GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1422 t/m 24/1426
uitspraakdatum: 14 juli 2026
Uitspraak van de zestiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 10 juni 2024, nummer AWB 21/2857, 23/1032, 23/3245, 23/4376 en 23/4377 in het geding tussen belanghebbende en
de Inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Belastingdienst PDB Den Haag (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn de volgende (navorderings-)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd:
Jaar
Zaaknummer Hof
Zaaknummer Rechtbank
Dagtekening
Verzamelinkomen
Belastingrente
2015
24/1422
21/2857
18-08-2018
€ 23.566
€ 430
2016
24/1425
23/4676
15-11-2019
€ 33.498
€ 713
2017
24/1426
23/4677
24-11-2020
€ 36.606
€ 707
2018
24/1423
23/1023
11-11-2021
€ 32.316
€ 648
2019
24/1424
23/3245
22-10-2022
€ 43.525
€ 449
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 en aanslag IB/PVV 2018 gegrond verklaard en de (navorderings-)aanslag IB/PVV verminderd, berekend naar een verzamelinkomen van € 22.666, respectievelijk € 23.238 en de bij die (navorderings-)aanslag in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De bezwaren die belanghebbende heeft ingediend tegen de (navorderings-)aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2019 heeft de Inspecteur ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen gericht tegen de aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2018 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2. Vaststaande feiten
Belanghebbende is moeder van twee dochters en een zoon. De oudste dochter, geboren op [geboortedatum] 1994, is chronisch ziek. Belanghebbende was tot 22 september 2014 gehuwd met [naam3] (de ex-partner). Het huwelijk is ontbonden door echtscheiding.
In het echtscheidingsconvenant van belanghebbende en haar ex-partner is onder meer het volgende vermeld:
“Schulden
De aanwezige schulden worden gedeeld.
Echtelijke woning
Koopwoning
De woning gelegen aan [adres] te [woonplaats] zal zo lang mogelijk worden bewoond door de kinderen en de vrouw [Hof: belanghebbende].
Waarbij zij € 680,-- euro aan huur zal betalen aan de echtgenoot.
Levensonderhoud (=partneralimentatie)
De man [Hof: de ex-partner] zal met ingang van scheiding in het begin van de maand een bedrag van minimaal € 1700 betalen. Dit bedrag zal jaarlijks worden verhoogd met het indexcijfer. Ook zal hij (voor zover mogelijk) de hypotheek van het huis waar zijn gezin in woont voldoen. (dat zal rond de € 1000 zijn). Dit zal de man naar vermogen doen.”
Belanghebbende en haar ex-partner zijn beide voor vijftig procent gerechtigd tot de woning en de bijbehorende eigenwoningschuld.
2015
Belanghebbende heeft op 30 april 2026 aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 gedaan naar een verzamelinkomen van € 10.499. Daarbij heeft belanghebbende een bedrag ontvangen alimentatie aangegeven van € 12.000 en een bedrag aftrek van specifieke zorgkosten van € 4.491, waarvan € 2.850 kosten met betrekking tot vervoer.
De Inspecteur heeft met dagtekening 10 november 2017 een aanslag IB/PVV 2015 opgelegd overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte.
Bij brief van 23 mei 2018 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving navordering gezonden. In die brief heeft de Inspecteur aangegeven dat uit de gegevens van de ex-partner blijkt dat belanghebbende meer alimentatie heeft ontvangen dan zij heeft aangegeven. De Inspecteur geeft aan voornemens te zijn een navorderingsaanslag op te leggen, waarbij de ontvangen alimentatie wordt verhoogd met een bedrag van € 13.067.
De Inspecteur heeft vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd met dagtekening 18 augustus 2018 uitgaande van een verzamelinkomen van € 23.566 (€ 10.499 + € 13.067).
Belanghebbende heeft tegen deze navorderingsaanslag bezwaar gemaakt. Gedurende de behandeling van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2015 ingediend naar een verzamelinkomen van € 7.808. In die aangifte heeft belanghebbenden onder meer een negatief loon van € 5.097 aangegeven, het bedrag ontvangen alimentatie verhoogd naar € 20.000 en de aftrek specifieke zorgkosten verhoogd naar € 9.005, waaronder uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit van € 6.108. De herziene aangifte is betrokken bij de bezwaarprocedure.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 april 2020 de navorderingsaanslag verminderd en de verschuldigde IB/PVV berekend naar een verzamelinkomen van € 22.666. Het door belanghebbende aangegeven negatieve loon heeft de Inspecteur niet in aftrek toegestaan. Evenmin heeft hij de door belanghebbende geclaimde hogere aftrek voor specifieke zorgkosten gehonoreerd. De correctie die verband houdt met de door belanghebbende ontvangen alimentatie heeft hij wel verminderd, naar € 12.167.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 10 juni 2021 ontvangen. De Rechtbank heeft belanghebbende gevraagd wat de reden was voor het buiten de beroepstermijn indienen van het beroepschrift. Belanghebbende heeft aangegeven dat er nog sprake was van een lopende discussie met de Inspecteur. De Rechtbank heeft geoordeeld dat dat niet maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2016
Belanghebbende heeft op 30 april 2017 aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een verzamelinkomen van € 13.873. Belanghebbende heeft in die aangifte onder meer ontvangen alimentatie van € 20.400 aangegeven alsmede aftrekbare specifieke zorgkosten van € 9.164 en aftrekbare scholingsuitgaven van € 3.570.
Naar aanleiding van de ontvangen aangifte IB/PVV 2016 heeft de Inspecteur vragen gesteld, die belanghebbende heeft beantwoord. Bij brief van 5 juli 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voornemens te zijn af te wijken van haar aangifte IB/PVV 2016. De Inspecteur geeft in die brief onder meer aan de door belanghebbende aangegeven ontvangen alimentatie te zullen corrigeren met een bedrag van € 4.556, en de geclaimde aftrek specifieke zorgkosten alsmede de aftrek van de scholingsuitgaven niet te accepteren. Belanghebbende heeft op die vooraankondiging gereageerd. Bij brief van 25 oktober 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten de door haar aangegeven looninkomsten met een bedrag van € 2.335 te zullen corrigeren en de hiervoor genoemde correcties te zullen handhaven.
Met dagtekening 15 november 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2016 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 33.498 (€ 13.873 + € 2.335 + € 4.556 + € 9.164 + € 3.570).
2017
Belanghebbende heeft op 30 april 2018 aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.345. Belanghebbende heeft in die aangifte onder meer ontvangen alimentatie van € 12.000 aangegeven, en aftrekbare specifieke zorgkosten van € 8.036, waaronder uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit van € 5.600.
Bij brief van 10 oktober 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voornemens te zijn af te wijken van haar aangifte IB/PVV 2017. De Inspecteur geeft in die brief onder meer aan de door belanghebbende aangegeven ontvangen alimentatie te zullen corrigeren met een bedrag van € 9.268, en de geclaimde uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit niet te accepteren. De aftrekbare specifieke zorgkosten heeft de Inspecteur bepaald op € 43. Belanghebbende heeft op deze aankondiging gereageerd.
Met dagtekening 24 november 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 36.606 (€ 19.345 + € 9.268 + € 8.036 - € 43).
2018
Belanghebbende heeft op 30 april 2019 aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een verzamelinkomen van € 14.377. Belanghebbende heeft in die aangifte onder meer een ontvangen alimentatie van € 12.000 aangegeven en een bedrag van € 7.768 aan specifieke zorgkosten in aftrek gebracht, waarvan uitgaven voor vervoer ter hoogte van € 4.248.
Bij brief van 22 september 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voornemens te zijn af te wijken van haar aangifte IB/PVV 2019. De Inspecteur geeft aan dat hij de door belanghebbende aangegeven looninkomsten wil corrigeren met € 1.409 en de door haar ontvangen alimentatie met € 8.762. Verder heeft hij laten weten de geclaimde specifieke zorgkosten niet te in aftrek toe te laten. Met dagtekening 11 november 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2018 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 32.316 (€ 14.377 + € 1.409 + € 8.762 + € 7.768).
In de motivering van de uitspraak op bezwaar van 8 november 2022 heeft de Inspecteur laten weten gedeeltelijk tegemoet te komen aan het bezwaar. De correctie in verband met ontvangen alimentatie (€ 8.762) heeft de Inspecteur laten vallen, en de aftrekbare specifieke zorgkosten heeft hij bepaald op € 316. Het verzamelinkomen heeft hij daarmee vastgesteld op € 23.238 (€ 32.316 - € 8.762 - € 316). Dit is geformaliseerd in de uitspraak op bezwaar van 22 november 2022.
De Inspecteur heeft in zijn latere correspondentie aangegeven dat het laten vallen van de correctie die verband houdt met de door belanghebbende ontvangen alimentatie ten onrechte was.
2019
Belanghebbende heeft op 9 juni 2020 aangifte IB/PVV 2019 gedaan naar een verzamelinkomen van € 31.401. Zij heeft in die aangifte onder meer € 12.000 ontvangen alimentatie aangegeven en aftrekbare specifieke zorgkosten van € 5.668, waarvan uitgaven voor vervoer ter hoogte van € 4.248.
De Inspecteur heeft met dagtekening 3 december 2021 een aanslag IB/PVV 2019 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.
Bij brief van 28 september 2022 heeft de Inspecteur een kennisgeving navordering gezonden. Hij heeft daarin aangegeven dat uit de gegevens van de ex-partner volgt dat belanghebbende een bedrag van € 24.124 alimentatie van haar ex-partner heeft ontvangen en dat hij voornemens was het belastbaar inkomen uit werk en woning en het verzamelinkomen te verhogen met € 12.124.
Belanghebbende heeft per e-mail van 5 oktober 2022 op de kennisgeving gereageerd. Zij schrijft onder meer:
“Naar aanleiding van uw kennisgeving van 4 oktober 2022, deel ik u het volgende mede. De belastingdienst is op de hoogte van het feit, dat ik de hypotheekrente rechtstreeks gestort krijg door mijn ex-man. Omdat de belastingdienst het zelf stort. Dus er is geen sprake van een nieuw feit. U bent niet goed bezig als u dit als reden neemt om alsnog een aanslag op te leggen.
U kunt alleen alsnog na de definitieve vaststelling een aanslag opleggen als:
1. Er is sprake van een nieuw feit (iets wat nog niet bekend was of bekend kon zijn)(Dit is niet het geval).
U hebt gezien, dat ik getroffen ben door een ernstige ziekte en daar een brief over heb gestuurd. Ik vind het heel hard dat u direct een oplegging navorderingsaanslag hebt opgesteld.
Ik ben niet akkoord met de navorderingsaanslag.
Teruggaaf (bedragen)van de belastingdienst hoef ik niet aan te geven, dit zou niet kloppen, want het is teruggaaf hypotheekrente. Dit staat in uw eigen uitleg.”
Per brief met dagtekening 17 oktober 2022 heeft zij de e-mail ook per post gestuurd.
Met dagtekening 22 oktober 2022 heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 opgelegd, uitgaande van een verzamelinkomen van € 43.525 (€ 31.401 + € 12.124).
In zijn nader stuk van 8 mei 2026 heeft de Inspecteur (onder meer) aangegeven dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Voorts heeft hij aangegeven dat de correctie in verband met de door belanghebbende ontvangen alimentatie voor het jaar 2015 moet worden verminderd naar een bedrag van € 17.532. De navorderingsaanslag moet daarom worden verminderd en worden berekend naar een verzamelinkomen van € 16.095. Voor het jaar 2016 heeft hij gesteld dat de correctie in verband met de door belanghebbende ontvangen alimentatie moet worden verminderd naar € 20.400 en het verzamelinkomen moet worden vastgesteld op € 28.942.
3. Geschil
In geschil is:
1. of de Inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 mocht opleggen;
2. of de door belanghebbende ontvangen teruggaven van inkomstenbelasting van de ex-partner van belanghebbende tot de bij haar te belasten periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2019;
3. de hoogte van de in aftrek te brengen hypotheekrente (2017 en 2018);
4. of, en zo ja tot welke bedragen, belanghebbende vervoerskosten van haar chronisch zieke dochter als specifieke zorgkosten in aftrek kan brengen (2015 tot en met 2018);
5. de hoogte van de belastingrente (2015);
6. of de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 beschikte over een nieuw feit;
7. Of en in hoeverre aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn toekomt.
4. Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2015
De Inspecteur heeft in zijn nader stuk van 8 mei 2026 aangegeven dat belanghebbende op 21 april 2020 bezwaar heeft gemaakt tegen de uitspraak op bezwaar die gedagtekend is 25 april 2020 (zie 2.8). Hij heeft aangegeven dat dat bezwaar als beroep had moeten worden doorgestuurd naar de Rechtbank. Als dat was gebeurd, was belanghebbende wel ontvankelijk geweest in haar beroep. Gelet daarop stelt de Inspecteur dat de Rechtbank belanghebbende op onjuiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat haar beroep ontvankelijk had moeten worden verklaard. Het Hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen. Het hoger beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van belanghebbende met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2015. Partijen hebben ter zitting van het Hof aangegeven dat het Hof dit zaaknummer niet hoeft terug te wijzen naar de Rechtbank, maar dat het Hof inhoudelijk op het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 mag beslissen. Het Hof zal daaraan gevolg geven.
Navorderingsaanslag IB/PVV 2015
De Inspecteur heeft bij de aankondiging van zijn navorderingsaanslag IB/PVV 2015 aangegeven dat uit de gegevens van de ex-partner blijkt dat belanghebbende meer alimentatie heeft ontvangen dan zij heeft aangegeven in haar aangifte. In totaal heeft belanghebbende – volgens de Inspecteur – een bedrag van € 25.067 ontvangen in plaats van de door haar aangegeven € 12.000. Bij uitspraak op bezwaar is dat bedrag verminderd naar € 24.167. In het nader stuk van 8 mei 2026 heeft de Inspecteur aangegeven dat de ontvangen alimentatie moet worden vastgesteld op € 17.532. Belanghebbende heeft dit betwist en aangegeven dat zij € 12.000 van haar ex-partner heeft ontvangen.
Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast om te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: Awr), dat aanleiding geeft tot het vermoeden dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.
Hoewel de Inspecteur, naar het oordeel van het Hof (zie 4.6), op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) daartoe verplicht was, heeft de Inspecteur de gegevens van de ex-partner waarop hij zijn standpunt baseert dat belanghebbende meer alimentatie heeft ontvangen dan zij heeft aangegeven niet overgelegd. Ter zitting van het Hof heeft hij verklaard dit bewust niet te hebben gedaan en zich ervan bewust te zijn geweest dat hij deze stukken eventueel met een beroep op geheimhouding (artikel 8:29 van de Awb) had kunnen inbrengen. Hij ging er tot kort voor de zitting namelijk vanuit dat het beroep door de Rechtbank niet-ontvankelijk was verklaard.
Nog daargelaten dat de rechter op grond van artikel 8:31 Awb de gevolgtrekkingen kan maken die hem gerade voorkomen indien een partij niet voldoet aan zijn verplichtingen om (onder meer) stukken over te leggen, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur door het niet overleggen van de desbetreffende gegevens van de ex-partner niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Zonder deze gegevens en informatie daarover (zoals de datum waarop die gegevens de Inspecteur eerst ter beschikking stonden) is het immers onmogelijk te beoordelen of sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Awr. Dat de Inspecteur er tot voor kort nog vanuit ging dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de Rechtbank doet daar niet aan af, juist omdat belanghebbende daartegen in hoger beroep was gekomen en dit oordeel dus nog niet definitief vaststond. Het hoger beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 is gegrond.
Het Hof hecht er daarnaast aan ten overvloede te benadrukken dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht is alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen aan de rechter. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren alle stukken die de Inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. De gegevens die de Inspecteur ten grondslag heeft gelegd aan de correctie van de alimentatie zijn onmiskenbaar dergelijke, op de zaak betrekking hebbende stukken.
Aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2018
Het Hof zal de beoordeling van de geschilpunten betreffende de door belanghebbende ontvangen alimentatie, hypotheekrenteaftrek en specifieke zorgkosten (vervoer) voor de jaren 2016 tot en met 2018 hierna gezamenlijk behandelen, voor zover deze geschilpunten in de desbetreffende jaren nog voorwerp van geschil zijn.
Alimentatie (IB 2016 en 2017)
Belanghebbende heeft aangegeven dat zij € 1.000 per maand aan alimentatie ontvangt van haar ex-partner. Daarnaast heeft zij aangegeven dat zij de maandelijkse belastingteruggave van haar ex-partner op het rekeningnummer dat op haar naam staat heeft ontvangen en mag houden. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat zij in 2016 in totaal een bedrag van € 20.400 heeft ontvangen en in 2017 een bedrag van € 21.268. Volgens belanghebbende kwalificeert het meerdere van € 12.000 echter niet als belastbare alimentatie, omdat dit belastingteruggaven betreffen.
Volgens de Inspecteur behoren ook de door belanghebbende ontvangen belastingteruggaven van haar ex-partner tot haar belastbare inkomsten uit werk en woning, omdat het bedragen zijn waar de ex-partner recht op had en hij deze ter voldoening van zijn alimentatieverplichtingen op een rekening van belanghebbende heeft laten storten.
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat de belastingteruggaven van haar ex-partner die zij op haar rekening ontvangt niet in de heffing betrokken moet worden en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 3.101, lid 1, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) in samenhang gelezen met artikel 3.100, lid 1, onderdeel a van de Wet IB, behoren periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting tot de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, tenzij de uitkering of verstrekking wordt ontvangen van bloed-of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. Op grond van het echtscheidingsconvenant zou de ex-partner maandelijks een bedrag van € 1.700 (te verhogen met het indexcijfer) als partneralimentatie aan belanghebbende betalen. Deze maandelijkse betalingen zijn rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen als hiervoor bedoeld en behoren daarom tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende. De ex-partner heeft enerzijds maandelijks een bedrag van € 1.000 euro per maand betaald vanaf een eigen bankrekening op een bankrekening van belanghebbende en anderzijds heeft hij de aan hem toekomende maandelijkse teruggaven van inkomstenbelasting (ongeveer € 750) op de rekening van belanghebbende laten storten. Die teruggaven heeft de ex-partner niet opgeëist en/of door belanghebbende betaald gekregen, waarmee het Hof aannemelijk acht dat de ex-partner op die wijze aan zijn alimentatieverplichtingen heeft voldaan. Beide bedragen behoren tot de hiervoor bedoelde belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en daarmee tot de belastbare inkomsten uit werk en woning van belanghebbende. De omstandigheid dat een deel van de alimentatieverplichting is voldaan door de maandelijkse teruggaven van de ex-partner op een bankrekening van belanghebbende te laten storten maakt niet dat daarmee het karakter van rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting verloren gaat. Het is gaat immers slechts om de wijze van voldoening aan die verplichting. Dat de bankrekening waarop de bedragen zijn gestort, in afwijking van de vermelding op de bankafschriften, een en/of rekening zou zijn waarover de ex-partner ook na de echtsscheiding nog de beschikkingsmacht zou hebben, acht het Hof in het licht van de tenaamstelling van deze bankrekening (enkel op naam van belanghebbende) niet aannemelijk. Daar komt bij dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat haar ex-partner zelf geen bedragen van de bankrekening heeft afgeschreven en zij ook geen betalingen aan hem heeft gedaan vanaf die bankrekening. Het Hof stelt daarmee vast dat het volledige saldo van de betreffende bankrekening aan belanghebbende toekomt en dat zij daar de volledige beschikkingsmacht over heeft. Dit maakt dat de Inspecteur het hoger ontvangen bedrag terecht tot ontvangen alimentatie heeft gerekend. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Hypotheekrenteaftrek (IB 2017, 2018)
Belanghebbende voert aan dat zij voor 2017 en 2018 de volledige hypotheekrente heeft betaald, van respectievelijk € 6.671 en € 5.717, en stelt dat zij om die reden de volledige betaalde hypotheekrente in aftrek mag brengen. De Inspecteur stelt dat belanghebbende – nu zij voor vijftig procent gerechtigd is tot zowel de woning als de eigenwoningschuld – de hypotheekrente slechts voor vijftig procent in aftrek kan brengen.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur terecht maar vijftig procent van de door belanghebbende betaalde rente in aanmerking heeft genomen als aftrekbare kosten van de eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 van de Wet IB en overweegt daartoe als volgt.
Belanghebbende is overeenkomstig het echtscheidingsconvenant na het uitspreken van de echtscheiding in de voormalig gezamenlijke woning blijven wonen. In afwijking van hetzelfde echtscheidingsconvenant heeft belanghebbende in de onderhavige jaren de volledige rentelasten behorende bij de hypothecaire schuld voor de aankoop van de woning betaald. Belanghebbende en haar ex-partner zijn evenwel, ook na het uitspreken van de echtscheiding, beiden gezamenlijk voor honderd procent gerechtigd tot de woning en beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de bijbehorende eigenwoningschuld (zie 2.2 en 2.3). Naar het oordeel van het Hof volgt hieruit niet alleen dat de woning voor belanghebbende voor vijftig procent kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, onderdeel a, van de Wet IB, maar ook dat de door belanghebbende betaalde rente over de schuld voor slechts vijftig procent als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 van de Wet IB kan worden aangemerkt. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Aftrek specifieke zorgkosten - vervoer
Op grond van artikel 6.1, lid 1 en 2 van de Wet IB bestaat de persoonsgebonden aftrek – voor zover hier van belang – uit het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten, daaronder begrepen de uitgaven voor specifieke zorgkosten, voor zover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het maken van die kosten. Op grond van artikel 6.17 lid 1, aanhef en onder c, van de Wet IB 2001, behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten die uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer, anders dan in de leden b (vervoer voor het verkrijgen van genees- en heelkundige hulp c.s.) en i (reizen in verband met het regelmatig bezoeken van verpleegde personen). Het gaat om kosten die rechtstreeks ten gevolge van de ziekte of invaliditeit zijn gemaakt. Indien een rechtstreeks verband met de ziekte of invaliditeit aanwezig is, moet worden bepaald of en in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte kosten van vervoer overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de belastingplichtige. Op grond van artikel 6.16 Wet IB 2001 worden uitgaven voor specifieke zorgkosten tevens in aanmerking worden genomen voor zover het kosten betreffen die gemaakt zijn voor (onder meer) kinderen jonger dan 27 jaar.
Tussen partijen is niet in geschil dat de dochter van belanghebbende chronisch ziek is. Voorts heeft belanghebbende verklaard haar dochter – ongeacht vakanties – iedere week eenmaal te brengen en te halen, hetgeen neerkomt op 208 keer enkele reis [plaats] - [woonplaats] per jaar. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven dat hij dat niet betwist. Wel is in geschil de hoogte van de door belanghebbende gestelde specifieke zorgkosten ten aanzien van het vervoer en of die kosten hoger zijn dan de maatman. Belanghebbende heeft verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing van de door haar gestelde uitgaven voor specifieke zorgkosten. Deze stukken betreffen bankafschrijvingen (tankkosten voor alle jaren en kosten betreffende de reparatie van een auto in 2016) en voor het jaar 2015 bonnetjes van tankkosten en facturen van reparatiekosten. Ook heeft zij algemene berekeningen van de ANWB ingebracht. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangegeven dat zij haar standpunten in die zin herziet dat zij enkel een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer verzoekt op basis van de reis [woonplaats] - [plaats] v.v., hetgeen neerkomt op een bedrag van € 3.517 per jaar.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zij in de jaren 2016, 2017 en 2018 op haar drukkende uitgaven heeft gedaan voor specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet IB. Hoewel het Hof er veronderstellederwijs vanuit wil gaan dat belanghebbende kosten heeft moeten maken voor het reizen van en naar haar dochter, is het enkele beroep op een algemene vergoeding van € 0,19 per kilometer onvoldoende om aannemelijk te maken dat, en tot welk bedrag, belanghebbende zelf kosten heeft gemaakt die op haar drukken en dat deze kosten de kosten van vervoer overtreffen van hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek zijn. Ook de door belanghebbende overgelegde stukken zijn onvoldoende om aannemelijk te maken dat sprake is van specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet IB. Van de reparatiekosten van de auto kan zonder nader bewijs – dat ontbreekt – niet aannemelijk worden geacht dat deze op belanghebbenden drukken, nu deze zijn betaald vanaf bankrekeningnummers van de Rabobank en ABN-AMRO-bank, terwijl belanghebbende geen bankrekeningen bij die banken aanhoudt. Voorts heeft zij aangegeven voor het vervoer van haar dochter gebruik te mogen maken van de auto van haar ex-partner. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is niet aannemelijk dat de kosten van die auto op haar drukken. Uit de stukken komt enkel naar voren dat zij benzinekosten heeft gemaakt die lager zijn dan nu ter zitting bij het Hof gestelde kilometervergoeding, maar die benzinekosten zijn volledig in aftrek gebracht terwijl evenmin inzichtelijk is in hoeverre die kosten verband houden met het vervoer van de dochter en ander gebruik van de auto. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Uit het voorgaande volgt dat de aanslag IB/PVV 2016 moet worden vastgesteld uitgaande van een verzamelinkomen van € 28.942 (zie 2.27) en dat de hoger beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 ongegrond zijn.
Nieuw feit (navorderingsaanslag IB/PVV 2019)
De Inspecteur heeft met dagtekening 3 december 2021 de definitieve aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. De Inspecteur stelt dat hij pas op de hoogte kwam van de hogere door belanghebbende ontvangen alimentatie toen hij op 12 maart 2022 bankafschriften ontving van de ex-partner. Belanghebbende betwist dat de Inspecteur over een nieuw feit beschikt, nu de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag op de hoogte was van de persoonlijke situatie van belanghebbende, de afspraken omtrent partneralimentatie en de Belastingdienst de voorlopige teruggaven van de ex-partner op de bankrekening van belanghebbende uitbetaalde (zie 2.24). Voorts had het feit dat de ex-partner in zijn aangifte een hoger bedrag aan alimentatie in aftrek had gebracht, reden moeten zijn tot nader onderzoek voordat de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 oplegde.
Ingevolge artikel 16, lid 1, van de Awr heeft de Inspecteur de bevoegdheid een navorderingsaanslag op te leggen indien hij beschikt over een (nieuw) feit dat hem bij het opleggen van de primitieve aanslag niet bekend was en hem ook redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn.
De Inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Bij de beoordeling van de vraag of de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan, komt het er op aan of de Inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur bij het regelen van de aanslag kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier van de belastingplichtige.
Uit het dossier komt naar voren dat de Inspecteur op 23 juli 2020, in het kader van zijn verzoek om informatie over de aangifte IB/PVV 2017, heeft verzocht om (onder meer) het echtscheidingsconvenant. Belanghebbende heeft op 4 augustus 2020 in reactie op dat verzoek aangegeven dat zij in 2017 € 1.000 per maand aan partneralimentatie ontving en van de Belastingdienst – eveneens maandelijks - € 764. Per e-mail van diezelfde datum heeft belanghebbende het echtscheidingsconvenant toegestuurd. Uit het dossier van belanghebbende komt verder naar voren dat vanaf 2015 ieder jaar discussie heeft plaatsgevonden over de hoogte van de in de aangifte opgenomen alimentatie en dat bezwaar- en beroepsprocedures daarover liepen ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2019. In het licht van deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2019 niet het (digitale) dossier van belanghebbende te raadplegen. Als hij dat wel had gedaan had in redelijkheid behoren te worden getwijfeld of het aangegeven bedrag aan periodieke uitkeringen en verstrekkingen juist was. Nu hij desondanks de aangifte heeft geregeld zonder nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van de door belanghebbende aangegeven alimentatie, heeft de Inspecteur een ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering in de weg staat. Gelet daarop moet de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 worden vernietigd.
Belastingrente
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond voor de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en in gegrond voor zover het de vermindering (zie 2.27) van de aanslag IB/PVV 2016 betreft.
Redelijke termijn
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn waarbinnen op het geschil had moeten worden beslist. De Inspecteur heeft aangegeven dat dat verzoek te laat is gedaan voor de bezwaar- en beroepsfase en enkel nog kan worden gedaan voor de hoger beroepsfase.
Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn standpunt dat in hoger beroep geen verzoek meer kan worden gedaan voor de bezwaar- en beroepsfase. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 volgt dat belanghebbende ook in de hogerberoepsfase kan verzoeken om een vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase. Daarbij moet dan wel de totale termijn van de procedure tot en met de uitspraak in hoger beroep in ogenschouw worden genomen. Een bijzonder voortvarende behandeling van het hoger beroep kan onder omstandigheden ertoe leiden dat een overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd, maar een dergelijke compensatie is slechts bij wijze van uitzondering mogelijk. Daarvoor is niet voldoende dat de behandeling van de zaak in een eerdere fase van de procedure korter heeft geduurd dan de voor die fase als redelijk te aanvaarden termijn.
In dit geval zijn meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk behandeld. Naar het oordeel van het Hof hebben deze zaken in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. In hoofdzaak hadden alle zaken betrekking op de hoogte van de aan te geven alimentatie en de aftrek specifieke zorgkosten. Als daarvan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Als de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Het eerst aangewende rechtsmiddel is het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 van 13 augustus 2018. De bezwaar- en beroepsfase is afgerond op 10 juni 2024, wat leidt tot een overschrijding van afgerond 47 maanden. Dat leidt tot een vergoeding van immateriële schade van acht maal € 500 = € 4.000. Daarvan zijn afgerond 15 maanden toerekenbaar aan de Inspecteur, gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar (25 april 2020), en de overige 32 aan de Staat. Gelet daarop wordt de Inspecteur veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 1.276, en de Staat tot het vergoeden van € 2.724.
In de hoger beroepsfase is de termijn aangevangen bij de ontvangst van het hogerberoepschrift van belanghebbende op 15 juli 2024. Het Hof doet heden uitspraak. Gelet daarop is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in deze fase.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2019 en de aanslag IB/PVV 2016 gegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
6. Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de aanslag IB/PVV 2016 en de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2019 betreft,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 ontvankelijk;
– verklaart de (hoger) beroepen tegen de aanslag IB/PVV 2016 en de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2019 gegrond;
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
– vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2019 en de aanslag IB/PVV 2016;
– vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2019;
– bepaalt het verzamelinkomen IB/PVV 2016 op € 28.942;
– bepaalt dat de aanslag IB/PVV 2016 en de bij die aanslag geheven belastingrente dienovereenkomstig moet worden verminderd;
– veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 1.276,
– veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 2.724;
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 49 (IB/PVV 2015) en € 50 (IB/PVV 2019) in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (T.H.J. Verhagen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.