GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1652 en 1653
uitspraakdatum: 14 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: [belanghebbende] )
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 25 juli 2024, nummer AWB 23/139 en 23/140, in het geding tussen [belanghebbende] en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
De Inspecteur heeft aan [belanghebbende] over het jaar 2020 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: inkomstenbelasting) opgelegd. Daarbij heeft hij belastingrente berekend.
Ook heeft de Inspecteur een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: zorgverzekeringswet) opgelegd. Bij deze aanslag heeft hij eveneens belastingrente in rekening gebracht.
[belanghebbende] heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en de aanslag zorgverzekeringswet. De Inspecteur vindt in zijn uitspraken op deze bezwaarschriften dat [belanghebbende] voor een deel terecht bezwaar heeft gemaakt. De Inspecteur heeft daarom de aanslagen en de belastingrente verminderd.
[belanghebbende] is tegen die uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft [belanghebbende] in het ongelijk gesteld en zijn beroep ongegrond verklaard.
[belanghebbende] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij is verschenen en gehoord L.J. Schippers (hierna: Schippers), als de gemachtigde van [belanghebbende] . Namens de Inspecteur is verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2. Vaststaande feiten
[belanghebbende] ontvangt in 2020 een uitkering van € 15.877. Deze uitkering heeft hij aangegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting 2020.
[belanghebbende] heeft in de jaren 2018 tot en met 2021 werkzaamheden verricht voor de vennootschap onder firma [naam vof] (hierna: de vof). Hij heeft hiervoor de volgende bedragen ontvangen: € 19.500 (2018), € 17.500 (2020) en € 10.500 (2021). Daarnaast heeft de vof in 2020 een Fiat Punto aan [belanghebbende] ter beschikking gesteld.
Nadat de Inspecteur bekend is geworden met deze inkomsten, heeft hij [belanghebbende] laten weten dat hij van plan was een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en aanslag zorgverzekeringswet op te leggen. Nadat de Inspecteur geen reactie van [belanghebbende] had ontvangen, heeft hij dat ook gedaan.
In een print van Company.info staat vermeld dat [belanghebbende] vanaf 19 maart 2018 vennoot is van de vof en daarvoor onbeperkt bevoegd is.
Uit een door [belanghebbende] overgelegde jaarrekening 2020 volgt een winst van de vof van € 152.082. In een latere jaarrekening 2020 is de winst verhoogd naar € 153.658 omdat er lagere afschrijvingen waren.
3. Geschil
In geschil is of [belanghebbende] ondernemer voor de inkomstenbelasting is, zodat het voordeel dat hij ontvangt van de vof als winst uit onderneming is aan te merken.
[belanghebbende] meent dat hij ondernemer is en dat hij recht heeft op zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek en de MKB-winstvrijstelling. De Inspecteur is van mening dat [belanghebbende] geen ondernemer is en dat het voordeel belast is als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarom heeft [belanghebbende] volgens de Inspecteur geen recht op de hiervoor genoemde aftrekposten.
4. Beoordeling van het geschil
[belanghebbende] en de Inspecteur zijn het erover eens dat [belanghebbende] € 17.500 heeft ontvangen van de vof voor de door hem geleverde arbeid. Ook is tussen hen niet in discussie dat het voordeel dat [belanghebbende] heeft genoten door het gebruik van de Fiat Punto, op € 3.352 moet worden vastgesteld.
De beoordeling of iemand ondernemer is voor de inkomstenbelasting, hangt af van de antwoorden op veel vragen. In dit geval is de belangrijkste vraag of [belanghebbende] ondernemersrisico heeft gelopen.
[belanghebbende] stelt dat hij ondernemer is en winst uit onderneming geniet. Hij verwijst daarbij naar de gegevens op Company.info. [belanghebbende] stelt dat hij 1.250 uur heeft gewerkt voor de vof. Verder verwijst hij naar het winstaandeel van 11,3% dat hij van de vof ontvangt.
De Inspecteur is het niet met [belanghebbende] eens dat hij een onderneming drijft. Hij heeft [belanghebbende] meerdere keren gevraagd om de vennootschapsovereenkomst, maar deze niet gekregen. Hij stelt dat [belanghebbende] uitsluitend een vergoeding voor de door hem geleverde arbeid heeft ontvangen en niet als vennoot een aandeel in de winst van de vof heeft gehad. De Inspecteur stelt dat het winstaandeel van 11,3% niet overeenkomt met het van de vof ontvangen bedrag. De winst van de vof bedroeg in 2020 € 152.082 (zie 2.5), zodat het winstaandeel van [belanghebbende] € 17.185 zou moeten bedragen (11,3% van € 152.082). [belanghebbende] heeft echter € 17.500 ontvangen. Ook is na de latere wijziging van de winst het door [belanghebbende] ontvangen bedrag niet aangepast. Als het Hof al zou beslissen dat [belanghebbende] ondernemer is, dan stelt de Inspecteur dat hij niet 1250 uren als ondernemer heeft gewerkt. Het door hem toegestuurde niet gespecificeerde overzicht waarin staat dat hij 50 weken achter elkaar elke werkdag precies vijf uur heeft gewerkt, vindt de Inspecteur te summier.
De rechters van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) beslissen in deze zaak als volgt. [belanghebbende] heeft belaste inkomsten van de vof ontvangen en wil daarop aftrekposten in mindering brengen. Op deze aftrekposten heeft hij alleen recht als hij ondernemer voor de inkomstenbelasting is. In dat geval moet [belanghebbende] het bewijs leveren dat hij ondernemer is.
Het Hof is het eens met de Inspecteur. [belanghebbende] heeft niet het bewijs geleverd dat hij vennoot is in de vof. [belanghebbende] had dit bewijs kunnen leveren door bijvoorbeeld de vennootschapsovereenkomst te tonen. Dat heeft hij niet gedaan. Het Hof gaat voorbij aan de opmerking van Schippers op de zitting dat hij de vennootschapsovereenkomst nog kan nazenden. Nadat de Inspecteur hier al meerdere keren om had gevraagd en het ontbreken van de overeenkomst bij de Rechtbank aan de orde is geweest, is dit aanbod op de zitting te laat gedaan. Bovendien laat de beslissing van het Hof te lang op zich wachten, als Schippers alsnog de overeenkomst kan insturen.
Verder vindt het Hof de enkele vermelding op Company.info niet voldoende om aan te nemen dat [belanghebbende] vennoot is. Zo is het de vraag of [belanghebbende] een winstaandeel van 11,3% is toegekend, omdat Schippers ter zitting heeft uitgelegd dat de hoogte van de uitkering volledig afhankelijk was van de verrichte arbeid. Schippers heeft op de zitting van het Hof bevestigd dat [belanghebbende] geen risico loopt. Niet is gebleken dat [belanghebbende] bij de beëindiging van zijn werkzaamheden voor de vof een bedrag heeft ontvangen voor zijn aandeel in het eigen vermogen van de vof. Van investeringen is evenmin gebleken. Ook verder is niet gebleken dat sprake is van ondernemerschap. De Inspecteur heeft gesteld dat alleen de vof de opdrachtgever is van [belanghebbende] en dat [belanghebbende] geen reclame maakt. [belanghebbende] heeft dat niet tegengesproken, zodat het Hof van de stellingen van de Inspecteur uit zal gaan. Met alles wat [belanghebbende] heeft aangedragen, heeft hij niet genoeg bewijs geleverd voor zijn stelling dat hij ondernemer voor de inkomstenbelasting is. Hij heeft dus ook niet aannemelijk gemaakt dat hij winst uit onderneming geniet.
[belanghebbende] heeft daarom geen recht op de aftrekposten die hij alleen zou krijgen als hij ondernemer voor de inkomstenbelasting zou zijn. Het Hof zal de navorderingaanslag inkomstenbelasting en de aanslag zorgverzekeringswet niet verder verminderen, omdat de Inspecteur deze aanslagen overeenkomstig de wet heeft vastgesteld.
Het Hof gaat ervan uit dat het hoger beroep ook ziet op het verzamelinkomen en de belastingrente. [belanghebbende] heeft hierover niets gezegd. Het Hof ziet dan ook geen reden het verzamelinkomen en de belastingrente te verlagen.
Slotsom
Het Hof stelt [belanghebbende] in het ongelijk en zal dus de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en de aanslag zorgverzekeringswet niet verder verminderen.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (R.F.C. Spek)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.