris en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] en [benadeelde] te toetsen bij de raadsheer-commissaris. Het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat door het ontbreken van de mogelijkheid auditieve registraties van de verhoren uit te luisteren het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet is geschonden.

Bewijsminimum

Gelet op de besloten aard van de strafbare gedragingen ligt in zedenzaken waarin de verdachte ontkent vaak de vraag voor of is voldaan aan het bewijsminimum. Dat is ook in deze zaak het geval. Alleen de verklaring van [benadeelde] is, zelfs als deze verklaring betrouwbaar is, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat op grond van vaste rechtspraak in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van [benadeelde] voldoende wettig en overtuigend bewijs kan opleveren. Het is voldoende als de verklaring van [benadeelde] , als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Het is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen.

Verdachte heeft stellig ontkend seksuele handelingen met [benadeelde] te hebben verricht. Verdachte heeft ter zitting bij het hof verklaard zich niet te kunnen herinneren dat [benadeelde] bij hem in huis heeft geslapen toen haar moeder in het ziekenhuis lag. Volgens verdachte is de aangifte geïnitieerd door moeder in verband met een financieel conflict en met als doel om van verdachte af te komen. Het hof gaat voorbij aan die verklaring van verdachte en overweegt daartoe als volgt.

Het seksueel misbruik is in 2016 ter sprake gekomen toen [benadeelde] op 14-jarige leeftijd een (eerste) vriendje had, [naam 2] . [naam 2] heeft verklaard dat [benadeelde] in februari 2016 in vertrouwen aan hem heeft verteld dat verdachte seksuele handelingen met haar wilde verrichten toen zij met haar moeder in Nederland bij verdachte woonde en haar moeder ( [getuige 2] ) in het ziekenhuis lag. Volgens [naam 2] wilde [benadeelde] niet dat [naam 2] dit aan moeder zou vertellen. Dat heeft [naam 2] wel gedaan.

Moeder heeft verklaard dat zij een relatie heeft gehad met verdachte en in 2012 met [benadeelde] bij verdachte enkele weken is ingetrokken in de woning van verdachte in Nederland. Zij is in die periode meerdere dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis en heeft verklaard dat [benadeelde] toen bij verdachte in huis sliep.

Moeder heeft verder verklaard over wat zij in 2016 van haar dochter heeft gehoord. Dat gebeurde nadat haar dochter met haar vriendje [naam 2] bij haar thuis was gekomen en vreemd reageerde. [naam 2] had gehuild en in een gesprek met hem hoorde moeder dat haar dochter aan [naam 2] had verteld dat verdachte haar had gedwongen tot dingen die zij niet wilde. Moeder hoorde daarna van [benadeelde] over de seksuele handelingen met verdachte. Daar heeft zij verdachte toen mee geconfronteerd.

Bij dat gesprek is [getuige 1] aanwezig geweest. Zij heeft destijds bij de politie verklaard dat verdachte tijdens dat gesprek zelf heeft verteld dat [benadeelde] met haar hoofd op zijn buik lag, dat [benadeelde] een enorme behoefte aan knuffelen had en dat hij haar hoofd naar beneden had geduwd en ook dat zij hem moest wassen. Volgens [getuige 1] herhaalde verdachte toen steeds dat [benadeelde] dat toch wilde en zei moeder “een kind van 10, hoe kan dat zoiets nou willen”.

Het hof stelt vast dat de aangifte op essentiële onderdelen steun vindt in de verklaringen van [naam 2] , moeder en [getuige 1] . Het hof is van oordeel dat de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de hieronder gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewijsmiddelen

In het weekend van 27 op 28 februari was [naam 2] vervolgens bij ons. Op 28-02-2016 waren ze samen bij een gemeenschappelijke vriendin in [plaats 3] . Ze zouden om 19.00 uur thuis zijn maar kwamen niet. Ik heb vervolgens geprobeerd ze te bellen en toen kwamen ze naar huis. Tegen 19.30 uur stonden ze op de stoep en mijn moeder (het hof begrijpt: dochter) riep alleen maar tegen me "Mama, ik hou van je" en rende meteen de trap op en ging in bed liggen. [naam 2] is toen achter haar aangegaan en ik riep hem terug. Hij had vreselijk gehuild. Ik vroeg wat er was gebeurd. Hij zei alleen maar: dat kan ik niet zeggen, dat heb ik [benadeelde] beloofd. Ik heb daarop geprobeerd om mijn dochter naar beneden te halen om met haar te praten maar ze kwam niet.

1. Een schriftelijk stuk zijnde een vertaling van een proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 19 juli 2016, opgemaakt door de politie in [plaats 2] (Duitsland) en opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van de politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2018029083 d.d. 19 maart 2019, inhoudende de verklaring van [benadeelde] :Van: [benadeelde]Geboren op [geboortedag 2] -2002 te [geboorteplaats 2]Het ging steeds slechter met mijn moeder en toen is ze in het ziekenhuis opgenomen. Daarvoor ging hij ook altijd met mij onder de douche, dus nog voordat mijn moeder in het ziekenhuis lag en ik vond dat ook niet erg.

Hoewel ik het wel een beetje raar vond dat hij mij altijd op mijn intieme plekje waste en zo. Ik realiseerde me toch niet helemaal dat hij dat dus zo wilde. Toen mijn moeder de eerste paar dagen daar was, toen heeft hij, ik vond zijn buik altijd lief en sliep daar ook altijd op of nou ja, zo'n beetje tegen zijn buik aangevlijd dus. Dan drukte hij mijn hoofd altijd naar beneden en zei dat ik (begint te huilen) zijn piemel in mijn mond moest nemen (huilt). Dat wilde ik in het begin helemaal niet (snottert/huilt). In het begin weigerde ik dat en ik zei toen steeds dat ik dat niet wilde en dat dat kut is en (snottert) en toen zei hij op een gegeven moment, ik weet niet meer precies wat hij heeft gezegd, maar iets dat hij mij iets zou aandoen of dat er iets ergs zou gebeuren als ik dat nu niet zou doen. En toen heb ik het gedaan en dan zei hij altijd weer dat ik het niet aan mama mocht vertellen omdat ze dan zo verdrietig zou worden en... Ik weet niet waarom ik hem geloofde maar het ging zo slecht met mama en ik wilde haar niet tot last zijn. En toen gebeurde het steeds vaker en toen was ze daar ook wat langer, in het ziekenhuis, omdat ze haar niet wilden ontslaan en toen is... hij wilde ook altijd dat ik zijn sperma opat en zei dan altijd dat het van dat spul was, zodat het van dat, van dat glijmiddel of zoiets. Dat wilde ik nooit en hij dwong mij altijd overal toe, duwde altijd mijn hoofd naar beneden (begint te huilen). Het was verschrikkelijk voor me (huilt). En toen kwam mama op een gegeven moment weer terug en toen hield het op, ja, en toen ging hij ook niet meer zo vaak met mij onder de douche. V. Okay. Dat je samen onder de douche gaat is één ding maar je vertelde dat hij je waste. A: Ja. V. En? Uh, hoe vaak heeft hij dat gedaan? A: Elke keer als hij samen met mij ging douchen. V. En waar waste hij je? A: In mijn schaamstreek. V. Hmm. Wat bedoel je met je schaamstreek? Kun je precies zeggen waar? A: Hij zei altijd als we, als je gaat douchen dan was je eerst je borsten, dan je vagina en dan je bips. En dan deed hij dat elke keer voor. Dus elke keer bij mij. V. Hmm. Hoe vaak is dat gebeurd? Hoe vaak heeft hij het bij je gedaan? A: Nou, toen mama in het ziekenhuis was, was het bijna om de dag en uh, ja, toen ze weer thuis was, toen is hij er eigenlijk helemaal mee opgehouden. Toen ging ik alleen nog maar met hem onder de douche.

2. Een schriftelijk stuk zijnde een vertaling van een proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 maart 2016, opgemaakt door de politie [plaats 3] (Duitsland) en opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :Ik kom hier om aangifte te doen van mijn ex partner [verdachte] . Hij heeft het feit vandaag ook in aanwezigheid van een getuige toegegeven. (...) Van 04-04-2012 tot 11-04-2012 moest ik in Nederland in een kliniek worden opgenomen vanwege een aandoening. In die tijd was mijn toen 10-jarige dochter bij hem alleen.In 2014 ben ik weer in [plaats 4] gaan wonen. Daar leerde mijn dochter ene [naam 2] kennen. Ze hadden eerst alleen chatcontact. Eind februari is [naam 2] voor het eerst naar [plaats 4] gekomen en ze gingen er zelf vanuit dat het "aan" was.

[naam 2] kwam achter me aan en ik heb het nog een keer gevraagd. Vervolgens ben ik met [naam 2] naar beneden gegaan en we hebben zitten praten. Hij vertelde me toen dat hij [benadeelde] wilde kussen maar dat ze hem had afgewezen met de opmerking dat ze geen nabijheid verdroeg. Toen hij haar toch een kus gaf, was mijn dochter helemaal door het lint gegaan. Ze heeft hem toen verteld waarom ze zich zo gedroeg en zei tegen hem dat ze in 2012 door [verdachte] gedwongen was om dingen te doen die ze niet wilde. De kus c.q. de dwang omdat ze geen kus wilde, had haar aan de situatie met [verdachte] herinnerd. Toen moest ze ook dingen doen die ze helemaal niet wilde. Ik ben toen naar [benadeelde] naar boven gegaan en heb haar gevraagd wat [verdachte] met haar had gedaan. Ze zei alleen maar, ik moest zijn lul in mijn mond nemen!

Toen zei ze dat ze, toen ik in Nederland in het ziekenhuis lag van [verdachte] , die voortdurend bloot door de woning liep, zijn piemel in haar mond moest nemen. Ze vertelde ook nog dat [verdachte] met een natte doek in haar kamer kwam en wilde dat mijn dochter zijn penis waste. Vervolgens stortte ze in en ik wilde haar niet verder kwellen.

3. Een schriftelijk stuk zijnde een vertaling van een proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 augustus 2016, opgemaakt door de politie in [plaats 5] (Duitsland) en opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 2] :Ik was bij [benadeelde] (het hof begrijpt telkens: [benadeelde] ) op bezoek. We gingen naar een vriendin in [plaats 3] . [benadeelde] vroeg of ik een geheim kon bewaren.

Toen de ouders uit elkaar waren, was [benadeelde] met haar moeder naar Nederland verhuisd. Toen speelde dat gedoe met die man. Dat was de vriend van de moeder van [benadeelde] . Daar zijn ze toen ook bij ingetrokken. Toen heeft haar moeder in het ziekenhuis gelegen. De vermeende stiefvader heeft haar onder druk gezet en wilde seks met haar. Hij zei tegen haar dat haar moeder niet meer naar huis zou komen als zij geen seks met hem wilde hebben. Zo heeft [benadeelde] het mij verteld. We zijn toen diezelfde avond op 28-02-2016 weer naar huis gereden. Ze vroeg me de hele tijd of ik niet aan haar moeder wilde vertellen.

Ik was het daar niet mee eens. Ik heb aan haar moeder en de huidige vriend van haar moeder verteld wat [benadeelde] mij had verteld.

4. Een schriftelijk stuk zijnde een vertaling van een proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 april 2016, opgemaakt door de politie in [plaats 2] (Duitsland) en opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :Uiteindelijk heb ik een hele week nodig gehad om te weten te komen wat er is gebeurd (...) Ze heeft toen wel wat dingen in bedekte termen gezegd, dus dat hij met een nat washandje haar kamer binnenkwam en uh... hem, hij wilde dat zij hem van onderen waste, zijn penis dus. (...) toen is ze dus kennelijk met haar hoofd op zijn buik gaan liggen, hij had een hele wiebelende buik gehad omdat hij aan zijn buik geopereerd was en daar staken we eigenlijk altijd een beetje de draak mee. Hij heeft gezegd dat er iets beters was en hij heeft toen kennelijk haar hoofd naar beneden geduwd, in de richting van zijn penis dus en toen heeft hij tegen haargezegd dat ze hem in haar mond moest nemen, hem moest vastpakken en dat soort dingen.Op 01-04-2012 heb ik een nieuwe baan in Nederland gekregen. Daarom ben ik toen samen met mijn dochter bij [verdachte] gaan wonen. Hij woonde indertijd in [plaats 1] aan de [straatnaam] .Op 3 of 4 april 2012 moest ik omdat ik ziek was in het ziekenhuis worden opgenomen. Ik heb daar ongeveer 6 of 7 dagen gelegen. In die tijd paste [verdachte] op mijn dochter.

5. Een schriftelijk stuk, zijnde een proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 april 2016, opgemaakt door de politie in [plaats 2] (Duitsland) en opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] :Mevrouw [getuige 2] had mij gevraagd of ik getuige wilde zijn bij een gesprek met haar voormalige partner. Ik ken [naam 1] omdat wij allebei een zaak hebben in de winkelpassage, ik dus de apotheek en zij een modewinkel. Ik ben er toen naar toe gegaan en toen hoorde je in de hele passage al geschreeuw.Ik ben toen naar binnen gegaan en [naam 1] was al buiten zichzelf van die dingen die er waren gebeurd en zij dus [verdachte] die daar zat te zitten en ik zelf was ook in shock van de uitdrukkingen op zijn gezicht, daar ben ik heel eerlijk over, dat was het waar ik nog steeds kippenvel van krijg. Hij zat erbij alsof het niet over hem ging, hij liet het allemaal over zich heen komen. [naam 1] vroeg steeds weer "Wat heb je met [benadeelde] gedaan, wat heb je met [benadeelde] gedaan." En toen heeft hij gedeeltelijk die dingen uiteengezet en heeft verteld dat ze met haar hoofd op zijn buik lag, dat ze in bed lagen toen [naam 1] in het ziekenhuis lag en dat [benadeelde] altijd al een enorme behoefte aan knuffelen had en dat ze gewoon, dat hij haar hoofd naar beneden had geduwd. Dat is wat hij uiteindelijk heeft gezegd.Wat er aan details in elk geval nog gezegd is, is dat zij hem van onderen met een washandje moest wassen. Dat is er absoluut nog bij verteld en het was dus echt een enorm emotioneel gesprek omdat zij natuurlijk de hele tijd tegen hem stond te schreeuwen en hem ook beschuldigde en hij herhaalde de hele tijd alleen maar dat [benadeelde] dat toch wilde. Dat heeft hij gezegd. En zij zei de hele tijd: "Een kind van 10, hoe kan dat zoiets nou willen." (...) Hij deed de hele tijd of het niet over hem ging en heeft toen dingen verteld, bijvoorbeeld dat hij haar hoofd naar beneden drukte, dat zij hem vaker moest wassen, altijd als [naam 1] er niet was. Dat waren dus steeds de situaties die hij toen heeft beschreven.

Vraag : Heeft hij dat zelf verteld?

Antwoord : Dat heeft hij zelf verteld.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris d.d. 19 juli 2022, inhoudende de verklaring van [getuige 1] :Op zich heb ik alles gezegd wat belangrijk is. Wat bij mij nog steeds overwegend aanwezig is, is het gesprek tussen [naam 1] en [verdachte] waarbij [verdachte] heeft laten weten dat [benadeelde] het wilde, dat zij het zelf wilde. Dat is een zin die hij vaak gezegd heeft.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 4 april 2012 tot en met 11 april 2012 te [plaats 1] , meermalen, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 2002, die toen de leeftijd van twaalfjaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het meermalen,

- stoppen/houden van zijn verdachtes penis in de mond van die [benadeelde] ,

terwijl hij het feit heeft begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige;

3.hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 4 april 2012 tot en met 11 april 2012 te [plaats 1] , meermalen, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten/aanraken (onder de douche) van haar borsten en billen en vagina en

- het laten wassen van zijn, verdachtes, penis, althans het zich door die [benadeelde] laten betasten van zijn penis

- het laten eten van zijn, verdachtes, sperma door die [benadeelde] ,

terwijl hij het feit heeft begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten een gevangenisstraf opgelegd dient te worden van 18 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft met die eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen en het seksueel binnendringen bij een minderjarige. Het slachtoffer was destijds net 10 jaar oud en toevertrouwd aan de zorg van verdachte. Zij was kort daarvoor met haar moeder vanuit Duitsland ingetrokken in de woning van verdachte in Nederland. Zij verbleef dus in een vreemd land, waar zij de taal niet sprak en toen haar moeder werd opgenomen in het ziekenhuis was zij volledig afhankelijk van verdachte. Door verdachte zijn handelen heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog jonge slachtoffer en haar vertrouwen ernstig beschaamd. Verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en heeft zodoende een ernstige inbreuk gemaakt op de (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer. Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Het hof heeft op de zitting waargenomen dat de gebeurtenissen het slachtoffer nog diep treffen en dat zij hier tot op heden de gevolgen van ondervindt. Het slachtoffer heeft naar voren gebracht dat zij kampt met een post-traumatische stressstoornis, een lange geschiedenis van zelfbeschadiging en dat zij vele jaren therapie heeft gevolgd naar aanleiding van de gebeurtenissen. Ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring komt dat indringend naar voren.

Het hof heeft in het kader van de strafoplegging acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze op de zitting door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 8 mei 2026, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die reden zouden kunnen vormen voor strafmatiging dan wel strafverzwaring.

Tevens heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 1 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2009 onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het hof overweegt dat de onderhavige feiten zijn gepleegd in de proeftijd van voornoemde onherroepelijke veroordeling. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden wederom dergelijke feiten te plegen. Uit de proceshouding van verdachte vloeit voort dat verdachte het kwalijke van zijn handelen niet inziet. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Het hof houdt hier in strafverminderende zin rekening mee.

Gezien de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden passend. Gelet echter op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep neemt het hof een gevangenisstraf van 22 maanden tot uitgangspunt, aldus een strafmatiging van één maand per instantie toepassend. Het hof zal bovendien mede in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke deel dient ook om verdachte ervan te weerhouden wederom (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Het hof acht het daarbij noodzakelijk om daarbij een proeftijd van 5 jaar te bepalen. Hierbij is van belang dat verdachte de feiten waarvoor hij nu wordt veroordeeld, heeft gepleegd binnen de proeftijd van een eerdere veroordeling voor een zedenfeit. Verdachte is bij al zijn verhoren door de politie en ter zittingen van rechtbank en hof niet aanspreekbaar gebleken voor de feiten die aan de orde zijn. Daarom moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 40.000,00, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering met betrekking tot immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Het overige deel van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank afgewezen.

De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Het hof stelt het volgende voorop bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade.

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) somt limitatief de gevallen op waarin een persoon recht heeft op vergoeding van immateriële schade door onrechtmatig handelen. Dit is onder meer zo wanneer sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Hiervan is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarbij geldt dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde normschending kunnen meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon – ook zonder nadere onderbouwing – kan worden aangenomen.

Het hof is in dit geval van oordeel dat uit de aard en de ernst van de normschending en de ernstige gevolgen daarvan voor benadeelde partij sprake is van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. De benadeelde partij is door het bewezenverklaarde handelen van verdachte op jonge leeftijd in haar lichamelijke integriteit en gevoel van veiligheid aangetast doordat zij slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Het handelen van verdachte heeft het leven van benadeelde getekend en – zo blijkt uit de toelichting gegeven op de zitting bij het hof – tot op de dag van vandaag beïnvloed. De benadeelde partij heeft onder meer naar voren gebracht een aantal jaren psychotherapie en andere therapieën te hebben ondergaan vanwege het handelen van verdachte.

Daarmee bestaat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW een rechtsgrond voor toewijzing van immateriële schade aan de benadeelde partij. De vordering is toegelicht en de daaraan ten grondslag gelegde onderbouwing voor wat betreft de gevolgen en de door de benadeelde partij gevolgde therapieën zijn niet weersproken. Op grond van het onderzoek op de zitting van het hof kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten.

Het hof heeft de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof is van oordeel dat de schade van de benadeelde partij valt onder de categorie ‘Ontucht met binnendringen: tamelijk ernstig’, gelet op de duur, frequentie en ernst van de seksuele handelingen. De in beginsel aangewezen bandbreedte voor schadevergoeding binnen deze categorie betreft € 1.500,- tot € 6.000,-. Relevante factoren voor de omvang van het smartengeld zijn onder andere de (IV) afhankelijkheidsrelatie en vertrouwensband met de dader, (VII) kwetsbaarheid en leeftijd en het leeftijdsverschil met de dader en (VIII) aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde. In het licht van het voorgaande heeft het hof in het bijzonder gelet op de wijze waarop verdachte misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidspositie waar het slachtoffer zich in bevond, nu zij als jong meisje in een vreemd land – terwijl haar moeder in het ziekenhuis lag – was toevertrouwd aan de zorg van verdachte. Ook heeft het hof rekening gehouden met de gevolgen die het handelen voor de benadeelde partij heeft gehad.

Gelet op het voorgaande acht het hof een bedrag van € 10.000,00 aan smartengeld, zoals ook door de rechtbank was opgelegd, billijk en zal de vordering tot immateriële schade voor dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de na te melden datum. Het hof wijst het overige deel van de vordering af.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast (zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde).

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 april 2012.

Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. G.A. Versteeg en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand