GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.655/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 583739)
beschikking van 16 juli 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. K.G.I.M. Schröder,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.A.C.H. Hana.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 19 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 19 november 2025;
- het verweerschrift in het principaal hoger beroep tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de vrouw van 16 januari 2026 met een productie;
- een journaalbericht namens de man van 17 januari 2026 met producties;
- een journaalbericht namens de vrouw van 22 januari 2026 met een productie;
- een journaalbericht namens de vrouw van 24 maart 2026 met producties;
- een journaalbericht namens de man van 24 maart 2026 met producties en
- een journaalbericht namens de vrouw van 2 april 2026 met producties.
Op 4 juni 2026 heeft mr. Schröder, met toestemming van het hof, het bewijs van inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand nagezonden.
Het hof heeft op 17 februari 2026 een (tussen)beschikking gegeven. Het hof heeft het schorsingsverzoek van de man afgewezen (200.361.655/02) en de bestreden beschikking voor zover het de ontbinding van het geregistreerd partnerschap betreft, bekrachtigd (200.361.959).
Aan het hof liggen nu nog de overige verzoeken in het principaal en het incidenteel hoger beroep voor (200.361.655/01) De mondelinge behandeling hiervan heeft op 3 april 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren partijen en hun advocaten aanwezig.
3. De feiten
De man en de vrouw zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan [in] 2022 in [woonplaats] . Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden laten opmaken.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. Het hof heeft deze beslissing bekrachtigd in de beschikking van 17 februari 2026.
Op 2 juni 2026 is de beschikking, waarbij het geregistreerd partnerschap is ontbonden, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2022. [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de man en hij heeft zijn hoofdverblijf bij zowel de man als de vrouw. [de minderjarige] verblijft de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover nu nog relevant:
beslist dat de vrouw met ingang van de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap een bedrag van € 561 per maand moet betalen aan de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
afspraken van partijen over inboedelgoederen en banksaldi opgenomen;
de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen gelast, waarbij de vrouw drie maanden de gelegenheid krijgt de woning over te nemen onder bepaalde voorwaarden. Zo niet, dan moet de woning verkocht worden;
bepaald dat de vrouw een bedrag van € 563,19 aan de man dient te voldoen voor de Vested aandelen en de man een bedrag van € 772 aan de vrouw dient te voldoen voor de aanslag IB 2023;
alle overige verzoeken afgewezen.
De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verzoeken van de man in eerste aanleg toe te wijzen en de verzoeken van de vrouw af te wijzen. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van de man toegelicht dat de man het hof uitsluitend nog verzoekt een beslissing te nemen op de verzoeken over de partneralimentatie, de echtelijke woning en de rentecompensatie.
De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen.
De vrouw vraagt het hof in het principaal hoger beroep:
rechtsoverweging 4.5, 1e bulletpoint, van de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de buggy, de kinderwagen en de bakfiets aan de vrouw worden toegedeeld zonder verrekening, waarmee partijen de inboedel volledig hebben verdeeld;
rechtsoverweging 4.5, 3e bulletpoint, van de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vrouw het bedrag van € 7.500 aan de man heeft betaald wegens toedeling van de Volkswagen Golf aan de vrouw;
de overige verzoeken van de man ongegrond te verklaren;
en in het incidenteel hoger beroep:
rechtsoverweging 4.3 van de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man om partneralimentatie af te wijzen, althans een lager bedrag vast te stellen alsmede – voorwaardelijk – te verklaren voor recht dat de duur van de alimentatieverplichting eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het geregistreerd partnerschap, althans voor de duur van negen maanden althans een termijn door het hof vast te stellen;
rechtsoverweging 4.8 van de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man binnen twee weken na de datum van de beschikking van het hof een bedrag van € 4.480,50 aan de vrouw moet betalen inzake de aanslag IB 2023;
de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.
De man voert verweer en hij vraag het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in beroep, althans haar verzoeken af te wijzen.
Het hof zal de grieven van de man en de vrouw per onderwerp bespreken.
5. De motivering van de beslissing
Partneralimentatie
Wat staat in de wet?
De rechter kan aan de geregistreerd partner die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, en hij die zich in redelijkheid niet kan verwerven op diens verzoek ten laste van de andere geregistreerd partner een uitkering tot levensonderhoud toekennen (partneralimentatie). De verplichting tot het verstrekken van partneralimentatie eindigt in het onderhavige geval niet eerder dan op het tijdstip waarop de uit het geregistreerd partnerschap geboren kind de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.
Ingangsdatum
De rechtbank heeft bepaald dat de vrouw met ingang van de datum waarop de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand partneralimentatie aan de man moet betalen. Deze ingangsdatum is niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
Huwelijksgerelateerde behoefte
Bij het bepalen van het bedrag dat de onderhoudsplichtige aan partneralimentatie moet betalen, wordt rekening gehouden met de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. De behoefte is het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Voor het bepalen van de netto behoefte is een vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm. Bij de toepassing van de hofnorm wordt de behoefte bepaald op 60 % van het netto besteedbaar gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen.
De rechtbank heeft – naar aanleiding van het verzoek van de man om partneralimentatie – het netto gezinsinkomen berekend op € 9.754 per maand. Hiervan zijn zowel de tussen partijen in hun ouderschapsplan overeengekomen kosten voor [de minderjarige] van € 870 als ook de netto kinderopvangkosten van € 950, dus in totaal € 1.820 afgetrokken. De rechtbank berekent de behoefte – op basis van de hofnorm – in 2023 op 60 % van (€ 9.754 - € 1.820) € 7.934 = € 4.760. Na indexatie is dat in 2025 € 5.384 netto per maand.
De vrouw is het niet eens met de toepassing van de hofnorm. De vrouw stelt dat op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad bij de bepaling van de behoefte rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Partijen zijn het geregistreerd partnerschap aangegaan om het gezag voor [de minderjarige] goed te regelen. Slechts enkele maanden na de geboorte van [de minderjarige] besloot de vrouw de relatie te beëindigen. Partijen hebben ook maar kort samengewoond in de gezamenlijke koopwoning. Daarom is er ook geen sprake geweest van een bestendig uitgavenpatroon op basis van het gezamenlijke inkomen van partijen. De financiën van partijen bleven in die korte periode gescheiden. De vrouw berekent de behoefte van de man op € 3.943 netto per maand.
De man is het wel eens met de toepassing van de hofnorm, maar niet met de aftrek van de netto kinderopvangkosten van € 950. In hun ouderschapsplan zijn partijen bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige] uitgegaan van € 870 per maand. Daarom moet volgens de man bij de berekening van de behoefte alleen dit bedrag worden afgetrokken van het netto besteedbaar inkomen. De behoefte van de man is dan 60 % van (9.754 - 870) € 8.884 = € 5.330,40 netto per maand. Voor zover wel rekening wordt gehouden met de netto kosten van kinderopvang, dan zijn die volgens de man € 617,34 per maand. Met de bijdrage van € 150 per maand die de vrouw aan haar ouders betaalt, moet helemaal geen rekening worden gehouden. Deze bijdrage werd namelijk betaald voor leuke uitjes met de kinderen en kosten van reizen. De ouders van de man kregen voor dezelfde opvang geen bijdrage, aldus de man. De behoefte is – als rekening wordt gehouden met de netto kinderopvangkosten – 60 % van (€ 9.754 - € 870 - € 617,34) € 8.266 = € 4.960 netto per maand.
Uitgangspunt voor het hof is dat de hofnorm wordt toegepast, tenzij het bedrag dat aan de hand van deze vuistregel is berekend voldoende gemotiveerd is betwist als zijnde niet passend. De vrouw is het niet eens met toepassing van de hofnorm en het ligt daarom op haar weg om gemotiveerd de toepassing van de hofnorm te betwisten als ook te onderbouwen hoe hoog de behoefte van de man volgens haar dan wel is. De vrouw heeft aangevoerd dat partijen slechts het geregistreerd partnerschap zijn aangegaan om het gezag voor [de minderjarige] goed te regelen. Los van het feit dat dit door de man is betwist, is het hof van oordeel dat – als dit al het geval zou zijn – dit geen omstandigheid is die van invloed is op de bepaling van de behoefte. De duur van het geregistreerd partnerschap op zichzelf is ook geen aanleiding om af te wijken van de hofnorm. De stelling van de vrouw dat partijen hun financiën gescheiden hielden, is ook door de man betwist. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stelling in het licht van de betwisting van de man onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal de behoefte van de man – net als de rechtbank – daarom vaststellen aan de hand van de hofnorm.
Vervolgens moet het hof oordelen over de aftrek van de kosten van [de minderjarige] . Partijen zijn het er over eens dat in ieder geval de tussen hen overeengekomen kosten van € 870 moeten worden afgetrokken van het netto gezinsinkomen. Anders dan de man is het hof van oordeel dat daarnaast ook rekening moet worden gehouden met de aftrek van de netto kinderopvangkosten. De man heeft deze kosten berekend – en dat is door de vrouw niet betwist – op € 617,34 netto per maand. Het hof volgt het verweer van de vrouw dat de netto kosten van kinderopvang zo hoog waren dat deze niet gecompenseerd konden worden door lagere uitgaven op andere posten. Er zou dan immers nog maar € 102,66 per maand overblijven voor alle reguliere kosten van [de minderjarige] . Het hof acht dat niet reëel. Het hof zal echter geen rekening houden met het bedrag van € 150 per maand dat de vrouw aan haar ouders betaalde om leuke uitjes met [de minderjarige] te maken en voor de vergoeding van de reiskosten. Het hof is van oordeel dat deze kosten wel gecompenseerd konden worden met lagere uitgaven elders.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen het jaar 2023 als referentiejaar geldt. De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen berekend op € 9.754. Ook dat is niet in geschil. Rekening houdend met de toepassing van de hofnorm en de kosten van [de minderjarige] is de behoefte van de man € 9.754 minus (€ 870 + € 617,34 = € 1.487,34) € 8.266,66 x 60% = € 4.960,- netto per maand. Na indexering bedraagt de behoefte in 2026 € 5.868 (afgerond) netto per maand.
Resterende behoefte
Vervolgens moet het hof oordelen welk inkomen de man heeft en/of welk inkomen hij zich in redelijkheid kan verwerven. Als dat niet voldoende is om in zijn behoefte van € 5.868 netto per maand te voorzien, dan heeft de man een resterende behoefte.
De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man berekend op € 4.417,- per maand. Bij de berekening heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de stelling van de man dat hij in aanvulling op zijn onbetaald ouderschapsverlof van vier uur per week nog verlof bij moet kopen uit zijn 13e maand en flexbudget.
De man heeft in zijn beroepschrift uiteengezet dat hij het met dat oordeel niet eens is, maar op de mondelinge behandeling heeft hij deze grief niet langer gehandhaafd. Het verweer van de vrouw op dat punt behoeft daarom geen verdere bespreking meer. Het hof gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat de man 40 uur per week zou kunnen werken (in plaats van 36 uur). De man en de vrouw zorgen ieder 50 % van de tijd voor [de minderjarige] . Bij deze zorgverdeling en de leeftijd van [de minderjarige] vindt het hof de 36-urige werkweek van de man passend. Daarbij weegt het hof mee dat de vrouw ook 36 uur werkt.
De advocaat van de man heeft op de mondelinge behandeling een berekening van het netto besteedbaar inkomen overgelegd die gebaseerd is op de 36-urige werkweek van de man. De vrouw heeft tegen deze berekening, anders dan het verweer waarover het hof hiervoor heeft geoordeeld, geen verweer gevoerd. Het hof zal die berekening dan ook als uitgangspunt nemen. Uit deze berekening volgt dat de man in 2026 een netto besteedbaar inkomen heeft van € 4.617,- per maand. Het hof zal hiervan uitgaan.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] . Dit is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan, met dien verstande dat het hof de kosten in natura zal indexeren naar 2026. Uit artikel 9 van het ouderschapsplan blijkt dat partijen de behoefte van [de minderjarige] hebben vastgesteld op € 937 per maand in 2025. Na indexering zijn deze kosten in 2026 € 980 per maand. Net als de rechtbank, zal het hof rekening houden met verblijfskosten (in natura) die gebaseerd zijn op 35 % van de behoefte van [de minderjarige] . Het hof berekent die op (35 % x € 980,-) = € 343,- per maand. Daarnaast betaalt de man een bijdrage van € 150 op de kindrekening. Het bedrag van (€ 343 + € 150) € 493 – na verrekening met het kindgebonden budget – komt in mindering op het netto besteedbaar inkomen van de man. Dat besteedt de man immers aan [de minderjarige] en is daardoor niet beschikbaar voor de man.
Bij een behoefte van € 5.868 en een eigen inkomen van € 4.617 minus de hiervoor berekende kosten van [de minderjarige] bedraagt de resterende behoefte van de man € 1.707 netto per maand. Dat is omgerekend € 3.366 bruto per maand.
Draagkracht vrouw
Vervolgens moet het hof beoordelen in hoeverre de vrouw in staat is om in de resterende behoefte van de man te voorzien.
De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening gehouden met een bruto jaarloon van € 106.580 te verminderen met € 1.716 pensioenpremie per jaar. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met extra inkomsten. De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de vrouw berekend op € 5.616 per maand.
De man is het hiermee niet eens. Hij stelt dat de vrouw zowel in 2025 als in 2026 bonussen heeft ontvangen. Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man toegelicht dat rekening zou moeten worden gehouden met bonussen van maximaal € 40.000 per jaar. Het bruto jaarinkomen minus de ingehouden pensioenpremie is volgens de man € 150.883 per jaar. De vrouw voert aan dat de rechtbank terecht bonussen en toelagen buiten beschouwing heeft gelaten.
Het hof overweegt als volgt. Op de mondelinge behandeling bleek niet alleen bij de man, maar ook bij de vrouw zelf onduidelijkheid over het inkomen van de vrouw. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw op een vraag van het hof geantwoord dat haar bruto inkomen zonder variabele beloning € 107.254 is. Daarnaast heeft de advocaat van de vrouw aan het hof verteld dat de ‘annual bonus’ van de vrouw gemiddeld € 15.000,- bruto per jaar is. Het hof houdt ook rekening met een bonus van € 4.000 voor bijzondere projecten die de vrouw heeft gekregen. In totaal komt het hof op een bruto jaarinkomen van afgerond € 126.000,-.
De advocaat van de man heeft in de draagkrachtberekening die zij op de mondelinge behandeling heeft overgelegd rekening gehouden met ingehouden pensioenpremie van € 148 per maand (€ 1.776 per jaar). Hiertegen heeft de vrouw geen verweer gevoerd, zodat het hof hiermee ook rekening zal houden.
Net als bij de man houdt het hof bij de vrouw ook rekening met de verblijfskosten (in natura) van (35 % x € 980,-) = € 343,- per maand. Daarnaast brengt het hof de bijdrage van € 465,- per maand die de vrouw op de kindrekening stort in mindering. Het hof houdt geen rekening met de kosten van € 150,- die de vrouw aan haar ouders betaalt voor het maken van uitjes met [de minderjarige] en een vergoeding voor het reizen. Partijen hebben met dit bedrag geen rekening gehouden in het ouderschapsplan. Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw deze kosten niet heeft onderbouwd, waarbij het bedrag het karakter van een onkosten- of reisvergoeding overstijgt. Het hof is van oordeel dat deze kosten gecompenseerd kunnen worden met lagere uitgaven aan een andere post en de vrouw deze kosten vanuit haar vrije ruimte kan voldoen.
De vrouw heeft dan een draagkracht van € 1.507,- per maand bruto om bij te dragen in de behoefte van de man.
Inkomensvergelijking
De rechtbank heeft – op verzoek van de vrouw – een inkomensvergelijking gedaan, om te controleren of de man met partneralimentatie meer te besteden heeft dan de vrouw. Op basis van de inkomensvergelijking heeft de rechtbank de bijdrage van de vrouw aan de man lager gesteld dat haar draagkracht.
Tegen het oordeel van de rechtbank om een inkomensvergelijking te maken, is geen grief gericht. Het hof zal daarom ook een inkomensvergelijking maken. Hieruit volgt dat partijen, bij een bijdrage van de vrouw aan de man van € 1.006,-, zij evenveel overhouden. Dit is lager dan de draagkracht van de vrouw, zodat het hof de bijdrage op dat lagere bedrag zal vaststellen.
Bijdrage partneralimentatie
Op basis van de hiervoor genoemde berekening kan de vrouw € 1.006,- bruto per maand bijdragen. Het hof zal de bijdrage op dit bedrag vaststellen.
Duur van de alimentatie
Als de rechter geen termijn heeft vastgesteld voor de duur van partneralimentatie,
eindigt de verplichting tot het betalen van een bijdrage na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren. Een uitzondering op deze hoofdregel is de situatie wanneer uit het huwelijk een minderjarig kind is geboren. In dat geval eindigt de verplichting tot het betalen van partneralimentatie niet eerder dan op het tijdstip waarop dit kind de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt.
De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om in afwijking van lid 4 van artikel 1:157 BW de duur van de partneralimentatie te beperken, afgewezen.
De vrouw is het hiermee niet eens. Zij stelt dat het co-ouderschap dat partijen voor [de minderjarige] overeen zijn gekomen hen beide in staat stelt om hun carrière te vervolgen. Daarom is er geen noodzaak tot het betalen van partneralimentatie. Daarbij voorziet de man al sinds eind 2023 volledig in zijn eigen levensonderhoud.
De man voert aan dat de vrouw eigenlijk vraagt om limitering van de duur van de partneralimentatie. De vrouw heeft hiervoor geen bijzondere omstandigheden gesteld, zodat het verzoek moet worden afgewezen, aldus de man. Het feit dat de vrouw aan de man geen bijdrage heeft betaald in zijn levensonderhoud maakt de behoefte van de man niet lager.
Het hof is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende aanleiding is om af te wijken van de wettelijke termijn van artikel 1:157 lid 4 BW. De vrouw wil dat de alimentatie op een eerdere datum eindigt dan uit de wet voortvloeit. Er moeten hoge motiveringseisen worden gesteld aan beslissingen die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud van de ene gewezen partner jegens de andere (praktisch) definitief doen eindigen voordat de wettelijke termijn is verstreken, hetzij doordat de rechter de alimentatieverplichting als zodanig beëindigt of limiteert, hetzij doordat de rechter het alimentatiebedrag op nihil stelt en zijn beslissing is gegrond op omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn. Die hoge motiveringseisen brengen mee dat op de onderhoudsplichtige een zware stelplicht rust. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet aan die zware stelplicht voldaan. De wetgever heeft in lid 4 van artikel 1:157 BW een van de hoofdregel afwijkende regel gemaakt voor de gevallen waarin de voormalige partners samen een kind hebben dat jonger is dan twaalf jaar. Of de zorg [de minderjarige] in de weg staat aan de mogelijkheid van de man (als alimentatiegerechtigde) om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, is – anders dan de vrouw stelt – bij de bepaling van de duur van partneralimentatie niet van belang. Dat de man sinds de beëindiging van hun relatie (nog) geen bijdrage van de vrouw heeft ontvangen, is naar het oordeel van het hof ook geen reden om de duur van de partneralimentatie te beperken. Ook met wat de vrouw voor het overige heeft gesteld, voldoet de vrouw naar het oordeel van het hof niet aan de zware stelplicht. Het hof wijst het verzoek van de vrouw af.
Verdeling gemeenschap van goederen
Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden laten opmaken en zij hebben na 1 januari 2018 hun partnerschap geregistreerd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
Door de indiening van het verzoekschrift op 22 juli 2024 tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is de gemeenschap op die datum ontbonden.
Buggy, kinderwagen en auto
Op de zitting is gebleken dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de buggy, de kinderwagen en de Volkswagen golf, zodat het hof hier geen beslissing meer over hoeft te nemen. De verzoeken van de vrouw op deze punten zal het hof dan ook afwijzen.
Verdeling/ verkoop gezamenlijke woning
De rechtbank heeft – in het kort – beslist dat de vrouw de mogelijkheid krijgt om de gezamenlijke woning aan het adres [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] over te nemen tegen de bindende taxatiewaarde van € 735.000.
De man is het hiermee niet eens. Hij stelt dat het niet redelijk om uit te gaan van de eerder getaxeerde waarde. De man heeft niet de bedoeling gehad zich zonder enige (tijds)beperking te verbinden aan de taxatiewaarde van € 735.000. Die taxatie zou onderdeel zijn van een allesomvattende regeling. Deze regeling is niet tot stand gekomen, zodat partijen niet verbonden is aan deze taxatie. Inmiddels is de woning volgens de man € 800.000 waard. De man wil dat de woning moet worden verkocht. Dan kunnen beide partijen de voordelige hypotheekrente meenemen naar een nieuwe hypotheek bij de aankoop van hun nieuwe woningen. Als de woning wel wordt toegedeeld aan de vrouw (onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid), dan moet de woning opnieuw getaxeerd worden, aldus de man.
De vrouw voert aan dat partijen hebben afgesproken dat zij een nieuwe, bindende taxatie, zouden laten uitvoeren. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat zij deze bindende taxatie juist niet zijn overeengekomen onder de voorwaarde dat een alomvattende regeling zou worden gesloten. Het is uitsluitend aan de man te wijten dat de woning nog niet aan de vrouw is geleverd. De man wil hieraan niet meewerken, terwijl de vrouw tijdig aan alle voorwaarden heeft voldaan.
Het hof is – net als de rechtbank van oordeel – dat de woning tegen de waarde van € 735.000 aan de vrouw moet worden toegedeeld. Het hof overweegt hiertoe het volgende. De toenmalige advocaat van de man heeft op 12 april 2024 aan de toenmalige advocaat van de vrouw een e-mail gestuurd en hierin het volgende geschreven:
“(…)
Hierover kan gesproken worden tijdens een viergesprek, maar voor nu zal ik enkel reageren op de voorgestelde bindende taxatie van de woning. Cliënt kan hiermee instemmen op basis van de navolgende voorwaarden die grotendeels overeenkomen met de voorwaarden die u formuleerde op 22 maart jl. Deze voorwaarden zijn.
1. Partijen spreken af dat er een nieuwe taxatie wordt uitgevoerd van hun gezamenlijke woning. Deze taxatie zal worden gedaan door een NWWI taxateur en partijen komen overeen dat dit De Bree makelaars zal zijn. Zij verklaren allebei na december 2023 geen contact meer te hebben gehad met deze taxateur;
2. Partijen spreken af dat de waarde van de woning die de taxateur vaststelt niet zal worden gemiddeld met het vorige taxatierapport. De uitkomst van de uit te voeren taxatie is voor beide partijen bindend;
3. Cliënt zal het contact leggen met de taxateur en de e-mail hiertoe in cc aan uw cliënte sturen. Bij de opdracht aan de taxateur zal worden verzocht de vrije verkoopwaarde te bepalen. Dit betekent dat zal worden verzocht de waarde te bepalen in het normale handelsverkeer wanneer de woning niet verhuurd is en leeg wordt opgeleverd c.q. wat de woning zou opbrengen bij vrije verkoop in de huidige woningmarkt;
(…)”
In deze e-mail staat dat enkel gereageerd wordt op de voorgestelde bindende taxatie van de woning. De advocaat van de man vervolgt dat de man hiermee kan instemmen. In de tweede voorwaarde staat nogmaals expliciet dat de uitkomst van de uit te voeren taxatie voor beide partijen bindend is. In deze e-mail zijn wel andere voorwaarden geformuleerd, bijvoorbeeld over de verdeling van de taxatiekosten en het opruimen van de woning voor de taxatie, maar er zijn namens de man geen aanvullende voorwaarden gemaakt over de bindende taxatie. Het hof is van oordeel dat hieruit volgt dat de man en de vrouw hiermee onvoorwaardelijk overeenstemming hebben bereikt over de bindende taxatie. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld – en dat is door de man niet weersproken – dat partijen na deze e-mail deze afspraken zo zijn uitgevoerd. Dat er inmiddels tijd is verstreken sinds deze taxatie en de woning volgens de man inmiddels meer waard is, maakt naar het oordeel van het hof niet dat het onredelijk is om uit te gaan van de bindende taxatiewaarde. Daarbij weegt het hof ook mee dat de vrouw de woning na de taxatie wel wilde overnemen, maar dat de man hieraan niet wilde meewerken (en dat nog steeds niet wil).
De stellingen van de man dat hij heeft gedwaald en/of dat de wil van de man niet overeenstemde met zijn verklaring (middels zijn toenmalige advocaat) heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd net als zijn stelling dat de toedeling van de woning aan de vrouw afhankelijk was van de totstandkoming van een alomvattende regeling over onder meer de waarde en de rentecompensatie.
Het hof zal de bestreden beschikking op deze punten bekrachtigen en de verzoeken van de man afwijzen.
Rentecompensatie
Omdat het hof de bestreden beschikking voor zover het de toedeling van de woning aan de vrouw betreft, in stand houdt, komt het hof toe aan de beoordeling van het verzoek van de man om rentecompensatie. Op grond van de wet is hij die ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen rechtsgrond is om een vergoeding te bepalen. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat het zou gaan om ongerechtvaardigde verrijking, heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden.
De man is het hiermee niet eens. De man stelt dat de vrouw een op geld waardeerbaar voordeel heeft in geval van toedeling van de woning aan haar en de man een op geld waardeerbaar nadeel bij toedeling van de woning aan de vrouw. Als één van beide partijen de woning toegedeeld krijgt, krijgt enkel die partij namelijk de gunstige hypotheekrente mee. Bij verdeling heeft de rechter op grond van artikel 3:185 BW naar billijkheid rekening te houden met de belangen van beide partijen en het algemeen belang, aldus de man.
De vrouw betwist dat zij een op geld waardeerbaar voordeel heeft als de woning aan haar wordt toegedeeld. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. De vrouw wordt niet verrijkt, want zij neemt een schuld, waarvoor de man nog medeaansprakelijk is, voor haar rekening. Een eventuele verarming van de man kan niet worden vastgesteld. De man heeft nog geen koopwoning op het oog, hij heeft nog geen zicht op een hypothecaire geldlening, op het rentepercentage enzovoort. De verwijzing naar artikel 3:185 BW gaat niet op. Een hypothecaire schuld kan niet worden verdeeld, aldus de vrouw.
Partijen hebben indertijd met de bank een hypothecaire geldleningovereenkomst gesloten waarin de rechten en verplichtingen van de contractspartijen zijn vastgelegd, waaronder de duur van de overeenkomst, het rentepercentage maar ook de voorwaarden waaronder een van partijen de verplichtingen uit de overeenkomst kan overnemen. Omdat het hof, in navolging van de rechtbank, zal beslissen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld, kan zij op grond van de overeenkomst met de bank de lening tegen het overeengekomen percentage voortzetten. De man kan dit niet. Daarmee is nog niet gezegd dat de vrouw ongerechtvaardigd verrijkt wordt. Het is aan gerede twijfel onderhevig of degene die op dezelfde relatief gunstige voorwaarden de verplichtingen uit een overeenkomst mag voortzetten, daardoor ook verrijkt wordt. De verplichtingen van de vrouw ten opzichte van de bank blijven immers ongewijzigd. En daarbij is het hof van oordeel dat, ook al zou er sprake zijn van een verrijking, deze op zich niet per definitie ongerechtvaardigd is. Zij vloeit immers voort uit de overeenkomst die de man, de vrouw en de bank indertijd zijn aangegaan. Het hof is van oordeel dat het mee kunnen nemen van erg gunstige leningsvoorwaarden niet louter op artikel 6:212 BW kan worden gegrond.
Aangifte Inkomstenbelasting 2023
De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de wijze waarop zij de gevolgen van de aangifte Inkomstenbelasting (IB) hebben willen afwikkelen, namelijk dat partijen hebben afgesproken om eventuele teruggaven of bijbetalingen voor eigen rekening te houden. Daarmee hebben zij dit ‘goed’ al verdeeld, aldus de rechtbank. Dat de financiële gevolgen van deze afspraak de vrouw niet duidelijk waren (maar wel had kunnen zijn), maakt niet dat de rechtbank nu iets anders gaat bepalen.
De vrouw is het hiermee niet eens. De vrouw heeft over het jaar 2023 een belastingaanslag ontvangen van € 4.243. Dit bedrag heeft zij na de indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerde partnerschap voldaan. De man heeft over het jaar 2023 een belastingteruggave van € 4.654 ontvangen na de ontbinding van het geregistreerde partnerschap. Fiscale voor- en nadelen die samenhangen met het jaar 2023 behoren tot gemeenschap en moeten verrekend worden. Het voordeel dat partijen vanwege de te lage belasting hebben genoten, is immers eveneens de gemeenschap van partijen ten goede gekomen. De man moet daarom € 4.448,50 aan de vrouw vergoeden.
De man voert aan dat partijen tot definitieve afspraken zijn gekomen en dat er geen gronden zijn om daarop terug te komen.
Het hof overweegt dat partijen in 2023 nog een geregistreerd partnerschap hadden. Er was dus een gemeenschap van goederen waarvan zowel de belastingteruggave als de belastingteruggave bestanddelen zijn. De man en de vrouw hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij zij anders zijn overeengekomen. De man stelt dat partijen anders zijn overeengekomen, namelijk dat ieder de eigen aanslag of teruggave zou houden. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verklaard dat er belastbare bedragen van een van hen of van hen samen werden gecompenseerd met aftrekposten van hen samen of van een van hen. Dat heeft vervolgens geleid tot een teruggave bij de een en een aanslag bij de ander. De optelsom daarvan moet worden gezien als de gezamenlijke teruggave en die moet 50-50 worden gedeeld. Dat heeft de man onvoldoende weersproken. Het hof beslist dat die aanslagen bij helfte moeten worden gedragen en de teruggaven bij helfte moeten worden gedeeld.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt, gezien de aard van het geschil.
7. Aanhechten draagkrachtberekeningen
Het hof heeft berekeningen van de behoefte van de man, de draagkracht van de vrouw en de inkomensvergelijking gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
8. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt onderdeel 4.3. van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 augustus 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende, bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum dat de beschikking tot de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.006 bruto per maand moet betalen aan de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
vernietigt onderdeel 4.8. van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 augustus 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende, bepaalt dat de man aan de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bedrag van € 4.480,50 aan de vrouw moet betalen inzake de aanslag IB 2023;
bekrachtigt de beschikking voor het overige;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst de verzoeken van de man en de vrouw voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, L. Hamer en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.