ECLI:NL:GHARL:2026:461

ECLI:NL:GHARL:2026:461

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 21-003156-23
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Wijziging verklaring aangever en getuige in hoger beroep. Betrouwbaarheidsverweren. Vrijspraak van poging doodslag en afpersing. Anders dan gevorderd door de advocaat-generaal en bepleit door de raadsman, komt het hof tot een bewezenverklaring voor het medeplegen van poging zware mishandeling met voorbedachte raad. Redelijke termijn. Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [plaats] ,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank [gebied] .

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte en het niet-ontvankelijk verklaren van de vordering van de benadeelde partij. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.E. Wielenga, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank [gebied] heeft verdachte vrijgesproken van dat wat hem onder 1 primair ten laste is gelegd (poging moord/doodslag) en voor feit 1 subsidiair (poging zware mishandeling) en feit 2 (poging afpersing) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. De vordering van de benadeelde partij is door de rechtbank geheel toegewezen.

Het hof komt in dit arrest tot een andere bewezenverklaring, een andere strafoplegging en een andere beslissing over de vordering van de benadeelde partij dan de rechtbank [gebied] . Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 15 mei 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, met voormeld oogmerk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer]

-meerdere malen, vol heeft geslagen/gestompt/getrapt op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en/of

-de keel heeft dichtgeknepen en/of

-heeft geslagen met een stang/buis (van een stofzuiger) en/of

-de armen en/of benen heeft vastgebonden en/of

-een salontafel op die [slachtoffer] heeft gegooid en/of

-die [slachtoffer] heeft bekogeld met spullen uit de woning en/of

-daarbij woorden heeft geuit als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en/of "We maken je af" en/of "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en/of "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af", althans woorden van gelijke aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiairhij op of omstreeks 15 mei 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voormeld oogmerk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer]

-meerdere malen, vol heeft geslagen/gestompt/getrapt op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en/of

-de keel heeft dichtgeknepen en/of

-heeft geslagen met een stang/buis (van een stofzuiger) en/of

-de armen en/of benen heeft vastgebonden en/of

-een salontafel op die [slachtoffer] heeft gegooid en/of

-die [slachtoffer] heeft bekogeld met spullen uit de woning en/of

-daarbij woorden heeft geuit als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en/of "We maken je af" en/of "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en/of "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af", althans woorden van gelijke aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiairhij op of omstreeks 15 mei 202 I, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of ineer anderen, althans alleen, een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] -meerdere malen, vol te slaan/stompen/trappen op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en/of

-de keel dicht te knijpen en/of

-te slaan met een stang/buis (van een stofzuiger) en/of

-de armen en/of benen vast te binden en/of

-een salontafel op die [slachtoffer] te gooien en/of

-te bekogelen met spullen uit de woning en/of

-daarbij woorden te uiten als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en/of "We maken je af' en/of "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en/of "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af',

althans woorden van gelijke aard of strekking;

2.hij op of omstreeks, 15 mei 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een persoon, genaamd, [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n), met voormeld oogmerk, die [slachtoffer]

-meerdere malen, vol heeft geslagen/gestompt/getrapt op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en/of

-de keel heeft dichtgeknepen en/of

-heeft geslagen met een stang/buis (van een stofzuiger) en/of

-de armen en/of benen heeft vastgebonden en/of

-een salontafel op die [slachtoffer] heeft gegooid en/of

-die [slachtoffer] heeft bekogeld met spullen uit de woning en/of

-daarbij woorden heeft geuit als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en/of "We maken je af" en/of "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en/of "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af", althans woorden van gelijke aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Het hof overweegt ten aanzien van feit 1 primair dat niet vast is komen te staan dat verdachte en zijn medeverdachten opzet hadden op de dood van aangever. Bij feit 2 is onvoldoende vast komen te staan dat aangever is gedwongen tot het afgeven van goederen uit zijn vermogen en ten laste is gelegd dat aangever ‘slechts’ moest vertellen waar de hennep was en hij ervoor moest zorgen de handel terug te krijgen.

Bewijsoverweging

Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Gelet op de verklaringen van de aangever [slachtoffer] en de getuige, zijn broer [getuige 1] , in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris en op de zitting kan niet goed vastgesteld worden wat er precies is gebeurd op 15 mei 2021.

Ook de raadsman heeft aangevoerd dat verdachte vrij moet worden gesproken. Er is onvoldoende wettig bewijs en ook onvoldoende overtuigend bewijs. De broers verklaren ongeloofwaardig en niet consistent. Daarbij hebben ze in geen enkele verklaring belastend verklaard over verdachte. Ook klopt het signalement niet, verdachte heeft zijn armen onder de tatoeages zitten. Het DNA-spoor van verdachte is op de tie-wrap terechtgekomen omdat verdachte heeft geholpen met sjouwen en aanleggen van de hennepkwekerij in de woning van aangever en het is mogelijk dat hij daarbij de gereedschapskist van aangever heeft gebruikt met daarin de tie-wraps. Het is gebruikelijk dat tie-wraps worden gebruikt bij het ophangen van spullen voor een kwekerij. Daarbij is alleen deze tie-wrap onderzocht, terwijl er in de kamer meerdere te vinden waren. Het onderzoek naar de tie-wrap is gebrekkig en het enige belastende bewijs is daarmee dus niet overtuigend.

Het hof komt tot een ander oordeel en is van oordeel dat een vrijspraak van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn opgenomen. Deze bewijsmiddelen, bevattende onder meer redengevende feiten en omstandigheden, waardeert het hof zoals weergegeven in de bewijsoverweging.

Bewijsmiddelen

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2021125986, gesloten en getekend op 6 oktober 2021 door [verbalisant] , hoofdagent van politie [gebied] , Rechercheteam [plaats] ..

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2021 (als bijlage op pagina 97 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

Op 15 mei 2021 zijn wij naar het adres [adres] te [plaats] gegaan. Ter plaatse troffen wij [slachtoffer] en [getuige 1] . Wij hebben [slachtoffer] gevraagd wat er gebeurd was en hoorden hem samengevat zeggen dat hij onder druk van ene [medeverdachte 1] een hennepkwekerij in zijn woning had. [slachtoffer] heeft de opdrachtgever [medeverdachte 1] bericht dat de planten waren geript. Hij heeft toen met [medeverdachte 1] afgesproken elkaar op 15 mei om 16.00 uur te ontmoeten. Op het moment dat aangever de deur had geopend zag hij dat er direct twee andere mannen de woning binnen renden. De mannen begonnen direct op [slachtoffer] in te slaan. Wij zagen dat [slachtoffer] zichtbaar letsel had op meerdere plekken over zijn hele lichaam. Het letsel is door ons fotografisch vastgelegd.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 15 mei 2021 (als bijlage op pagina 56 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer] :

[medeverdachte 1] heeft een kwekerij bij mij opgebouwd. Ik was veelal in de woning op het moment dat [medeverdachte 1] er was. Ik heb telkens alleen [medeverdachte 1] in de woning gezien.

Op 13 mei 2021 zag ik in mijn woning dat bijna alle hennepplanten weg waren gehaald. De planten moesten toen nog ongeveer 2 weken staan voordat ze geoogst konden worden. Ik heb toen mijn broer [getuige 1] gebeld om te vragen of hij mij wilde ophalen, ik was bang en durfde niet in mijn woning te blijven. Hij heeft mij om ongeveer 2.30 uur opgehaald waarna we naar zijn woning zijn gegaan. Ik heb [medeverdachte 1] die nacht een bericht gestuurd dat de kwekerij in mijn woning leeggehaald was.

Op 14 mei ben ik samen met mijn broer even terug naar mijn woning gegaan om wat persoonlijke spullen op te halen. Daarna ben ik weer met mijn broer mee naar huis gegaan. Later kreeg ik een bericht van [medeverdachte 1] dat hij het incident van die avond daarvoor nog met mij wilde bespreken en hij wilde op zaterdag 15 mei 2021 om 16.00 uur met mij afspreken in de woning.

Op 15 mei 2021 was ik in mijn woning in [plaats] toen ik [medeverdachte 1] om 16.20 uur aan zag komen rijden.

Ik liet hem binnen en hij liep achter mij de woning in. Toen [medeverdachte 1] net binnen in de hal stond zag ik dat er direct twee andere mannen de woning in kwamen lopen. Ik heb later op de Facebook pagina van [medeverdachte 1] gekeken en herkende direct [medeverdachte 2] als één van de

mannen die de woning kwam binnenlopen. De andere man kende ik niet. Toen de drie

mannen bij mijn in de hal stonden begonnen ze direct vol op mij in te slaan met hun vuisten.

Ook werd ik direct bij mijn keel gepakt en voelde ik dat mijn keel werd dichtgeknepen. Ik

hoorde dat er geschreeuwd werd: "We maken je dood als je niet vertelt waar die handel is."

Ze bleven maar op mij inslaan en dwongen mij de woonkamer in. Daar werd ik op de bank

gegooid. Alle drie de mannen bleven om de beurt op mij inslaan, schoppen en trappen. Zo

werd er ook hard op mijn hoofd en borst getrapt en geslagen. Op een gegeven moment

werden er om mijn handen en mijn benen tie-wraps vastgebonden waarna de mannen door

bleven slaan. Het waren witte tie-wraps waarmee ik vastbonden werd. Ik heb zelf ook witte tie-wraps in huis maar die waren niet zo lang als die waarmee ik vastgebonden werd. Toen ik de tie-wraps om had, bleven ze maar doorgaan met slaan en schoppen. Ook werden er allerlei dingen uit mijn woning naar mij toegegooid en werd ik met dingen uit de woning geslagen. Zo is mijn salontafel ook op mij gegooid en heeft [medeverdachte 2] mij ook een hele tijd hard met de ijzeren staaf van mijn stofzuiger geslagen. Ze hebben ook allerlei voorwerpen van dichtbij naar mijn hoofd gegooid. Omdat dit zo dichtbij was, kon ik niet zien wat het was, behalve dat ze met een paar glazen die vanaf de eettafel kwamen naar mij gooiden. De mannen bleven maar schreeuwen: "We maken je af” en wilden maar weten waar die hennep was. Ik was erg bang, ik werd zo hard geslagen en getrapt dat ik echt dacht dat ze mij dood zouden slaan. Ook omdat ze op mijn hoofd trapten en schopten. Op een gegeven moment hoorde ik [medeverdachte 2] zeggen: "Ik ga naar de auto en pak een pistool". Op dat moment dacht ik echt dat het mijn dood werd. Toen [medeverdachte 2] de woning uitliep hoorde ik dat er tegen mij gezegd werd: "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af." Omdat [medeverdachte 2] net daarvoor had gezegd dat hij naar zijn auto ging om een pistool te pakken was ik bang dat hij terug zou komen, ik ben direct door het kapotte raam aan de achterzijde van mijn woning gesprongen om te vluchten. Toen ik het idee kreeg dat ze weg waren ben ik terug gegaan en was mijn broer [getuige 1] ook bij mijn woning. Geen van de drie mannen hadden handschoenen of iets dergelijks aan, ze hadden de gehele tijd dat ze in mijn woning waren, gewoon blote handen.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 16 mei 2021 (als bijlage op pagina 67 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer] :

V: Je hebt twee van de drie mannen direct en indirect herkend. De derde man heb je goed gezien zei je, wat is het signalement van die derde persoon?

A: Lang persoon, 1,90 à 2 meter, donkerblond haar, heel donker, geen lang haar tot op de oren ongeveer. Hij had een lok in zijn haar, boven zijn rechter oog, dus naar rechts gekamd, een blanke huidskleur maar niet heel erg blank-blank, geen opvallende kenmerken in zijn gezicht, dus geen bril, baard, snor, tatoeages of zichtbare piercings. Lichtbruin shirt of truitje en een spijkerbroek er onder. Donkerblauw. Hij droeg zwarte schoenen volgens mij. Hij was de agressiefste. Hij is ook degene die mij met die buis heeft geslagen. En niet [medeverdachte 2] , zoals in mijn aangifte staat.

V: Heb je zelf nog aanvullingen?

Ik heb de uitslag van het ziekenhuis. Er zit een scheurtje in mijn nier waardoor er een beetje

bloed in mijn urine zat.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 19 mei 2021 (als bijlage op pagina 71 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 1] :

[slachtoffer] had mij verteld dat hij met [medeverdachte 1] had afgesproken om te praten. Ik kwam aanrijden

en stapte uit. Ik zag drie jongens via de voordeur van de woning van [slachtoffer] naar buiten

stormen. Ik zag ook de auto van [medeverdachte 1] voor de woning staan, een grijze Audi RS3. Ik herkende [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De derde jongen ken ik niet, hij was lang en slank, een jaar of 26, kort haar, een beetje babyface, geen gezichtsbeharing, netjes gekleed. Ik voelde dat er wat aan de hand was en ben gelijk naar binnen gegaan. Binnen was het een ravage, de salontafel was kapot en het raamkozijn was uit het kozijn getrokken. [slachtoffer] lag buiten op de grond en riep [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2]). Ik ben via datzelfde raam naar buiten gegaan, naar [slachtoffer] . lk zag dat hij angstig en bebloed was. Hij vertelde mij dat ze hem te pakken hadden gehad. Hij zei dat het [medeverdachte 1] en zijn vriendjes waren geweest. Ik hoorde van hem dat ze alle drie geslagen hebben maar dat die derde man het agressiefst was geweest en dat die man hem ook met een stofzuigerbuis heeft geslagen.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 21 september 2021 (als bijlage op pagina 138 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

Op dinsdag 21 september 2021 om 11:20 uur verhoorden wij verbalisanten, [verbalisant] en [verbalisant] , de verdachte [verdachte] . Wij zagen dat hij kort donkerblond haar had. Wij zagen dat hij een blanke huidskleur had. Wij zagen dat hij zijn pony, aan de voorzijde van zijn gezicht/ hoofd in een lok naar rechts had hangen. Wij hoorden dat hij "normaal" Nederlands sprak, zonder een duidelijk accent.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van forensisch onderzoek woning d.d. 3 augustus 2021 (als bijlage op pagina 78 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

Op de leuning van de bank in de woonkamer zagen wij twee witte tie-wraps aan elkaar

liggen en in de slaapkamer zagen wij witte tie-wraps liggen die kleiner waren. Gelet op

de verklaring van [slachtoffer] werden de tie-wraps van de bank door mij, verbalisant [verbalisant] ,

veiliggesteld. Wij zagen voor de bank delen van een salontafel liggen.

Goednummer: PL0100-2021125986-1384872

Sin: AAOY9355NL

Object: Kabelbinder

Op maandag 31 mei 2021 werd de tie-wrap in het DNA-laboratorium van de politie

eenheid bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van DNA (AAOT9292NL).

7. Het deskundigenrapport, zaaknummer 2021.06.25.156 (aanvraag 001), opgemaakt door ing. [deskundige] , werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 22 juli 2021 (als bijlage op pagina 91 van het proces-verbaal), voor zover - zakelijk weergegeven – inhoudende:

Tabel 2 Resultaten, interpretatie en conclusie van het (vergelijkend) DNA-onderzoek

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 15 mei 2021 (als bijlage op pagina 97 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

Ik, verbalisant heb in haar woning met [getuige 2] gesproken. Ze vertelde dat ze omstreeks

uur een hoop lawaai hoorde. Ze hoorde gestommel en geschreeuw. Dit geluid kwam

van de beneden verdieping. Ze is naar het balkon gelopen. [getuige 2] zag vervolgens dat haar onderbuurman, [slachtoffer] , door het raam naar buiten kwam. [slachtoffer] zat volgens [getuige 2] helemaal onder het bloed. Volgens [getuige 2] was zijn neus kapot. [getuige 2] zag [slachtoffer] vervolgens

achterover op zijn rug vallen. Ik hoorde dat [getuige 2] zei dat ze vanaf het balkon aan [slachtoffer] vroeg wat er was gebeurd. Ze hoorde [slachtoffer] zeggen dat hij was vastgebonden met tie-wraps en dat hij was mishandeld.

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 14 september 2021 (als bijlage op pagina 24 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte 1] :

V: Heb je een auto?

A: Ja.

V: Wat voor auto heb je?

A: Audi en een bedrijfsbus.

V: Wie maken er gebruik van jou auto (s)

A: De Audi is voor privé. De bus is voor zakelijk gebruik.

V; Wat voor type Audi is het?

A: Een nardo grey, type RS3.

V: Sinds wanneer heb je die Audi?

A: Sinds januari 2021.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen camerabeelden [adres] 78 d.d. 27 augustus 2021 (als bijlage op pagina 194 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

15 mei 2021, 16:35:48 uur

Aangever [slachtoffer] verklaart dat hij op 15 mei 2021 is mishandeld en vastgebonden is in zijn woning. Nadat de mannen de woning hadden verlaten kwam zijn broer [getuige 1] , de woning binnen. Kort daarna zijn aangever en zijn broer samen vetrokken in de auto van [getuige 1] , te weten een Zwarte VW polo voorzien van het kenteken [kenteken] . Op 15 mei 2021 om 16:35:48 uur, komt de auto in beeld komende uit de richting van de PD.

11. De waarneming van het hof ter terechtzitting van het hof d.d. 13 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De voorzitter deelt mede:

Ik zie op de foto’s bloedende wonden op de handen en in het gezicht van aangever.

Bewijsoverwegingen

Het dossier en de bewijsmiddelen geven het hof aanleiding voor de volgende overwegingen.

Aangever heeft op 15 mei 2021 aangifte gedaan. Hij verklaart dat hij moest toestaan dat medeverdachte [medeverdachte 1] een hennepkwekerij in de woning van aangever zou opzetten. Medeverdachte [medeverdachte 1] kwam een of twee keer per week langs om de planten te voeden. Verder kwam er niemand anders.

Aangever verklaart in de aangifte dat de kwekerij is geript op 13 mei 2021. Aangever heeft zijn broer [getuige 1] toen gevraagd hem op te halen, omdat hij niet in zijn woning durfde blijven. [getuige 1] heeft hem opgehaald en aangever heeft medeverdachte [medeverdachte 1] een bericht gestuurd dat de kwekerij is leeggehaald. Op 14 mei is aangever met zijn broer samen naar zijn woning gegaan om wat spullen te halen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft aangever bericht dat hij met hem op 15 mei om 16.00 uur wilde afspreken in de woning van aangever. Op 15 mei was aangever in zijn woning. Hij zag medeverdachte [medeverdachte 1] aan komen rijden om 16.20 uur. Hij deed de deur open en liet medeverdachte [medeverdachte 1] binnen. Er kwamen direct twee andere mannen de woning in. Een van de mannen, medeverdachte [medeverdachte 2] , herkende aangever omdat hij hem vaker bij medeverdachte [medeverdachte 1] had gezien, de andere man kende aangever niet. Aangever werd gelijk mishandeld door de drie mannen. Hij werd geslagen en geschopt en bij zijn keel gepakt. Ze schreeuwden “we maken je dood als je niet vertelt waar de handel is.” Er werden dingen uit zijn woning naar hem toe gegooid en hij werd met dingen uit de woning geslagen. Zijn salontafel is op hem gegooid en hij werd hard geslagen met de ijzeren staaf van de stofzuiger. Op een gegeven moment werden er tie-wraps om zijn handen en benen gedaan en ze gingen door met de mishandeling. Aangever heeft zelf ook witte tie-wraps in huis, zo verklaart hij, maar die waren niet zo lang als de tie-wraps waarmee hij werd vastgebonden. Uiteindelijk zijn de mannen vertrokken en is aangever gevlucht door het kapotte raam aan de achterzijde van zijn woning en sprak daar nog kort met zijn bovenbuurvrouw [getuige 2] . Toen hij het idee kreeg dat ze weg waren is aangever weer teruggegaan en toen was zijn broer [getuige 1] ook bij de woning. Ze zijn gelijk met de auto weggegaan. In het verhoor op 16 mei 2021 verklaart aangever nog dat de derde man lang was, donkerblond met een lok in zijn haar die naar rechts was gekamd en een blanke huidskleur had.

Ook [getuige 1] wordt door de politie gehoord. Hij verklaart dat aangever op 15 mei 2021 met zijn vriendin mee is gereden naar [plaats] . [getuige 1] zou hem weer ophalen. Aangever had hem verteld dat hij met medeverdachte [medeverdachte 1] had afgesproken om te praten. Toen hij aankwam bij de woning van aangever zag [getuige 1] drie jongens via de voordeur van aangever naar buiten stormen. Hij zag ook de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] staan, een grijze Audi RS3. Hij herkende medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] . De derde jongen kende hij niet. Die was lang, slank, had kort haar en een beetje een babyface. Binnen zag hij dat aangever via een raam aan de achterzijde de woning ontvlucht was. Aangever lag op de grond en riep [getuige 2] . Hij was angstig en bebloed.

Bovenbuurvrouw [getuige 2] verklaart dat ze veel lawaai hoorde en dat ze haar onderbuurman, aangever, via het raam naar buiten zag komen. Hij zat onder het bloed. Hij zei dat hij met tie-wraps was vastgebonden en was mishandeld.

Op een van de inbeslaggenomen tie-wraps wordt een DNA mengprofiel aangetroffen van DNA van aangever en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid DNA van verdachte. De verbalisanten zien bij het verhoor dat verdachte past in het signalement van de derde dader.

In hoger beroep zijn [slachtoffer] en [getuige 1] op verzoek van de verdediging op 26 juli 2024 gehoord door de raadsheer-commissaris. Beiden leggen dan een volslagen andere verklaring af dan de verklaringen die zij kort na het tenlastegelegde feit bij de politie aflegden.

Aangever verklaart bij de raadsheer-commissaris dat hij inmiddels weet dat een dealer waar hij een conflict mee had de kwekerij heeft geript. Diezelfde dealer is ook degene geweest die hem heeft mishandeld. Hij heeft tegen de politie gelogen dat verdachte en de medeverdachten hem hebben mishandeld, omdat hij woest was en dacht dat medeverdachte [medeverdachte 1] hem had geript. Alleen medeverdachte [medeverdachte 1] had een sleutel van de kwekerij. Hij verklaart ook de namen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] te hebben genoemd, terwijl hij hen helemaal niet heeft gezien. Zij waren destijds de helpers bij het opbouwen van de kwekerij met medeverdachte [medeverdachte 1] in zijn woning. Hij kende medeverdachte [medeverdachte 2] niet, zijn broer kende hem wel. Aangever is wel mishandeld, alleen waren verdachte en de medeverdachten niet de daders. Er is op die 15 mei 2021 wel een overleg geweest met medeverdachte [medeverdachte 1] . Zijn broer [getuige 1] was daar ook bij. Ze spraken elkaar in de woning van aangever.

[getuige 1] verklaart bij de raadsheer-commissaris dat zijn broer medeverdachte [medeverdachte 1] een hak wilde zetten, omdat hij dacht dat hij hem had geript. Hij heeft bij de aangifte een beetje met zijn broertje meegeluld, zo verklaart hij. Hij vertrouwde erop dat zijn broer een eerlijke verklaring had afgelegd. Hij was ook helemaal niet in de woning van zijn broer geweest, hij had het allemaal van zijn broer gehoord. Zijn broer sprong eigenlijk gelijk bij hem in de auto. Die middag bij de woning van aangever heeft hij geen mensen gezien. Hij heeft ook geen letsel gezien bij zijn broer. Hij heeft wel een Audi gezien, maar daar zijn er wel meer van. Hij geloofde zijn broer en praatte daarom maar wat met hem mee. Nu weet hij dat zijn broer niet de waarheid heeft verklaard, aldus [getuige 1] . Hij is ook nooit bij de politie geweest, de politie heeft alleen thuis met hem gepraat.

Ook op de zitting van het hof zijn aangever en zijn broer gehoord. Aangever verklaart dan dat hij een schuld had bij dealers die hun geld zijn kwamen opeisen. Zij hadden hem op die donderdag (het hof begrijpt: 13 mei) geript. Hij had expres een foutieve verklaring afgelegd bij de politie omdat hij dacht dat medeverdachte [medeverdachte 1] hem had geript. Daarom heeft hij hem ten onrechte beschuldigd van de mishandeling, terwijl dat ook de dealer was. Als het hof aangever vraagt wie zijn dealer is antwoordt aangever dat hij daar geen contact meer mee kan krijgen. Als het hof aangever vraagt waarom de dealer hem zou mishandelen en zeggen “Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af” als hij zelf degene is geweest die de handel heeft gestolen antwoordt aangever dat de dealer dat zei om de ripdeal te maskeren. Aangever verklaart verder dat hij is terug gegaan naar de woning op 14 mei en met medeverdachte [medeverdachte 1] had afgesproken op zaterdag 15 mei om 16.00 uur. Dat was een normaal gesprek over dat hij was geript. Daar was verder niemand anders bij aanwezig. Hij heeft [getuige 1] gezegd wat hij tegen de politie moest zeggen. Hij komt er nu op terug omdat het oneerlijk is. Hij noemde de andere twee mannen (verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] ) omdat hij ze eens samen met medeverdachte [medeverdachte 1] had gezien bij het opzetten van de kwekerij in zijn woning. De dealer heeft hem mishandeld, die wilde meer en meer geld. Dit was de manier om de schuld te innen. Hij had een schuld van € 18.000,- opgebouwd bij de dealer. Aansluitend aan het gesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] is hij opgehaald door zijn broertje, die op hem wachtte in de auto, en is naar [plaats] gegaan. Op vragen van het hof wanneer hij dan mishandeld is, omdat om 17.00 uur de politie op zijn eigen verzoek al in [plaats] was, antwoordt hij dat hij na het gesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] mishandeld is. Hij zegt dan dat hij, nadat hij door zijn broer was opgehaald en naar [plaats] was gegaan, nog weer terug is gegaan naar huis om op te ruimen en toen is mishandeld. Het gesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] moet volgens hem dus eerder dan 16.00 uur zijn geweest, want de mishandeling was om 16.00 of 16.30 uur. De tie-wraps die voor de mishandeling zijn gebruikt waren van hemzelf, die had hij al een tijd in zijn gereedschapskist liggen. Dat dat niet zo was had hij verzonnen bij de politie om zijn verhaal geloofwaardiger te maken. [getuige 1] was de hele tijd in de auto.

[getuige 1] verklaart op de zitting dat hij zijn tweelingbroer geloofde maar dat hij daar op terug is gekomen. Zijn broer vertelde dat hij geript en mishandeld was. Toen heeft hij hem opgehaald en zijn ze naar [plaats] gereden. In de auto heeft zijn broer de politie gebeld dat hij klappen heeft gehad en vervolgens is de politie bij [getuige 1] thuis gekomen. Dat was allemaal op één dag. Hij heeft niets gezien en [slachtoffer] alleen maar opgehaald. Hij heeft samen met zijn broer met agenten gesproken in zijn woonkamer. Hij heeft geen verklaring bij de politie afgelegd, aldus [getuige 1] . Hij zag geen letsel bij zijn broer, zijn broer gebruikte drugs dus hij had altijd wel plekken. Hij heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verder niet gezien die dag. Zijn broer stapte in paniek in de auto en ze zijn toen weggegaan. Hij kent medeverdachte [medeverdachte 1] wel, maar verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] niet. Hij heeft zijn broer de ene dag opgehaald en de volgende teruggebracht. Hij is eenmaal heen en weer gereden, niet vaker. Hij meende dat zijn broer mishandeld was, en nu blijkt dat hij misschien wel is mishandeld maar niet door de verdachten.

Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld hoe betrouwbaar de door aangever en zijn broer afgelegde verklaringen zijn.

Het hof acht de bij de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting afgelegde verklaringen van aangever en zijn broer niet betrouwbaar. De verklaringen zijn vaag en zeer algemeen van aard in vergelijking met de direct na het feit bij de politie afgelegde verklaringen. Hoewel de hoofdlijnen van die nieuwe verklaringen met elkaar overeenkomen, te weten dat de mishandeling door een ander dan verdachte en de medeverdachten is gedaan, sluiten die verklaringen op andere vlakken niet op elkaar en op de overige bewijsmiddelen aan. Zo verklaart aangever dat [getuige 1] bij het gesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] was (overigens verklaart hij later weer van niet) en [getuige 1] dat hij alleen maar in de auto heeft gezeten. [getuige 1] verklaart geen letsel bij aangever te hebben gezien, terwijl verbalisanten op de dag van de mishandeling letsel bij aangever hebben gezien en foto’s hebben gemaakt van verdachte met een bebloed gezicht, oor en hand. [getuige 1] verklaart op zitting dat het rippen en de mishandeling op dezelfde dag plaatsvonden, aangever verklaart dat het rippen op donderdag 13 mei plaatshad, hij op 14 mei terug is gegaan naar de woning en de mishandeling zich op zaterdag 15 mei heeft voorgedaan. Aangever verklaart eerst dat het gesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] om 16.00 uur was, maar als hij ermee wordt geconfronteerd dat dat het tijdstip van de mishandeling is, verklaart hij dat het gesprek dan eerder op de dag moet zijn geweest, voordat hij werd mishandeld. Aangever verklaart dat hij zijn broer zei wat hij moest zeggen, terwijl [getuige 1] zegt dat hij dacht dat zijn broer de waarheid sprak en hij met hem meepraatte. [getuige 1] verklaart op zitting enkel in zijn woning met de politie te hebben gesproken, terwijl het dossier een door hem ondertekende verklaring bevat van 4 dagen na 15 mei 2021. Het hof kan slechts gissen naar de motieven van aangever en zijn broer om hun verklaringen in hoger beroep te herzien. Het hof heeft ernstige twijfels bij de in hoger beroep afgelegde verklaringen van aangever en zijn broer en schuift deze als ongeloofwaardig terzijde.

Het hof acht de verklaringen zoals deze bij de politie afgelegd zijn wél betrouwbaar. De verklaringen van zowel aangever als [getuige 1] zijn gedetailleerd en vertonen een grote mate van consistentie, in het bijzonder ook waar zij verdachte en zijn medeverdachten aanwijzen als de daders.

Bij de politie noemt aangever medeverdachte [medeverdachte 1] direct, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte op andere wijze in beeld komen. [medeverdachte 2] via herkenning op Facebook en verdachte via DNA-sporen op de tie-wraps waarmee aangever was geboeid. Deze tie-wraps zouden een ander formaat hebben dan de tie-wraps die aangever zelf in huis had. Deze heel specifieke gang van zaken past niet bij de in hoger beroep afgelegde verklaring van aangever dat hij [medeverdachte 1] van de mishandeling wilde beschuldigen omdat hij boos op hem was. In dat geval had het in de rede gelegen dat aangever de drie namen in een keer had genoemd, of alléén de naam van [medeverdachte 1] . Aangever kon tijdens de verklaring bij de politie ook niet weten dat een DNA-profiel dat met verdachte in verband kan worden gebracht zou worden aangetroffen, terwijl het signalement dat aangever en zijn broer van verdachte geven bij verdachte past. Dat het aangetroffen DNA-profiel van één van de daders is past ook bij de verklaring van aangever bij de politie, waar hij zegt dat de mannen geen handschoenen droegen. De verklaring van aangever wordt verder ondersteund door het feit dat de bemonsterde tie-wraps inderdaad van een ander formaat waren dan de andere in zijn woning aangetroffen tie-wraps. Dat aangever nu verklaart bewust over de tie-wraps te hebben gelogen past meer bij het scenario dat hij in hoger beroep de verdachten om hem moverende redenen wil vrijpleiten dan bij het scenario dat hij dergelijke specifieke details verzint om zijn verklaring geloofwaardiger te maken.

[getuige 1] verklaart bij de politie slechts over dat wat hij zelf zag: de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] , waarbij hij een specifiek type en kleur noemt, en dat hij [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] herkent. Hij verklaart een derde persoon te hebben gezien die hij niet kent en gebruikt andere kenmerken om deze persoon te omschrijven dan aangever doet. Deze beschrijvingen die aangever en [getuige 1] hebben gegeven passen bij het uiterlijk van verdachte. Verder beschrijft [getuige 1] dat aangever angstig en bebloed was. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van bovenbuurvrouw [getuige 2] , die ook beschrijft dat aangever bebloed was, en de eerdergenoemde bevindingen en foto’s van verbalisanten. Verder noemt [getuige 1] een aantal zeer specifieke details, zoals dat het kozijn uit het raam lag en dat aangever naar [getuige 2] riep, wat [getuige 2] bevestigt. [getuige 1] noemt veel van deze details op het moment dat hij een aantal dagen later, in afwezigheid van aangever, een verklaring bij de politie aflegt. Dit alles past niet bij het scenario dat [getuige 1] in hoger beroep schetst: hij praatte slechts mee met dat wat zijn broer hem vertelde. Het past veeleer bij wat [getuige 1] in eerste instantie verklaart, te weten dat hij de woning binnen is gegaan en zelf heeft gezien dat het raamkozijn eruit lag en aangever met zijn bovenbuurvrouw sprak. Gelet op de verschillende details die de beide broers in hun bij de politie afgelegde verklaringen noemen en de verschillende accenten die ze leggen acht het hof het ongeloofwaardig dat de verklaringen (destijds) op elkaar waren afgestemd.

Het hof is van oordeel dat de bij de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn en zal deze voor het bewijs bezigen.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij in geen enkele verklaring is genoemd en niet in het signalement past. Ook is er voor het aantreffen van het DNA-materiaal van verdachte een plausibel alternatief scenario en is het onderzoek naar de tie-wrap gebrekkig.

Het hof overweegt dat aangever en zijn broer beiden verklaard hebben dat zij de derde dader, verdachte, niet kennen. Zij hebben hem wel beschreven. Verbalisanten concluderen vervolgens bij het verhoor van verdachte dat hij past in het door hen beiden opgegeven signalement. Dat aangever en zijn broer de tatoeages op zijn armen niet hebben beschreven wil niet zeggen dat verdachte niet in het signalement past: onbekend is of verdachte die tatoeages ten tijde van dit feit al had en zo wel, dan waren de tatoeages mogelijk bedekt door lange mouwen (volgens aangever droeg de derde persoon immers een shirt of truitje) of zijn deze om een andere reden niet waargenomen. Daarbij is het DNA van verdachte aangetroffen op de tie-wraps die in de woning zijn aangetroffen. Verbalisanten hebben specifiek die tie-wraps onderzocht omdat deze conform de verklaring van aangever langer waren dan zijn eigen tie-wraps die op andere plekken in de woning lagen en omdat ze aan elkaar vastgebonden waren. Dat de overige in de woning aangetroffen tie-wraps niet zijn onderzocht wil niet zeggen dat het onderzoek daardoor gebrekkig is. Ten aanzien van het alternatieve scenario heeft het hof hiervoor al overwogen dat het de in hoger beroep gewijzigde verklaring van aangever dat de tie-wraps die al in het huis van aangever lagen en waarop het DNA van verdachte zou zijn achtergebleven doordat hij zou hebben geholpen bij het installeren van de hennepkwekerij gebruikt zijn voor de mishandeling niet aannemelijk acht. Aanvullend overweegt het hof dat de onderzochte tie-wraps niet in de kwekerij zelf lagen en aangever in zijn eerste verklaring (die het hof wel betrouwbaar acht) aangeeft dat deze langer waren dan de andere tie-wraps in zijn woning. Daarmee is de aanname van verdachte dat zijn DNA op deze specifieke tie-wraps is gekomen door zijn hulp bij het opbouwen van de kwekerij, onaannemelijk.

Het hof verwerpt het verweer en komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad.

Volgens het hof blijkt uit de handelwijze van verdachte en zijn medeverdachten dat zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daartoe overweegt het hof dat verdachte en zijn medeverdachten gelijk bij binnenkomst begonnen met het toepassen van hevig geweld op aangever, waarbij zij alle drie hebben geslagen en geschopt, onder meer op het hoofd en de borst van aangever. Daarbij is de keel van aangever dichtgeknepen en is hij meermaals met kracht geslagen met een stofzuigerbuis en zijn voorwerpen op hem gegooid, waaronder een salontafel en glazen. Aangever heeft verklaard dat hij dacht dat hij zou worden doodgeslagen omdat hij zo hard werd geslagen en getrapt, onder meer op zijn hoofd. Ook hebben verdachten tie-wraps meegenomen om aangever daarmee te boeien en hem weerloos te maken, terwijl zij de mishandeling, die, gelet op de tijdlijn, tenminste tien minuten moet hebben geduurd, vervolgens hebben voortgezet. Aangever heeft hierbij letsel opgelopen aan hoofd, rug en handen en zijn nier was gescheurd. Dat dit langdurig toegepaste geweld niet daadwerkelijk tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid is in het licht van deze omstandigheden een kwestie van puur geluk geweest.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld. Het hof stelt daartoe voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof overweegt dat het de bedoeling van verdachte en zijn medeverdachten was om aangever een gewelddadig lesje te leren, kennelijk met het oog op het dwingen van aangever de hennep terug te halen. Dit gezamenlijke en vooropgezette plan blijkt uit het feit dat verdachte en zijn medeverdachten direct na binnenkomst zijn overgegaan tot de geweldpleging en deze onafgebroken gedurende ten minste tien minuten hebben voortgezet. Geen van de verdachten heeft zich in die tijdsspanne aan het geweld onttrokken en zij hebben alle drie vergelijkbare geweldshandelingen verricht. Om binnengelaten te worden heeft medeverdachte [medeverdachte 1] gedaan alsof hij alleen was en stonden verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] dusdanig opgesteld, dat dat voor aangever niet meteen zichtbaar was. Ook hadden verdachte en zijn medeverdachten tie-wraps meegenomen om aangever te boeien. Het hof is van oordeel dat het plan is uitgevoerd zoals dat van tevoren tussen de drie verdachten moet zijn afgesproken. Omdat het ging om een vooropgezet plan dat enige voorbereiding en afstemming vergde en waarvoor verdachte en zijn medeverdachten zich moesten begeven naar het huis van aangever, is het hof van oordeel dat zij tijd en gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Omdat niet is gebleken dat een van de verdachten zich ten tijde van de uitvoering van het gebeuren gedistantieerd heeft, neemt het hof aan dat het toegepaste geweldsniveau, dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven riep, in ieder geval in voorwaardelijke zin in het gezamenlijke plan besloten lag.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.subsidiairhij op 15 mei 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk, met voorbedachten rade, aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer]

-meerdere malen, vol heeft geslagen/gestompt/getrapt op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en

-de keel heeft dichtgeknepen en

-heeft geslagen met een stang/buis (van een stofzuiger) en

-de armen en/of benen heeft vastgebonden en

-een salontafel op die [slachtoffer] heeft gegooid en

-die [slachtoffer] heeft bekogeld met spullen uit de woning en

-daarbij woorden heeft geuit als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en "We maken je af" en "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Wegens de bepleite én gevorderde vrijspraak is er door zowel raadsman als de advocaat-generaal niets aangevoerd ten aanzien van de strafmaat. Op de zitting van het hof heeft verdachte het hof verzocht gelet op zijn persoonlijke omstandigheden geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof zal hierna bespreken welke straf passend en geboden is. Bij het bepalen van die straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, met voorbedachte raad. Hij heeft samen met zijn medeverdachten fors geweld gebruikt, waarbij het slachtoffer in zijn eigen woning met tie-wraps is vastgebonden en onder andere op zijn hoofd is geslagen en geschopt en waarbij onder meer een stofzuigerbuis is gebruikt. Het motief was om het slachtoffer te bewegen de hennep terug te krijgen. Ook dreigden verdachte en zijn mededaders dat ze het slachtoffer af zouden maken als hij niet aan deze eis zou voldoen. Aangever heeft ook verklaard voor zijn leven gevreesd te hebben vanwege het hevige geweld, ook zei een medeverdachte op een bepaald moment een pistool te zullen pakken. Uit het feit dat hij door het raamkozijn naar buiten is gevlucht, blijkt zijn angst. Dat het slachtoffer geen ernstiger letsel heeft opgelopen is een kwestie van geluk geweest. Hij moet veel pijn hebben geleden en heeft ook nadien last gehad van het letsel, onder meer doordat zijn nier gescheurd was. Daarbij kon hij zich niet verweren doordat hij was vastgebonden. De handelingen van verdachte en zijn medeverdachten betreffen een zeer ernstig strafbaar feit waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Het hof heeft gelet op verdachtes strafblad gedateerd 12 december 2025. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof kent hieraan bij de strafoplegging geen bijzondere betekenis toe, omdat het uitblijven van delictgedrag als een normale omstandigheid heeft te gelden.

Het hof heeft ook gekeken naar de straffen die ter zake van het voltooide delict van zware mishandeling plegen te worden opgelegd. In de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, een gevangenisstraf van 7 maanden als uitgangspunt genomen. Bij een poging is het vertrekpunt twee derde deel van het uitgangspunt voor de op te leggen straf bij het voltooide delict. Strafverzwarend is dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om aangever met geweld te dwingen de hennep terug te brengen. Het geweld heeft daarbij plaatsgehad in de woning van aangever, terwijl hij daarbij was vastgebonden. Verdachtes rol was echter meer uitvoerend dan leidend. In beginsel is daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden.

Het hof moet echter ook constateren dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof niet gebleken. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 6 juli 2023, de datum waarop verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep op 27 januari 2026 zijn meer dan 2 jaar en ruim 6 maanden verstreken. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 6 maanden in hoger beroep. Het hof zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden als uitgangspunt nemen.

Op de zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij zijn leven op de rit heeft. Hij heeft de laatste jaren hard gewerkt als zzp’er. Hij heeft 2,5 jaar terug een zoontje gekregen met zijn ex-partner. Wegens haar gezondheid heeft hij de zorg van hun zoontje volledig op zich genomen en hij kan zich wegens zijn goedlopende bedrijf het nu permitteren om tijdelijk te stoppen met werk en zich volledig te richten op de zorg voor zijn zoontje. Wanneer de omstandigheden het weer toelaten kan hij weer aan de slag met zijn bedrijf. Zijn hoofdprioriteit is op dit moment de zorg voor zijn zoon. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte zou voor zijn zoontje heel erg zijn.

Het hof overweegt dat uit het verdachte betreffende reclasseringsadvies van 31 oktober 2022 blijkt dat er factoren met een beschermende werking in het leven van verdachte aanwezig zijn, zoals zijn bedrijf, zijn gezin en zijn huisvesting. Ook zijn er geen problemen op het gebied van middelengebruik en financiën. Dat dit evenwicht niet al te zeer wordt doorkruist is ook voor de samenleving van belang. Hiermee houdt het hof rekening. Anderzijds betreft het feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld een ernstig strafbaar feit, waarbij in dit geval niet (slechts) kan worden volstaan met de oplegging van een taakstraf of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarom is een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het hof zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal het hof verdachte veroordelen tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.385,00 ingediend. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 385,00 aan materiële schade en een bedrag van € 7.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen en de benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet dus een beslissing op deze vordering nemen.

Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat deze schade door aangever is onderbouwd en door verdachte niet inhoudelijk is betwist. Het hof overweegt dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zal dit bedrag toewijzen.

De benadeelde partij heeft ook € 7.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij is door verdachte en de medeverdachten gewelddadig mishandeld. Als gevolg hiervan heeft hij fysiek letsel opgelopen. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van dit handelen is aangetast in zijn persoon, zodat hij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 1.100,00 Bij de bepaling van dit bedrag heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt laten meewegen en ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, en dan in het bijzonder op het hoofdstuk dat ziet op licht letsel, categorie (c). De rest van de schade hoeft verdachte niet te vergoeden. Dat deel wijst het hof af.

Concluderend zal het hof een bedrag van in totaal € 1.485,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Het hof stelt tot slot vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven allen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.485,00 (duizend vierhonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.485,00 (duizend vierhonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 mei 2021.

Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. J.A.M. Kwakman en mr. J. Bijlsma, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?