ECLI:NL:GHARL:2026:4650

ECLI:NL:GHARL:2026:4650

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 16-07-2026
Datum publicatie 16-07-2026
Zaaknummer 200.358.461
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Kinderalimentatie. Man is onderhoudsplichtig voor kinderen uit verschillende relaties. Het hof houdt bij de berekening van draagkracht van de man voor 1 kind (van zijn 1e partner) geen rekening met de volledige bijdrage voor kind 2 en 3 die de man met zijn 2e ex-partner is overeengekomen. Proceskostenveroordeling voor de man door wijze van procederen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.358.461/01 en 200.358.461/02

(zaaknummer rechtbank Overijssel 302750)

beschikking van 16 juli 2026

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. V.T.E. Kuijpers,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L. van Straten.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure tot en met 16 januari 2026 blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, tevens houdende een schorsingsverzoek, ingekomen op 27 augustus 2025;

- het verweerschrift in de hoofdzaak en in het schorsingsverzoek, met producties;

- een journaalbericht namens de vrouw van 5 januari 2026 met producties en

- een journaalbericht namens de man van 15 januari 2026 met producties;

De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. De man en de vrouw en hun advocaten waren aanwezig. Op de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat de man op 15 januari 2026 om 18.04 uur producties heeft ingediend. Hiervan heeft het hof, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, geen kennis kunnen nemen. De advocaat van de vrouw heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verzocht om geen rekening te houden met deze stukken, omdat deze te laat zijn ingediend en zij deze stukken niet heeft kunnen bestuderen. Na een schorsing heeft het hof beslist om de zaak aan te houden om de man (bij wijze van hoge uitzondering) in de gelegenheid te stellen binnen vier weken aan de hand van het Procesreglement alle benodigde (inkomens)gegevens aan het hof over te leggen en, als bepaalde gegevens niet beschikbaar zouden zijn, het hof uit te leggen waarom niet. De vrouw is in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken daarna hierop te reageren en zelf aanvullende stukken in te dienen.

Het hof heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- een journaalbericht namens de vrouw van 16 februari 2026 met een productie;

- een journaalbericht namens de man van 16 februari 2026 met producties;

- een journaalbericht namens de vrouw van 16 maart 2026 met een productie en

- een journaalbericht namens de man van 11 juni 2026 met producties.

Op 18 juni 2026 heeft het hof de mondelinge behandeling voortgezet. Hierbij waren de man en de vrouw en hun advocaten aanwezig.

3. De feiten

De man en de vrouw hebben een relatie gehad. Zij hebben samen een kind: [minderjarige1] , geboren [in] 2015.

[minderjarige1] woont bij de vrouw en zij heeft alleen het gezag over hem. De man heeft [minderjarige1] niet erkend.

Uit de DNA-test die in 2024 is uitgevoerd, blijkt dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de vader is van [minderjarige1] .

De man heeft, met [naam] , nog twee kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is:

- [minderjarige2] , geboren [in] 2020 en

- [minderjarige3] , geboren [in] 2022.

De man en [naam] hebben hun relatie beëindigd. De kinderen wonen bij [naam] .

De man heeft tijdens de zitting bij het hof Den Haag op 3 februari 2026 met [naam] , ter beëindiging van het alimentatiegeschil tussen deze partijen, afgesproken dat de man aan [naam] een kinderalimentatie voor [minderjarige2] en [minderjarige3] betaalt ten bedrage van:

- € 275,- per maand per kind over de periode van 8 mei 2024 tot 1 juni 2025 en

- € 198,- per maand per kind vanaf 1 juni 2025, welk bedrag jaarlijks geïndexeerd zal worden met het wettelijke indexeringspercentage, voor het eerst per 1 januari 2027.

4. De omvang van het geschil

Tussen de man en de vrouw is de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: de kinderalimentatie) van [minderjarige1] in geschil.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man met ingang van 21 september 2023 tot en met 31 december 2023 op € 429,- per maand kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen en met ingang van 1 januari 2024 € 457,- per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over de kinderalimentatie te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verzoeken van de vrouw alsnog af te wijzen, althans een ingangsdatum en een kinderalimentatie vast te stellen als het hof juist acht. Daarnaast heeft de man het hof verzocht om de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking te schorsen tot aan de einduitspraak van het hof.

De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, het verzoek tot schorsing af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5. De motivering van de beslissing

Het verzoek tot schorsing

De advocaat van de man heeft op de mondelinge behandeling aan het hof meegedeeld dat de man zijn verzoek over de schorsing intrekt.

Het hof maakt hieruit op dat de man de gronden van het schorsingsverzoek niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek tot schorsing (200.358.461/02).

De hoofdzaak

Wat staat in de wet?

De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie.

De hoogte van de kinderalimentatie wordt vastgesteld aan de hand van de behoefte van [minderjarige1] , de draagkracht van de man en de vrouw en de hoogte van de zorgkorting.

Ingangsdatum

De rechtbank heeft de ingangsdatum bepaald op 21 september 2023. De man heeft geen grief of bezwaren tegen deze ingangsdatum geformuleerd, zodat het hof van dezelfde datum zal uitgaan als de rechtbank.

Behoefte

De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige1] in 2023 vastgesteld op (afgerond) € 443,- per maand. Deze beslissing is tussen partijen ook niet in geschil.

Het hof stelt vast dat na indexatie de behoefte van [minderjarige1] in 2024 € 470,- is, in 2025 € 501,- en in 2026 € 524,-.

De draagkracht van de man

Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de man drie periodes onderscheiden:

van 21 september 2023 tot en met 31 december 2023;

van 1 januari 2024 tot 8 mei 2024 en

van 8 mei 2024 tot heden.

21 september 2023 tot en met 31 december 2023

De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2023 berekend op € 3.254,- per maand en zijn draagkracht op € 772,- per maand. De rechtbank heeft verder, onder verwijzing naar en met toepassing van artikel 21 en 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, beslist dat de beschikbare draagkracht van de man alleen wordt aangewend voor [minderjarige1] en dat de andere twee kinderen volledig buiten beschouwing worden gelaten.

De man is het hiermee niet eens. Hij stelt dat hij een lager inkomen en dus een lagere draagkracht heeft dan de rechtbank heeft berekend. Ook moet volgens de man rekening worden gehouden met de bijdrage die hij voor zijn andere twee kinderen betaalt.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft over het jaar 2023 zijn aangifte en aanslag Inkomstenbelasting overgelegd. Op basis hiervan houdt het hof bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man rekening met de volgende (inkomens)gegevens:

- inkomsten uit dienstbetrekking € 39.836,-

- inkomsten uit andere uitkeringen € 11.083,-

- inkomsten uit WW-uitkering € 2.757,-

- algemene heffingskorting

- arbeidskorting.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man is op grond van deze gegevens € 3.329,- per maand. Het hof berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70 % x [NBI – (0,3 x NBI + 1.175). Zijn draagkracht is dan € 808,- per maand.

De door het hof berekende bedragen zijn hoger dan die de rechtbank heeft berekend, terwijl het totale inkomen in beide berekeningen gelijk is. Het verschil wordt verklaard doordat de rechtbank het totale inkomen van de man (€ 53.676,-) als inkomsten uit dienstbetrekking heeft meegenomen, terwijl het hof slechts € 39.836,- als inkomsten uit dienstbetrekking heeft meegenomen en de overige bedragen als uitkering, zoals uit de aangifte IB 2023 volgt. Hierdoor heeft de man volgens de berekening van het hof recht op een hogere arbeidskorting dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Deze hogere arbeidskorting blijkt overigens ook uit de aangifte IB 2023.

Het hof volgt het standpunt van de vrouw dat in deze periode geen rekening wordt gehouden met een bijdrage van de man aan zijn andere twee kinderen. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij toen al een bijdrage voor zijn andere twee kinderen moest betalen, zodat met zijn volledige draagkracht van € 808,- per maand rekening wordt gehouden bij de berekening van zijn bijdrage voor [minderjarige1] .

1 januari 2024 tot en met 7 mei 2024

De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man in 2024 berekend op € 3.631,- per maand en zijn draagkracht op € 890,- per maand. Met een bijdrage voor de andere twee kinderen is opnieuw geen rekening gehouden. Ook hiermee is de man het niet eens.

Het hof stelt vast dat de man ook over het jaar 2024 zijn aangifte en aanslag Inkomstenbelasting heeft overgelegd. Op basis hiervan houdt het hof bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man rekening met de volgende (inkomens)gegevens:

- inkomsten uit dienstbetrekking € 37.552,-

- inkomsten uit WW-uitkering € 9.752,-

- verlies uit onderneming € 2.599,-

- zelfstandigenaftrek

- startersaftrek

- algemene heffingskorting

- arbeidskorting.

Het netto besteedbaar inkomen van de man is € 3.174,- per maand. Het hof berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70 % x [NBI – (0,3 x NBI + 1.270). Zijn draagkracht is € 666,- per maand.

Ook in deze periode houdt het hof, onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.13, geen rekening met een bijdrage van de man aan zijn andere twee kinderen. Het hof betrekt de volledige draagkracht van € 666,- per maand bij de berekening van de bijdrage van de man voor [minderjarige1] .

8 mei 2024 tot heden

De rechtbank heeft de draagkracht van de man alleen aangewend voor een bijdrage voor [minderjarige1] en de andere twee kinderen van de man volledig buiten beschouwing gelaten.

Het hof zal met ingang van 8 mei 2024 wel rekening houden met de onderhoudsverplichting van de man voor [minderjarige2] en [minderjarige3] . Het staat namelijk vast dat de man met ingang van die datum een bijdrage aan [naam] moet betalen. Maar het hof zal geen rekening houden met de volledige bijdrage die de man met [naam] is overeengekomen. Toen de man deze afspraak maakte, wist de man dat hij ook voor [minderjarige1] onderhoudsplichtig is. Daar had hij naar het oordeel van het hof rekening mee kunnen en moeten houden. Daarbij vindt het hof het van belang dat de man geen inzage heeft gegeven in de inkomensgegevens van [naam] , zodat niet kan worden vastgesteld of de behoefte van [minderjarige2] en [minderjarige3] zodanig anders is dan die van [minderjarige1] dat dit aanleiding geeft om de draagkracht van de man anders te verdelen. Ten slotte is de draagkracht van de man – zoals hierna zal worden berekend – te laag om in zijn aandeel in de behoefte van [minderjarige1] te voorzien. Kortom, het hof zal de beschikbare draagkracht van de man delen door drie.

Het hof zal voor de periode van 8 mei 2024 tot heden aansluiten bij de berekening over het jaar 2024, zoals het hof die in rechtsoverweging 5.15 heeft gemaakt. Het hof is namelijk van oordeel dat de man nog steeds onvoldoende inkomensgegevens heeft overgelegd om andere berekeningen te maken voor de jaren 2025 en 2026.

De man heeft over het jaar 2025 slechts enkele loonstroken, een brief en een aantal betaalspecificaties van het UWV over een WW-uitkering en een paar BTW aangiftes overgelegd. Het hof maakt hieruit op dat de man in ieder geval inkomsten uit dienstbetrekking en uit uitkering heeft ontvangen, maar ook een onderneming heeft gehad. Het ontbreekt echter aan een overzicht van zijn totale inkomsten in 2025. De advocaat van de man heeft aan het hof verteld dat de man zijn boekhouder de opdracht heeft gegeven om een overzicht aan te leveren, maar dat dit niet is ontvangen. Het hof is van oordeel dat dit voor rekening en risico van de man komt. De gegevens die de man wel heeft overgelegd geven het hof te weinig aanknopingspunten voor het maken van een draagkrachtberekening voor het jaar 2025. Ook de draagkrachtberekening die namens de man is ingediend, is niet bruikbaar. Hierin zijn wel de inkomsten uit dienstbetrekking meegenomen, maar de andere twee inkomenscomponenten niet. Het hof zal daarom voor de berekening van de draagkracht van de man in het jaar 2025 aansluiten bij de genoemde berekening uit 2024.

Ook voor het jaar 2026 heeft de man te weinig gegevens overgelegd en is er geen overzicht van zijn totale inkomsten tot heden. Het hof zal ook voor de berekening van de draagkracht van de man in dit jaar aansluiten bij de berekening uit 2024.

Het hof heeft berekend dat de draagkracht van de man € 666,- per maand is. Omdat het hof deze draagkracht zal verdelen over de drie kinderen van de man is er voor [minderjarige1] dus € 222,- beschikbaar. Hetzelfde geldt overigens voor de andere twee kinderen. Dat de man met [naam] een hogere bijdrage heeft afgesproken komt voor zijn rekening en risico.

Draagkracht van de vrouw

De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw berekend op € 25,- per maand in 2023 en 2024. Dit is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan. Daarbij merkt het hof op dat de in hoger beroep overgelegde jaaropgave 2025 en de recente loonstroken geen aanleiding geven om van een hoger bedrag uit te gaan.

Hoewel de vrouw, naast [minderjarige1] , nog drie minderjarige kinderen heeft voor wie zij onderhoudsplichtig is, wil de vrouw omwille van de eenvoud dat haar volledige draagkracht, dus € 25,-, wordt betrokken in de draagkrachtvergelijking. Het hof zal dat dan ook doen.

Draagkrachtvergelijking

21 september 2023 tot en met 31 december 2023

De draagkracht van de man en de vrouw samen (€ 808 + € 25 = € 833,-) is voldoende om in de behoefte van [minderjarige1] (€ 443,-) te voorzien. Daarom zal het hof de draagkracht vergelijken aan de hand van de formule: (draagkracht man/gezamenlijke draagkracht) x behoefte. Het aandeel van de man bedraagt dan: (€ 808/ € 833) x € 443,- = € 430,-.

1 januari 2024 tot en met 7 mei 2024

De draagkracht van de man en de vrouw samen (€ 666 + € 25 = € 691,-) is voldoende om in de behoefte van [minderjarige1] (€ 470,-) te voorzien. Daarom zal het hof de draagkracht vergelijken aan de hand van de formule: (eigen draagkracht man/gezamenlijke draagkracht) x behoefte. Het aandeel van de man bedraagt dan: (€ 666/ € 691) x € 443,- = € 453,-.

8 mei 2024 tot heden

De draagkracht van de man en de vrouw samen (€ 222 + € 25 = € 247,-) is onvoldoende om in de behoefte van [minderjarige1] (in 2024 € 470,-, in 2025 € 501,- en in 2026 € 524,-) te voorzien, zodat geen draagkrachtvergelijking hoeft te worden gemaakt. Het aandeel van de man bedraagt dan zijn maximale aandeel: € 222,-.

Zorgkorting

De rechtbank heeft geen rekening gehouden met zorgkorting voor de man, omdat het hulpverleningstraject voor de omgang niet is gestart.

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 25 %.

Het hof zal geen rekening houden met een zorgkorting. De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank op 29 oktober 2025 het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige1] heeft afgewezen. Daarbij heeft de vrouw op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat de man [minderjarige1] al sinds zijn derde jaar niet meer heeft gezien, met uitzondering van een korte ontmoeting tussen de man en [minderjarige1] in april van dit jaar. Bij deze stand van zaken past naar het oordeel van het hof geen zorgkorting.

Bijdrage van de man

21 september 2023 tot en met 31 december 2023

Het hof heeft het aandeel van de man berekend op € 430,- per maand. Dit is hoger dan de bijdrage van € 429,- per maand die de rechtbank heeft vastgesteld. Het wettelijke uitgangspunt is dat de man niet slechter mag worden van het door hem door hem ingestelde hoger beroep. De bijdrage kan daarom niet hoger zijn dan het bedrag dat door de rechtbank is vastgesteld. Het hof zal de bestreden beschikking voor deze periode bekrachtigen. De man moet in deze periode dus € 429,- per maand aan de vrouw betalen.

1 januari 2024 tot en met 7 mei 2024

Het hof heeft het aandeel van de man berekend op € 453,- per maand. De rechtbank heeft de bijdrage bepaald op € 457,- per maand. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en voor de periode 1 januari 2024 tot en met 7 mei 2024 bepalen dat de man € 453,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van [minderjarige1] .

8 mei 2024 tot heden

Het hof heeft het aandeel van de man berekend op € 222,- per maand. De rechtbank heeft de bijdrage bepaald op € 457,- per maand. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en voor de periode vanaf 8 mei 2024 de bijdrage op € 222,- per maand vaststellen. Met ingang van 1 januari 2025 is de bijdrage na indexatie € 236,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 247,- per maand.

Proceskosten

De vrouw heeft het hof verzocht om de man te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Het hof overweegt dat de man voorafgaand aan de eerste mondelinge behandeling onvoldoende gegevens aan het hof had overgelegd om zijn verzoeken te beoordelen. Het hof heeft de man de mogelijkheid geboden om alsnog die gegevens over te leggen (waarbij het hof opmerkt dat de gegevens van de man nog steeds niet compleet zijn) en een nieuwe mondelinge behandeling gelast. Door de wijze van procederen van de man heeft de vrouw meer (advocaat)kosten gehad dan zij zou hebben gehad als de man – overeenkomstig de wet en het Procesreglement – vóór de eerste mondelinge behandeling alle benodigde (inkomens)gegevens zou hebben overgelegd en toegelicht. Het hof ziet daarin aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van de vrouw. Anders dan de vrouw heeft verzocht, zal het hof de man niet veroordelen tot betaling van de daadwerkelijke advocaatkosten van de vrouw, maar deze beperken tot het liquidatietarief (twee mondelinge behandelingen en één verweerschrift x tarief II).

6. Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige1] gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het incident met zaaknummer 200.358.461/02

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing;

in de hoofdzaak met zaaknummer 200.358.461/01

bekrachtigt onderdeel 4.1. van de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 mei 2025;

vernietigt onderdeel 4.2. van de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 mei 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2024 tot 8 mei 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] een bedrag van € 453,- per maand zal betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 8 mei 2024 tot 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] een bedrag van € 222,- per maand zal betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] een bedrag van € 236,- per maand zal betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] een bedrag van € 247,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

veroordeelt de man tot betaling van de volgende proceskosten van de vrouw:

€ 362,- aan griffierecht

€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van de vrouw (3 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290,-)

en bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, R. Prakke-Nieuwenhuizen en E. de Boer, bijgestaan door de griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Bijlage 1

Bijlage 2

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand