ECLI:NL:GHARL:2026:4791

ECLI:NL:GHARL:2026:4791

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 30-06-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer 25/2267
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Verzet
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Uitspraak op verzet. Termijnoverschrijding

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/2267

uitspraakdatum: 30 juni 2026

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het verzet van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 2 december 2025 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 mei 2025, nummer ARN 23/7812, in het geding tussen belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

De Inspecteur heeft op 18 september 2023 uitspraken gedaan op de bezwaren van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 2019 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het hoger beroep na afloop van de hogerberoepstermijn is ingesteld.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend.

Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 19 mei 2026. Daarbij is belanghebbende verschenen.

2. De vaststaande feiten

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 2 mei 2025 op het beroep van belanghebbende beslist. De uitspraak van de Rechtbank is op diezelfde dag aan belanghebbende verzonden.

Het tegen de uitspraak van de Rechtbank gerichte hogerberoepschrift van belanghebbende is op 28 september 2025 om 22.13 uur door het Hof (digitaal) ontvangen.

Het Hof heeft bij uitspraak van 2 december 2025 het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend. Het verzetschrift is op 2 januari 2026 door het Hof ontvangen.

3. Gronden van het verzet

De Rechtbank heeft in haar – door belanghebbende bestreden – uitspraak onder meer geoordeeld dat de inkomsten van belanghebbende afkomstig van [onderneming] als loon uit dienstbetrekking kunnen worden aangemerkt en dat deze inkomsten niet door absorptie als winst uit onderneming van belanghebbende kunnen worden gekwalificeerd.

Belanghebbende stelt dat hij ervan uitging dat de uitspraak van de Rechtbank voor de overheid als geheel zou gelden, waaronder dus ook voor het UWV. Pas naar aanleiding van een e-mail van de Inspecteur van 17 september 2025 realiseerde hij zich dat de uitspraak alleen gold voor de Belastingdienst. Vervolgens heeft hij binnen zes weken na 17 september 2025 hoger beroep ingesteld.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.

4. Beoordeling van het verzet

De termijn om tegen een uitspraak van de een rechtbank hoger beroep in te stellen vangt aan met ingang van de dag nadat zij op het beroep heeft beslist en bedraagt zes weken. Dit staat ook in de rechtsmiddelverwijzing onder de uitspraak van de Rechtbank. Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van die termijn is ontvangen. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk indien het na afloop van de hogerberoepstermijn is ingesteld, tenzij sprake is van verschoonbare omstandigheden.

De uitspraak van de Rechtbank is van 2 mei 2025. Belanghebbende had daarom tot en met 13 juni 2025 de tijd om tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen. Belanghebbende heeft pas op 28 september 2025 en daarmee dus te laat hoger beroep ingesteld.

Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft gesteld geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Uit de omstandigheid dat belanghebbende na afloop van de termijn om hoger beroep in te stellen tot een ander inzicht is gekomen en als gevolg daarvan alsnog hoger beroep heeft ingesteld, volgt namelijk niet dat belanghebbende niet in staat was om hoger beroep in te stellen binnen de wettelijke termijn die daarvoor geldt. Omstandigheden waaruit wel volgt dat hij niet in staat was om binnen die termijn hoger beroep in te stellen zijn niet gesteld en ook niet gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet is daarom ongegrond.

4. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. R. Zeldenrust als griffier.

De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(R. Zeldenrust) (M.G.J.M. van Kempen)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082603 FutD 2026-1540
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand