GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.353.858
zaaknummer rechtbank Limburg 9681631
arrest van de pachtkamer van 14 juli 2026
in de zaak van
1. de gezamenlijke erfgenamen van [erflater]
2. [appellant sub 2]
3. [appellant sub 3]
4. [appellant sub 4]
5. [appellante sub 5]
6. [appellante sub 6]
die woont in [woonplaats 1] , [land 1]
die woont in [woonplaats 2] (gemeente [gemeente 1] )
die woont in [woonplaats 2] (gemeente [gemeente 1] )
die woont in [woonplaats 3] , [land 2]
die woont in [woonplaats 4]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de pachtkamer in Roermond optraden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie
en hierna gezamenlijk “de erfgenamen” worden genoemd
advocaat: mr. E.H.M. Harbers
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats 5] (gemeente [gemeente 2] )
die voorwaardelijk hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Roermond optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
en hierna “ [geïntimeerde] ” genoemd wordt
advocaat: mr. H.M.M. van den Elzen
1. De Procedure
Naar aanleiding van het arrest van 10 februari 2026 heeft op 12 mei 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
Omdat twee geïntimeerden niet in Nederland wonen moet ambtshalve de rechtsmacht beoordeeld worden. Partijen hebben zich hierover niet uitgelaten. Ten aanzien van geïntimeerde sub 2 die in [land 1] en geïntimeerde sub 5 die in [land 2] woont geldt dat op grond van artikel 24 aanhef en onder 1 van de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissing in burgerlijke en handelszaken), de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de onroerende zaken waarover het pachtgeschil gaat in Nederland liggen.
2. De kern van de zaak
[geïntimeerde] en de erfgenamen zijn broers en zussen. Zij hebben ruzie over de vraag of [geïntimeerde] 1.59.76 ha van kadastraal perceel [gemeente 3] sectie […] [nummer perceel [A]] (hierna: perceel [A] ) of 0.78.00 ha heeft gepacht – een verschil van 0.81.76 ha.
De feiten waarvan het hof uitgaat
In 2010 respectievelijk 2017 zijn de broers [broer 1] en [broer 2] (hierna: [oom 1] en [oom 2] ) overleden. Zij waren ooms van partijen en exploiteerden gezamenlijk een melkveebedrijf. Op 30 april 1992 hebben zij hun bedrijf beëindigd.
Bij schriftelijke pachtovereenkomst, gedateerd april 1992, goedgekeurd door de grondkamer op 20 mei 1992, hebben [oom 1] en [oom 2] aan [geïntimeerde] regulier verpacht voor 12 jaar bedrijfsgebouwen (met uitzondering van de woning en tuin), koeienstal, schuur (plaatselijk bekend [adres] te [postcode] [plaats] , weiland en bouwland, zoals nader aangeduid in de overeenkomst alsmede op een aan de overeenkomst gehechte kadastrale kaart. Deze overeenkomst wordt verder aangeduid als "pachtovereenkomst 1”. Een deel van de gepachte grond is onteigend en er is een ruilverkaveling geweest, waardoor de kadastrale aanduiding van de percelen is gewijzigd. Partijen zijn het erover eens dat de percelen [gemeente 3] sectie […] nummers […] , […] , […] en […] en [gemeente 1] sectie […] , nummer […] , in totaal 07.48.38 ha op grond van deze overeenkomst zijn verpacht. Betwist is in welke omvang perceel [A] onderdeel is van het gepachte.
Bij pachtovereenkomst 1 is het volgende kaartje gevoegd dat ziet op perceel [A] :
Het gebouw naast de gearceerde bedrijfsgebouwen is de woning. Het niet gearceerde gedeelte van perceel [A] , dat op bovenstaande afbeelding te zien is, wordt hierna het “betwiste perceel” genoemd.
Onbetwist is dat [geïntimeerde] het deel van het betwiste perceel dat is gelegen achter de bedrijfsgebouwen, naast de smalle gearceerde strook in elk geval heeft gebruikt, ook toen [oom 1] en [oom 2] nog leefden. Over het gebruik door [geïntimeerde] van het gedeelte naast de bedrijfsgebouwen bestaat geschil. In onderstaande kaartjes is links in rood aangegeven wat [geïntimeerde] in productie 10 bij dagvaarding heeft aangegeven dat niet is gepacht en rechts in de dikzwarte omlijning wat de erfgenamen stellen dat in ieder geval niet is gepacht:
[geïntimeerde] heeft op 23 maart 1994 met [oom 1] en [oom 2] een tweede reguliere pachtovereenkomst gesloten voor zes jaar, goedgekeurd door de grondkamer op 30 maart 1994. Deze pachtovereenkomst wordt verder aangeduid als “pachtovereenkomst 2”. Een gedeelte van de grond die op grond van deze pachtovereenkomst is verpacht is onteigend dan wel verkocht aan de Staat en de kadastrale nummering is in de loop der jaren gewijzigd. Partijen zijn het erover eens dat de kadastrale percelen [gemeente 3] , sectie F, 1030, 1292, 1384 en 1722, in totaal 3.11.00 ha, op grond van deze pachtovereenkomst zijn verpacht.
Op 1 januari 2006 hebben [geïntimeerde] en [oom 1] en [oom 2] een pachtovereenkomst getekend voor de percelen [gemeente 1] , sectie […] (5.97.00 ha), [gemeente 3] sectie […] (0.37.45 ha), […] (0.04.73 ha), […] (0.34.45 ha) en [B] (0.04.64 ha) voor 12 jaar, ingaand op 1 januari 2006 voor € 678,27 per jaar (€ 100 per ha), goedgekeurd door de Grondkamer Zuid op 6 oktober 2006. Deze pachtovereenkomst wordt verder aangeduid als “pachtovereenkomst 3”.
De erfgenamen zijn na het overlijden van [oom 2] gezamenlijk de verpachter geworden.
Eind 2019 hebben de erfgenamen voor [geïntimeerde] de toegang tot het bedrijfsgebouw vanaf de openbare weg geblokkeerd doordat zij een greppel hebben gegraven en palen en afzetlint hebben geplaatst. Ook na sommatie door [geïntimeerde] om deze versperring op te heffen, hebben de erfgenamen dat niet gedaan. Het afgepaalde gedeelte hebben de erfgenamen omstreeks april 2019 ingezaaid met mais. Gelet op dit feitelijk gebruik door de erfgenamen heeft [geïntimeerde] dit deel van de grond voor de jaren 2019, 2020 en 2021 niet opgegeven voor de gecombineerde opgave.
De vorderingen bij de pachtkamer in Roermond
[geïntimeerde] heeft bij de pachtkamer in Roermond, na eiswijziging gevorderd om:
( i) voor recht te verklaren dat de tussen [geïntimeerde] en de erfgenamen bestaande rechtsverhouding met betrekking tot perceel [A] (ged. groot 1.59.76 ha) en [B] (0.04.64 ha) voor de door [geïntimeerde] aangegeven omvang, wordt aangemerkt als een overeenkomst van pacht voor 12 jaar voor perceel [A] en voor 6 jaar voor perceel [B] ;
(ii) pachtovereenkomst 1 te wijzigen door te bepalen dat het gepachte perceel [A] 1.59.76 ha groot is, zoals aangegeven op productie 10 bij dagvaarding;
(iii) als (i) en (ii) niet worden toegewezen, de bestaande pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] en erfgenamen vast te leggen voor perceel [A] , groot 1.59.76 ha zoals aangegeven op productie 10 bij dagvaarding voor 12 jaren, conform de voorwaarden van pachtovereenkomst 1 die is ingegaan op 1 mei 1992 tegen een pachtprijs zoals vastgesteld door de Centrale Grondkamer per 1 mei 2019 van € 522,54 ha;
(iv) voor perceel [B] groot 0.04.64 ha een pachtovereenkomst vast te leggen voor 12 jaren, op de voorwaarden van de pachtovereenkomst die is ingegaan op 1 januari 2006 tegen een pachtprijs zoals vastgesteld door de Grondkamer Zuid;
(iv) om de erfgenamen te bevelen percelen [A] en [B] te ontruimen en vrij aan [geïntimeerde] in gebruik te geven op straffe van de verbeurte van een dwangsom; en
( v) om de erfgenamen te veroordelen een schadevergoeding van € 575,50 per jaar te betalen over de jaren 2019 en volgende.
De erfgenamen hebben bij de pachtkamer in Roermond na eiswijziging gevorderd om:
( i) voor recht te verklaren dat:
pachtovereenkomst 1 ziet op de percelen [gemeente 3] sectie […] nummers […] (00.66.05 ha), […] (00.04.73 ha), […] (00.43.15 ha), […] (00.37.45 ha), […] (00.78.00 ha) en [gemeente 1] sectie […] nummer […] (05.97.00 ha);
pachtovereenkomst 2 ziet op de percelen [gemeente 3] sectie […] nummers […] (00.49.50 ha), […] (01.29.95 ha), […] (00.91.20 ha) […] (00.40.35 ha);
(ii) [geïntimeerde] te veroordelen om de percelen [A] gedeeltelijk met een oppervlakte van 00.81.76 ha en [B] geheel te ontruimen op straffe van verbeurte van een dwangsom; en
(iii) [geïntimeerde] te veroordelen € 3.036,29 aan achterstallige pacht te betalen.
De beslissing van de pachtkamer in Roermond
De pachtkamer in Roermond heeft in de vordering van [geïntimeerde] , na herstel van het vonnis:
( a) voor recht verklaard dat de rechtsverhouding met betrekking tot perceel [A] (ged. groot 1.59.76 ha) en perceel [B] (0.04.64 ha) wordt aangemerkt als een overeenkomst van pacht in de zin van artikel 7:311 BW;
( b) schriftelijk vastgelegd de volgende pachtovereenkomsten:
(1) voor perceel [A] gedeeltelijk (groot 1.59.76 ha), zijnde landbouwgrond, zoals aangegeven op de als productie 10 in het geding gebrachte luchtfoto voor 12 jaren op de voorwaarden van pachtovereenkomst 1 die is ingegaan op 1 mei 1992 tegen een pachtprijs per 1 mei 2019 van € 522,54 per hectare; en
(2) voor perceel [B] , groot 0.04.64 ha, landbouwgrond, voor 12 jaren, op de voorwaarden van de pachtovereenkomst die is ingegaan op 1 januari 2006 (pachtovereenkomst 3) tegen een pachtprijs zoals goedgekeurd door de Grondkamer Zuid;
( c) de erfgenamen veroordeeld om, gezamenlijk en ieder voor zich, deze percelen te ontruimen, in het geval van perceel [A] met uitzondering van de woning en de tuin, en vrij aan [geïntimeerde] in gebruik terug te geven;
( d) de erfgenamen veroordeeld gezamenlijk en ieder voor zich om aan [geïntimeerde] € 575,50 te betalen over de jaren 2019 en volgende totdat het onrechtmatig gebruik van de grond door de erfgenamen is gestaakt;
en in de vordering van de erfgenamen [geïntimeerde] veroordeeld € 608,15 aan achterstallige pachtpenningen te betalen met wettelijke rente vanaf 13 april 2022.
De inzet van het hoger beroep
De erfgenamen komen tegen dit vonnis in hoger beroep. Zij willen dat het vonnis in conventie en reconventie wordt vernietigd, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en, als dat niet wordt toegewezen, dat de vordering tot schriftelijke vastlegging van perceel [A] en de vordering tot ontruiming gedeeltelijk worden toegewezen, met dien verstande dat het deel zoals hierboven aangegeven in de rechterafbeelding van rov. 2.4 wordt uitgezonderd. De reconventionele vordering voor achterstallige pachtpenningen hebben de erfgenamen niet aan de orde willen stellen.
[geïntimeerde] is in voorwaardelijk hoger beroep gekomen. Als de beslissingen van de pachtkamer in Roermond op de hierboven genoemde punten (a) (verklaring voor recht verpachting perceel [A] ), (b)(vastlegging pachtovereenkomst voor perceel [A] ) en (c) (ontruiming door erfgenamen) niet in stand blijven, dan wil hij zijn eis wijzigen zodat wat hij vordert onder (ii) erop ziet dat pachtovereenkomst 1 wordt gewijzigd of aangevuld, door te bepalen dat het gepachte perceel [A] 1.59.76 ha groot is, zoals aangegeven op luchtfoto die als productie 10 bij dagvaarding is gehecht (wat overeenkomt met perceel [A] behalve de gedeelten aangegeven in de linker afbeelding van rov. 2.4).
Samenvatting van de uitkomst van de procedure\
Het hof zal beslissen dat perceel [A] is verpacht, behalve het gedeelte achter de woning en naast de bedrijfsgebouwen tot aan een pad direct rechts van het kleine schuurtje zichtbaar op de afbeelding in rov. 3.13 direct naar de achterzijde van de bedrijfsgebouwen. Dit uitgezonderde gedeelte noemt het hof hierna: de tuin. Het hof zal het bevel tot ontruiming van het gepachte beperken zodat dit gedeelte daar niet onder valt. Ook zal het hof de vastlegging van de pachtovereenkomst voor perceel [B] vernietigen, omdat daarvoor al een schriftelijke pachtovereenkomst bestaat.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Is er sprake van pacht voor het gedeelte van perceel [A] achter de bedrijfsgebouwen
De erfgenamen komen op tegen de beslissing van de pachtkamer in Roermond dat er voor perceel [A] sprake is van pacht (grief 1).
Het hof stelt het volgende voorop. Pacht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verpachter, zich verbindt aan de andere partij, de pachter, een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie (art. 7:311 BW). Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een pachtovereenkomst. Het hof moet daarbij eerst vaststellen welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen, waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, om daarna de vraag te beantwoorden of deze afspraken kwalificeren als een pachtovereenkomst.
[geïntimeerde] beroept zich erop dat hij sinds 1992, het begin van de pachtrelatie van pachtovereenkomst 1, perceel [A] in gebruik heeft gehad met uitzondering van wat in de afbeelding links in rov. 2.4 in rood is aangegeven. Dat gebruik is voor zover het ziet op het perceelsgedeelte achter de bedrijfsgebouwen, naast de smalle gearceerde strook op de afbeelding in rov. 2.3, niet (voldoende gemotiveerd) betwist.
Is voor dat gebruik ook betaling overeengekomen? Er is in eerste aanleg veel tijd besteed aan de bedragen die [geïntimeerde] aan pacht zou hebben betaald en of daaruit afgeleid kan worden of hij wel of niet voor het betwiste perceel heeft betaald. Het hof stelt vast dat op de als productie 43 van [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegde betalingsbewijzen tweemaal een bedrag van NLG 3.750 is betaald voor de helft van de jaarpacht in 1992. Voor 1993 zijn geen betalingsbewijzen overgelegd en voor 1994 zijn betalingsbewijzen overgelegd van éénmaal NLG 3.750 en éénmaal NLG 6.516,50. Dat stemt overeen met de afgesproken pachtbedragen van NLG 3.750 per half jaar in pachtovereenkomst 1 en NLG 2.766,50 per jaar in pachtovereenkomst 2 (NLG 2.766,50 plus NLG 3.750 is NLG 6.516,50). Daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] bevestigd dat hij betaalde wat in de pachtovereenkomsten stond. Er is dus niet een extra bedrag betaald voor het betwiste perceel dat [geïntimeerde] zegt per 1992 in gebruik te hebben genomen. Ook uit de latere berekeningen volgt niet dat [geïntimeerde] op enig moment met [oom 1] en [oom 2] een extra bedrag heeft afgesproken voor dit gebruik van het betwiste perceel. Voor zover [geïntimeerde] zich ook erop beroept dat hij in of na 2019 meer is gaan betalen in verband met het land waarover onenigheid is, geldt dat hij niet voldoende heeft onderbouwd dat hij er, gezien de handelingen van de erfgenamen, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij het land aan hem tegen betaling in gebruik wilden geven.
Het komt er dus op aan of uit het feit dat [geïntimeerde] perceel [A] in gebruik had ook buiten het gearceerde gebied van pachtovereenkomst 1 (zie rov. 2.3) terwijl hij hetzelfde is blijven betalen als was overeengekomen in pachtovereenkomst 1 (en vanaf 1994 pachtovereenkomst 2) afgeleid moet worden dat al dan niet stilzwijgend is afgesproken dat het niet gearceerde deel van perceel [A] ook bij de pacht was getrokken. Volgens [geïntimeerde] is dat het geval. Volgens de erfgenamen niet. Als er een overeenkomst tussen [oom 1] en [oom 2] en [geïntimeerde] tot stand is gekomen is dat volgens de erfgenamen een overeenkomst van bruikleen geweest.
Het hof is van oordeel dat er sprake is van pacht van het betwiste perceel, behalve van de tuin. Vaststaat dat [geïntimeerde] het betwiste perceel (behalve de tuin) gebruikte. Dat gebruik is begonnen toen [oom 1] en [oom 2] nog in de woning woonden. Niet is betwist dat zij zich tegen dat gebruik niet hebben verzet. [geïntimeerde] mocht blijkbaar het betwiste perceel (behalve de tuin) erbij nemen. Dat [oom 1] en [oom 2] de pachtprijs vervolgens niet hebben aangepast betekent niet dat [geïntimeerde] niet de pacht mede is gaan betalen voor het betwiste perceel (behalve de tuin). Het overeengekomen gebruik, zoals geworden en goedgevonden, is in dit geval uitgebreid naar het betwiste perceel (behalve de tuin). Stilzwijgend is kennelijk afgesproken dat de door [geïntimeerde] betaalde pacht ook betrekking had op het betwiste perceel. Het argument van de erfgenamen dat niet gebleken is dat specifiek betaling is afgesproken gaat dus niet op, omdat dit stilzwijgend wel is gebeurd. Dat [geïntimeerde] enige jaren helemaal geen pacht betaald heeft maar v.o.f. [naam v.o.f.] , zoals de erfgenamen stellen, betekent ook niet dat voor het betwiste perceel iets anders is afgesproken dan voor de gepachte percelen. Van een omslaan van een gebruiksrelatie naar een pachtrelatie op het moment dat [oom 2] en [oom 1] geen Belgische trekpaarden meer hielden is dus naar het oordeel van het hof ook geen sprake geweest.
Dat wordt niet anders wanneer in ogenschouw wordt genomen dat in 1992 in pachtovereenkomst 1 door aanhechting van het kaartje weergegeven in rov. 2.3 nadrukkelijk het betwiste perceel is uitgezonderd. Dat het betwiste perceel nadrukkelijk niet bij pachtovereenkomst 1 is betrokken, sluit niet uit dat [oom 1] en [oom 2] ermee ingestemd hebben dat ook het betwiste perceel, behalve de tuin, bij de pacht getrokken werd. Mogelijk is oorspronkelijk bedoeld geweest het betwiste perceel voor de paarden van [oom 1] en [oom 2] apart te houden. [geïntimeerde] heeft echter gesteld en onderbouwd dat deze paarden niet exclusief op het betwiste perceel stonden, dat is door de erfgenamen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook bevestigd, en partijen zijn het erover eens dat het slechts om een zeer klein aantal paarden ging. Dat wijst erop dat aan pachtovereenkomst 1 op een andere manier uitvoering is gegeven dan schriftelijk is vastgelegd. Dat [oom 1] en [oom 2] beoogd hebben om het betwiste perceel anders te behandelen dan de andere percelen die zij aan [geïntimeerde] in gebruik hebben gegeven is niet gebleken.
Dat in 2006 een pachtovereenkomst is opgesteld, maar daarbij niet pachtovereenkomst 1 voor het betwiste perceel is “gecorrigeerd” leidt evenmin tot een andere conclusie. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechtsgrond voor het gebruik van het betwiste perceel (behalve de tuin) dat al ruim daarvoor was begonnen een ander karakter had dan de rechtsgrond voor de overige gronden die [oom 1] en [oom 2] aan [geïntimeerde] in gebruik hadden gegeven. Onvoldoende duidelijk is ook geworden waarom deze pachtovereenkomst is opgesteld, hoe deze tot stand is gekomen en waaruit afgeleid moet worden welke bedoelingen [oom 1] en [oom 2] gehad hebben bij deze overeenkomst.
Het hof is al met al van oordeel dat de afspraak tussen [oom 1] en [oom 2] en [geïntimeerde] dat [geïntimeerde] ook het betwiste perceel (behalve de tuin) mocht gebruiken zo moet worden uitgelegd dat dit perceel bij de pacht getrokken is. Ook de klacht van de erfgenamen dat het bevel tot ontruiming moet worden vernietigd slaagt dus niet (grief 3).
Welk gedeelte van perceel [A] is verpacht?
De erfgenamen maken er bezwaar tegen dat ook voor de tuin (zie rov. 2.14) de pachtovereenkomst is vastgelegd (grieven 2 en 3).
Die klacht slaagt. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij dat gedeelte van het gepachte tot 2010 in ieder geval niet in gebruik had. Voor zover stilzwijgend in of omstreeks 1992 is afgesproken dat het betwiste perceel bij de pacht getrokken is zag dat dus niet op de tuin. In de door [geïntimeerde] overgelegde satellietfoto’s van het gepachte (productie 45 in eerste aanleg van [geïntimeerde] ) blijkt ook niet van gebruik van de tuin voor 2017. Een dergelijke al dan niet stilzwijgende afspraak ligt ook niet voor de hand gezien de ligging van de tuin direct achter de woning. Dat dit gebruik van de tuin voor het gebruik van het gepachte noodzakelijk is, is niet gebleken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken dat [geïntimeerde] wel toegang moet hebben tot de zijkant van de bedrijfsgebouwen die grenzen aan de tuin, maar dat daarvoor niet de hele tuin nodig is. Het hof is daarom van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is gesteld dat ook overeengekomen is dat de tuin bij de pacht getrokken is.
Uit de overgelegde satellietfoto’s blijkt wel dat een weg rechts van het schuurtje direct naar de achterzijde van de bedrijfsgebouwen in gebruik was. In ieder geval in 2006 was deze weg in gebruik. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep uitgelegd dat leveranciers niet via de andere kant van de bedrijfsgebouwen naar de achterkant van de stal kunnen, omdat de weg daar niet verhard is. Dat de weg daar niet verhard is, is niet weersproken. Het hof leidt daaruit af dat de toegang tot de bedrijfsgebouwen inderdaad al lange tijd via de weg rechts van het schuurtje liep.
Het hof is daarom al met al van oordeel dat de tuin, tot deze weg, zoals zichtbaar op de satellietfoto’s in productie 45, geen onderdeel is van het gepachte. Daarmee wijst het hof de vordering van [geïntimeerde] voor minder dan het gevorderde toe. Het hof zal de vastlegging in deze zin verduidelijken. Om onduidelijkheid te voorkomen heeft het hof hieronder ook een afbeelding opgenomen waarin dit pad met pijlen is aangeduid.
Ook volgens [geïntimeerde] zelf is het kleine schuurtje naast het hierboven aangegeven pad niet verpacht. Het hof zal dat in het dictum duidelijk maken.
Welke voorwaarden gelden voor de pacht van perceel [A]
De erfgenamen stellen aan de orde dat de pachtkamer in Roermond de verkeerde voorwaarden heeft vastgelegd voor de pachtovereenkomst voor perceel [A] : de ingangsdatum is volgens hen onduidelijk en er zou geen sprake moeten zijn van een pachtovereenkomst voor 12 jaar, omdat het een pachtovereenkomst voor los land betreft (grief 2).
In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn stellingen voor zover nodig verduidelijkt: hij beroept zich erop dat hij vanaf 1992 het betwiste perceel heeft gepacht en, zo begrijpt het hof, dit perceel bij de pachtovereenkomst is getrokken. Dit is door de erfgenamen onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal daarom uitgaan van een ingangsdatum van 1992.
De vordering van [geïntimeerde] sluit daar ook bij aan, omdat hij wijziging van pachtovereenkomst 1 gevorderd heeft, zodat het betwiste perceel daar onderdeel van uitmaakt. Het hof heeft hierboven geoordeeld dat de afspraken tussen [oom 1] en [oom 2] en [geïntimeerde] ook zo uitgelegd moeten worden. Daarin ligt besloten dat tussen verpachters en pachter is afgesproken dat de pachtovereenkomst voor het betwiste perceel, behalve de tuin, in is gegaan in 1992 en ook een duur had van 12 jaar, omdat dat de duur van pachtovereenkomst 1 is. De klacht van de erfgenamen slaagt dus slechts in zoverre, dat het hof de ingangsdatum van de pachtovereenkomst zal verduidelijken. De erfgenamen komen tegen deze vastlegging alleen in hoger beroep voor zover de ingangsdatum onduidelijk is en omdat de duur zes jaren moet zijn in plaats van twaalf, zodat het hof de vastlegging van de pachtprijs in aansluiting op pachtprijsherziening van 2019 zal handhaven.
[geïntimeerde] heeft recht op schadevergoeding
De erfgenamen maken bezwaar tegen de toewijzing van schadevergoeding, omdat volgens hen geen sprake is van een pachtovereenkomst voor het betwiste perceel. Zij komen nadrukkelijk niet op tegen de door de pachtkamer in Roermond vastgestelde hoogte van de schadevergoeding (grief 4). Omdat het hof net als de pachtkamer in Roermond oordeelt dat wél sprake is van een pachtovereenkomst, slaagt deze klacht over de schadevergoeding niet.
Geen vastlegging van een pachtovereenkomst voor perceel [B]
De erfgenamen komen ertegen op dat de pachtkamer in Roermond een pachtovereenkomst heeft vastgelegd voor perceel [B] (grief 5). Zij hebben zich in hoger beroep neergelegd bij de inhoud van pachtovereenkomst 3 en het hof begrijpt bij de geldigheid daarvan. Er is dus al sprake van een schriftelijk vastgelegde en goedgekeurde pachtovereenkomst. Vastlegging is dan niet aan de orde en het hof zal het vonnis op dit punt vernietigen.
Het hoger beroep van [geïntimeerde]
[geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het vonnis van de pachtkamer in Roermond op bepaalde punten niet in stand zou blijven. Die voorwaarde is vervuld. [geïntimeerde] klaagt over een aantal overwegingen van de pachtkamer in Roermond en de afwijzing van zijn vorderingen voor zover niet toegewezen, omdat voor hem van belang is dat de pacht komt vast te staan voor het perceel [A] in de omvang die hij voorstaat. Deze klachten slagen niet om de redenen die het hof hierboven heeft gegeven. Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt dan ook niet.
De conclusie
Het hoger beroep van de erfgenamen slaagt gedeeltelijk, omdat het hof de omvang van het gepachte en de ingangsdatum zal verduidelijken en de vastlegging van een pachtovereenkomst voor perceel [B] zal vernietigen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens de erfgenamen aangegeven dat ook ontruiming door [geïntimeerde] van wat niet gepacht is bedoeld is te vorderen. Het hof leest dat niet in de memorie van grieven, maar wijst [geïntimeerde] er wel op dat de veroordeling tot ontruiming door de erfgenamen van de percelen [B] en [A] , voor zover deze percelen niet gepacht zijn, wordt vernietigd en deze ontruiming dus ongedaan moet worden gemaakt zodat de erfgenamen het niet-gepachte weer in gebruik kunnen nemen. Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Omdat [geïntimeerde] echter ten aanzien van zijn vorderingen in overwegende mate in het gelijk is gesteld, zal het hof de veroordeling van de erfgenamen in de proceskosten van de procedure bij de pachtkamer in Roermond bekrachtigen. Ten aanzien van de proceskosten in het hoger beroep van de erfgenamen bepaalt het hof dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen omdat partijen over en weer op bepaalde punten gelijk en ongelijk hebben gekregen. Ten aanzien van het hoger beroep van [geïntimeerde] wordt [geïntimeerde] in de proceskosten van de erfgenamen veroordeeld, omdat hij in het ongelijk wordt gesteld, maar begroot het hof deze proceskosten op nihil: het hoger beroep van [geïntimeerde] overlapte, zoals de erfgenamen ook hebben betoogd, grotendeels met het principaal appel.
Vanwege de uitvoerbaarheid zal het hof het vonnis van de pachtkamer in Roermond in conventie en reconventie geheel vernietigen en opnieuw recht doen.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
In het hoger beroep van de erfgenamen
vernietigt de beslissingen in het vonnis van de rechtbank Limburg, pachtkamer Roermond, van 8 januari 2025, zoals hersteld bij vonnis van 19 februari 2025, en beslist als volgt:
In conventie
verklaart voor recht dat de tussen [geïntimeerde] en de erfgenamen bestaande rechtsverhouding met betrekking tot het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie […] , nummer [nummer perceel [A]] (ged.) met uitzondering van het gedeelte achter de woning naast de bedrijfsgebouwen tot aan het pad rechts van het kleine schuurtje, zoals te zien op de afbeelding in rov. 3.13, en met uitzondering van het kleine schuurtje zelf, wordt aangemerkt als een overeenkomst van pacht in de zin van artikel 7:311 BW;
legt schriftelijk vast de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel gemeente [gemeente 3] , sectie […] , nummer [nummer perceel [A]] (ged.), voor het niet gearceerde gedeelte zoals te zien op het kaartje in rov. 2.3 maar met uitzondering van het gedeelte achter de woning naast de bedrijfsgebouwen tot aan het pad rechts van het kleine schuurtje, zoals te zien op de afbeelding in rov. 3.13, en met uitzondering van het kleine schuurtje zelf, met ingang van 1 mei 1992 voor de duur van 12 jaren als bedoeld in artikel 7:325 BW, conform de voorwaarden van de pachtovereenkomst die is ingegaan 1 mei 1992 (productie 4 bij de dagvaarding), tegen een pachtprijs zoals vastgesteld door de Centrale Grondkamer (productie 18/22 bij dagvaarding en productie 9 bij conclusie van antwoord van de erfgenamen), per 1 mei 2019 ad € 522,54 per hectare;
veroordeelt de erfgenamen gezamenlijk en/of ieder voor zich om de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie […] , nummers [nummer perceel [B]] en [nummer perceel [A]] voor zover aan [geïntimeerde] verpacht, voor zover deze percelen thans door hen worden gebruikt en het vrije gebruik door [geïntimeerde] wordt belemmerd, te ontruimen of te doen ontruimen en vrij en onbelemmerd aan [geïntimeerde] in gebruik terug te geven uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit arrest;
veroordeelt elk van de erfgenamen hoofdelijk om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting de in het lichaam van de dagvaarding gespecificeerde schadevergoeding te betalen ad € 575,50 per jaar berekend over de jaren 2019 en volgende totdat het onrechtmatig gebruik van de grond door de erfgenamen is gestaakt;
draagt de griffier op grond van het bepaalde in artikel 1019t Rv op drie gewaarmerkte afschriften van dit vonnis aan de bevoegde grondkamer te zenden, binnen 14 dagen na heden;
veroordeelt de erfgenamen om de proceskosten van [geïntimeerde] in de procedure bij de pachtkamer in Roermond van € 1.172,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
In reconventie
veroordeelt [geïntimeerde] om aan de erfgenamen te betalen een bedrag aan achterstallige pachtpenningen van € 608,15, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 april 2022 tot aan de dag van betaling;
veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten in de procedure bij de pachtkamer in Roermond van € 202,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
In conventie en reconventie
veroordeelt de erfgenamen hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als de erfgenamen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en dit arrest daarna wordt betekend;
In het hoger beroep van de erfgenamen en [geïntimeerde]
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in het hoger beroep van de erfgenamen;
veroordeelt [geïntimeerde] in zijn hoger beroep in de proceskosten van de erfgenamen, begroot op nihil;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, J.U.M. van der Werff en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en ir. J.H. Jurrius en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.