ECLI:NL:GHARL:2026:4593

ECLI:NL:GHARL:2026:4593

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 15-07-2026
Zaaknummer 200.363.232
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Belangenafweging in het kader van vordering tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 351 Rv). Het restitutierisico van eiser is voldoende afgedekt door de verklaringen van de curator over de wijze waarop met een door eiser te verrichten betaling zal worden omgegaan. Analoge toepassing van artikel 6:51 lid 2 BW ten aanzien van de door eiser onverplicht aangeboden zekerheidstelling. Geen feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen beoordelen of de zekerheidsstelling voldoende waarborgen biedt dat de door de rechtbank uitgesproken veroordeling kan worden voldaan en de curator zich zonder moeite op de aangeboden zekerheid kan verhalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.363.232

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 584392

arrest in het incident van 14 juli 2026

in de zaak van

1. [appellant] ( [de DGA] )

2. Blue Turbines B.V. (Blue Turbines)

die woont in [woonplaats]

die is gevestigd in Amersfoort

3. De Horstink Noord B.V. (Horstink)

die is gevestigd in Amersfoort

samen: [de DGA c.s.]

advocaat: mr. P.J.P. van Huizen

en

mr. [geïntimeerde] in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van TTC Grevelingendam B.V. (de Curator)

die kantoor houdt in [vestigingsplaats]

advocaat: mr. E.E. Neele

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[de DGA c.s.] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht op 24 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

het anticipatie-exploot van de curator

de memorie van grieven inclusief incidentele vordering tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad op grond van artikel 351 Rv

de antwoordconclusie in het incident ex art. 351 Rv.

Hierna heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2. De kern van de zaak

TTC Grevelingendam B.V. (TTC) is opgericht in 2017 voor het realiseren van een innovatie-, test-, certificerings- en demonstratiecentrum voor getijdenenergie (het Centrum). Op 24 mei 2022 is TTC in staat van faillissement verklaard, daarbij is mr. [geïntimeerde] benoemd tot curator.

Op het moment dat het faillissement van TTC werd uitgesproken was haar enig bestuurder en aandeelhouder Blue Turbines. De enig bestuurder en aandeelhouder van Blue Turbines was Horstink en de enig bestuurder en aandeelhouder van Horstink was [de DGA] . Aanvankelijk waren Blue Turbines en [de DGA] de vennoten van de in 2015 opgerichte vof [naam VOF] (de Vof). In 2017 heeft TTC [de DGA] vervangen als vennoot in de Vof.

In verband met de realisatie van het Centrum hebben TTC en de Vof in de periode tussen 2016 en 2019 voorschotten ontvangen op (voorwaardelijk) toegekende subsidiebedragen door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland (GS) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

In 2021 heeft GS de aan TTC voorwaardelijk toegekende subsidie op nihil gesteld omdat TTC niet (aantoonbaar) had voldaan aan de door GS gestelde subsidievoorwaarden. In 2022 heeft RVO de aan de Vof toegekende subsidie vastgesteld op een aanmerkelijk lager bedrag dan het bedrag dat bij wijze van voorschot aan de Vof was verstrekt. Inmiddels had TTC diverse financiële verplichtingen op zich genomen waaronder betaalverplichtingen uit hoofde van een overeenkomst van aanneming van werk voor de bouw van het Centrum. Omdat TTC niet meer voldeed aan deze betaalverplichtingen heeft de aannemer het faillissement van TTC aangevraagd.

De Curator is een procedure gestart tegen [de DGA c.s.] Daarbij heeft de Curator zich op het standpunt gesteld dat [de DGA c.s.] aansprakelijk is voor het faillissementstekort van TTC omdat hij zijn bestuurstaak in de jaren voorafgaand aan het faillissement onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van TTC. De Curator heeft het [de DGA c.s.] verweten dat hij is gestart met de bouw van het Centrum zonder dat er reëel zicht bestond op het verwerven van private financiering terwijl dat wel een van de voorwaarden was waaronder de subsidies waren verleend.

De rechtbank heeft de Curator in het gelijk gesteld en voor recht verklaard dat [de DGA c.s.] hoofdelijk aansprakelijk is voor het faillissementstekort van TTC. Daarbij heeft de rechtbank [de DGA c.s.] , uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeeld om aan de Curator te voldoen:

het faillissementstekort van TTC

een bedrag van € 3.500.000 als voorschot op de betaling van het faillissementstekort

de beslagkosten ten bedrage van € 5.206,32

de proceskosten ten bedrage van € 11.316,49 te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten bij niet tijdige betaling.

Tot op heden heeft de curator het vonnis niet geëxecuteerd.

[de DGA c.s.] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank (de hoofdzaak).

In het incident vordert [de DGA c.s.] dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordelingen in het vonnis wordt geschorst totdat in de hoofdzaak eindarrest is gewezen dan wel dat deze tenuitvoerlegging wordt geschorst onder de voorwaarde dat [de DGA c.s.] zekerheid stelt in een door het hof nader te bepalen vorm en omvang, met veroordeling van de Curator in de kosten van het incident.

Het hof zal de vordering van [de DGA c.s.] afwijzen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel is gekomen.

3. De motivering van de beslissing in het incident

De incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv

Voor de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) geldt het volgende.

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij (in dit geval [de DGA c.s.] ) om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij (in dit geval de Curator) om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren.

b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.

c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser in zijn vordering feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken. De eiser hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.

De rechtbank heeft de beslissing om de veroordelingen in het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd, zodat de hiervoor in 3.1 onder c gestelde voorwaarde niet aan de orde is. Daarnaast heeft [de DGA c.s.] niet gesteld en is ook niet gebleken dat de beslissing van de rechtbank berust op een kennelijke misslag. Dit betekent dat het hof moet beoordelen of de belangenafweging uitvalt in het voordeel van [de DGA c.s.]

Belangenafweging

[de DGA c.s.] is in eerste aanleg, onder meer, veroordeeld om het tekort in de faillissementsboedel van TTC te voldoen en, vooruitlopend daarop, een bedrag van € 3.500.000 te betalen als voorschot op het aan te vullen faillissementstekort. Met deze veroordeling tot betaling van een geldsom is het belang van de Curator bij de tenuitvoerlegging van het vonnis in beginsel gegeven. De Curator voegt daar aan toe dat zij haar verhaal op [de DGA c.s.] wil (kunnen) veiligstellen in het belang van de gezamenlijke schuldeisers van TTC, waaronder met name overheidsinstanties met aanzienlijke vorderingen uit hoofde van terug te betalen gemeenschapsgelden.

Daartegenover staat het belang van [de DGA c.s.] om de uitkomst van het hoger beroep af te kunnen wachten voordat hij de bedragen moet voldoen waartoe hij door de rechtbank is veroordeeld. Daarbij voert [de DGA c.s.] aan dat er een kwantitatief, concreet en onmiddellijk restitutierisico ontstaat zodra hij het bedrag van € 3.500.000 voldoet aan de Curator aangezien de Curator deze betaling zal uitkeren aan de schuldeisers waarna zij niet meer in staat zal zijn het bedrag terug te betalen als het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. Bovendien leidt executie van het vonnis volgens [de DGA c.s.] voor hem tot onomkeerbare persoonlijke schade, waaronder het persoonlijke faillissement van [de DGA] . Tegen dit persoonlijke nadeel weegt het belang van de Curator bij onmiddellijke tenuitvoerlegging niet op gelet op het feit dat de verificatievergadering nog niet heeft plaatsgevonden en de definitieve omvang van het boedeltekort nog niet vaststaat, aldus [de DGA c.s.]

Het hof overweegt het volgende. Wanneer de Curator overgaat tot het uitwinnen van de door de rechtbank toegewezen bedragen voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en het vonnis vervolgens in hoger beroep wordt vernietigd met afwijzing van de door de Curator ingestelde rechtsvordering, zal de Curator de door [de DGA c.s.] onder het vonnis betaalde bedragen als onverschuldigd moeten terugbetalen. De vordering tot terugbetaling die [de DGA c.s.] in dat geval heeft op de Curator geldt als een concurrente boedelvordering. Deze kwalificatie brengt mee dat het betalen van het voorschot van € 3.500.000 aan de Curator een restitutierisico meebrengt voor [de DGA c.s.] Nu volgens de Curator, anders dan [de DGA c.s.] aanvoert, de verificatievergadering inmiddels heeft plaatsgevonden (op 13 oktober 2025) en aan de hand daarvan is vastgesteld dat het boedeltekort ten minste € 5.804.445,92 bedraagt, is het aannemelijk dat het hierbij, in beginsel, een reëel en substantieel restitutierisico betreft.

Daar staat tegenover dat de Curator in haar antwoordconclusie in het incident heeft verklaard dat zij geen betalingen doet of zal doen aan de schuldeisers en dat, als zij uit hoofde van de veroordeling in het bestreden vonnis (eventueel) een bedrag ontvangt van [de DGA c.s.] , zij voornemens is deze betaling(en) apart te zetten tot het moment waarop de veroordeling van [de DGA c.s.] in kracht van gewijsde is gegaan. Daarbij heeft de Curator verklaard dat zij het aldus apart te zetten bedrag aan [de DGA c.s.] zal terugbetalen als het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd en haar vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen. Naar het oordeel van het hof is het door [de DGA c.s.] aangevoerde restitutierisico met deze verklaringen van de Curator in voldoende mate afgedekt.

Daar komt bij dat [de DGA c.s.] onvoldoende heeft onderbouwd op grond waarvan hij onomkeerbare persoonlijke schade lijdt als de Curator overgaat tot de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot, onder meer, het voldoen van het voorschot en waaruit die schade in dat geval bestaat. Het hof neemt daarbij met de Curator in aanmerking dat [de DGA c.s.] geen feiten en omstandigheden aanvoert met betrekking tot de financiële situatie van [de DGA] of de opstelling van schuldeisers waaruit kan worden afgeleid dat executie van het vonnis zijn persoonlijk faillissement tot gevolg zal hebben. De financiële positie van Blue Turbines en Horstink laat [de DGA c.s.] bovendien onbesproken.

[de DGA c.s.] heeft aan zijn (subsidiaire) vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde verbonden dat hij zekerheid stelt in een door het hof nader te bepalen vorm en omvang. Deze door [de DGA c.s.] (onverplicht) aangeboden zekerheidstelling kent geen rechtstreekse wettelijke basis. Uit een (analoge) toepassing van de wettelijke regeling die geldt voor het stellen van zekerheid op grond van een wettelijke verplichting (artikel 6:51 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)) volgt dat (ook de onverplichte) zekerheidstelling aan bepaalde eisen moet voldoen. Deze eisen brengen mee dat de zekerheidstelling voldoende waarborg moet bieden voor het voldoen van de door de rechtbank uitgesproken veroordeling en dat de Curator zich zonder moeite op de aangeboden zekerheid moet kunnen verhalen. Zoals hiervoor in 3.7 is vastgesteld, geeft [de DGA c.s.] geen inzicht in zijn financiële situatie en doet hij niet een concreet aanbod op welke manier hij deze zekerheid zou (kunnen) stellen. Dit brengt mee, dat het hof niet kan beoordelen of, en zo ja in welke vorm en omvang, [de DGA c.s.] zekerheid kan stellen die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6:51 lid 2 BW. Hieruit volgt dat de door [de DGA] geformuleerde zekerheidstelling geen rol kan spelen in het kader van de hiervoor in 3.2 genoemde belangenafweging.

In het licht van de hiervoor besproken omstandigheden weegt het belang van [de DGA c.s.] om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, minder zwaar dan het belang van de Curator om het verhaal op [de DGA c.s.] veilig te stellen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van TTC.

Het hof wijst de incidentele vordering daarom af. [de DGA c.s.] wordt in het ongelijk gesteld en wordt om die reden veroordeeld in de kosten van het incident.

De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4. De beslissing

Het hof:

in het incident

wijst de vordering af;

veroordeelt [de DGA c.s.] tot betaling van de proceskosten van het incident van de Curator ter hoogte van € 1.290 aan salaris van de advocaat van de Curator (1 procespunt x het toepasselijke tarief II) en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak in hoger beroep

bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, C. Bakker en R. Verkijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl INS-Updates.nl 2026-0192 OR-Updates.nl 2026-0145
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand