GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2025, betreffende
wonende te [woonplaats].
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Daarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren. De zaak is behandeld op de zitting van 14 januari 2026. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 maart 2024 om 13:48 uur op de Sloterweg, rijstrook 1 in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De betrokkene voert aan dat zijn inzagerecht is geschonden. De gemeente Amsterdam is in dit geval de bekeurende instantie. Die beschikt dus over het originele dossier van deze zaak. Het dossier dat naar de officier van justitie is gestuurd is hiervan afgeleid. Het is maar de vraag of dit dossier alle stukken uit het originele dossier bevat. Daarom wil de betrokkene inzage in het originele dossier. De gemeente Amsterdam heeft hem dit echter geweigerd. Aldus is sprake van een grove schending van het inzagerecht, hetgeen dient te leiden tot vernietiging van de sanctie.
3. Het inzagerecht voor de fase van het administratief beroep is vastgelegd in artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van het vierde lid van dat artikel is de officier van justitie gehouden om op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als de onderhavige gaat het daarbij in ieder geval om de stukken die de ambtenaar bij de oplegging van de sanctie heeft gebruikt.
4. De aangewezen weg voor de betrokkene om informatie te verkrijgen ten behoeve van het aanvechten van de sanctie is dus het bij de officier van justitie indienen van een verzoek op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De enkele suggestie van de betrokkene dat het dossier waarover de officier van justitie beschikt niet volledig zou zijn, is onvoldoende om hierover anders te oordelen. Het hof stelt vast dat de officier van justitie op 13 juni 2024 een afschrift aan de betrokkene heeft gestuurd van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Van een schending van de informatieplicht door de officier van justitie is dan ook geen sprake.
5. Naast het hierboven genoemde inzagerecht bestaat op grond van de Wet open overheid de mogelijkheid om in meer algemene zin publieke informatie op te vragen bij een bestuursorgaan (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10797). De beantwoording van de vraag of de gemeente Amsterdam het verzoek van de betrokkene om informatie al dan niet terecht heeft geweigerd gaat de reikwijdte van deze procedure echter te buiten.
6. De opvatting van de betrokkene dat een schending van het inzagerecht dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking vindt overigens geen steun in het recht. Een dergelijke schending betreft immers niet een gebrekkige totstandkoming van de inleidende beschikking.
7. Gelet op het voorgaande treft de klacht van de betrokkene geen doel. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.