ECLI:NL:GHARL:2026:4880

ECLI:NL:GHARL:2026:4880

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer 200.351.984
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Verzekeringsrecht. Vaststelling bedrijfsschade na noodweer. Beroep op vernietiging van bindende schadevaststelling door derde-expert op grond van polisvoorwaarden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.351.984

zaaknummer rechtbank Gelderland 438281

arrest van 21 juli 2026

in de zaak van

Achmea Schadeverzekeringen N.V.

die is gevestigd in Apeldoorn

hierna: Achmea

advocaat: mr. B.M. Stroetinga

en

Meubelfabriek De Valk B.V.

die is gevestigd in Sneek

hierna: De Valk

advocaat: mr. E.J. Eijsberg

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Achmea heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna de rechtbank) op 29 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

de memorie van grieven

de memorie van antwoord

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 mei 2026 is gehouden en de daarna toegezonden spreekaantekeningen van de zitting bij de rechtbank die nog ontbraken in het dossier

Partijen hebben het hof gevraagd arrest te wijzen.

2. De kern van de zaak

Tijdens noodweer in 2021 is het dak van het bedrijfspand van De Valk ingestort als gevolg waarvan schade is ontstaan. De Valk heeft bij Achmea aanspraak gemaakt op vergoeding onder haar verzekeringen. De door partijen benoemde experts zijn over de omvang van de bedrijfsschade niet tot overeenstemming gekomen en hebben zich tot een derde-expert gewend om (overeenkomstig de polisvoorwaarden) de bedrijfsschade bindend vast te stellen. De derde-expert heeft de bedrijfsschade vastgesteld op € 1.550.000,-. Achmea heeft de vernietiging van deze schadevaststelling ingeroepen. Zij heeft een bedrag van € 1.375.900,- aan bedrijfsschade uitgekeerd.

De Valk heeft bij de rechtbank gevorderd dat Achmea wordt veroordeeld tot betaling van € 174.100,- (het verschil tussen beide hiervoor genoemde bedragen) vermeerderd met rente. Daarnaast heeft De Valk betaling gevorderd van expertisekosten en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente en proceskosten.

De rechtbank heeft de vorderingen van De Valk grotendeels toegewezen, met uitzondering van de gevorderde expertisekosten. De bedoeling van het hoger beroep van Achmea is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.

Het hof oordeelt dat het beroep van Achmea op vernietiging van de schadevaststelling van de derde-expert slaagt. Het hof komt dus in zoverre tot een ander oordeel dan de rechtbank. Er kan echter nog niet definitief over de vordering van De Valk worden beslist. Hierna worden eerst de feiten vastgesteld en daarna wordt uitgelegd hoe het hof tot zijn oordeel komt.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.7 van het vonnis heeft opgenomen. Deels samengevat en waar nodig aangevuld gaat het om het volgende.

De Valk houdt zich bezig met de fabricage en verkoop van meubels met een stalen frame. Zij heeft bij Achmea een verzekeringspakket afgesloten. Onder de polis valt een gebouwenverzekering, een inventaris/goederenverzekering en een bedrijfsschadeverzekering.

Tijdens noodweer op 18 juni 2021 is door hevige regenval het dak van de meubelfabriek van De Valk ingestort, met schade aan het pand en machines tot gevolg. Onder meer de in het bedrijfspand aanwezige poederlakinstallatie is beschadigd geraakt. De Valk heeft bij Achmea om dekking van de schade verzocht.

In augustus 2021 hebben De Valk en Achmea elk twee experts benoemd.

In twee akten van taxatie hebben de experts de schade aan onder meer de inventaris en schade van bouwkundig herstel vastgesteld. Deze schade is daarna afgewikkeld. De schade aan inventaris, te weten de poederlakinstallatie, is op basis van de dagwaarde vastgesteld op € 200.000,-. De Valk heeft de poederlakinstallatie niet hersteld maar vervangen.

Over de omvang van de bedrijfsschade zijn de experts niet tot overeenstemming gekomen. Het te vergoeden bedrag aan bedrijfsschade is door de expert van De Valk getaxeerd op € 1.718.188,- en door de expert van Achmea op € 1.275.000,-. De experts verschilden onder meer van mening over de vraag van welke periode moet worden uitgegaan om de bedrijfsschade te bepalen. De expert van De Valk is uitgegaan van een termijn van 18 juni 2021 tot en met 5 juni 2022, uitgaande van vervanging van de poederlakinstallatie. De expert van Achmea is uitgegaan van een termijn van 18 juni 2021 tot en met 1 april 2022, uitgaande van herstel van de poederlakinstallatie. De experts hebben zich daarbij mede gebaseerd op een aantal offertes van een geraadpleegde leverancier ( [levarancier] ). De experts waren het ook niet eens over de berekeningsmethodiek van het omzet-/belangverlies en de kosten van de extra inzet van uitzendkrachten.

In de ondertekende akte van disakkoord is vermeld dat de experts van De Valk en Achmea een derde-expert vragen om de omvang van de bedrijfsschade bindend vast te stellen overeenkomstig de in de polisvoorwaarden vermelde waardegrondslagen en binnen de grenzen van hun taxaties.

De derde-expert heeft eerst een concept-rapport opgesteld en na reacties en een aanvullende bespreking een definitief rapport uitgebracht. Daarin is de schade vastgesteld op € 1.550.000,-, waarbij de derde-expert is uitgegaan van een scenario van herstel en hij rekening houdt met een bedrag van € 174.000,- aan “versnellingskosten”. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:

Onderzoek / bevindingen

Hersteltermijn

Uit de e-mailwisselingen tussen de experts van Achmea en [deskundige van De Valk] [de expert van De Valk; het hof] maak ik op dat de discussie zich met name toespitst op de hersteltermijn van de bij de dakinstorting van 18 juni 2021 beschadigde poederlakinstallatie.

(...)

De argumentatie van [deskundige van De Valk] luidt als volgt. De tweede herziene offerte van de firma [levarancier] d.d. 7 december 2021 (...) in het kader van een nieuwe poederlakinstallatie vermeldt dat de installatie kan worden geleverd in week 15/2022. Hierna volgt een periode waarin de assemblage, het werkvaardig instellen van de installatie en de oplevering plaatsvindt. De periode die verzekerde verwacht hiervoor nodig te hebben bedraagt 7 weken (...). Daarmee zal de installatie vanaf week 22 2022 (de week van 30 mei 2022) in productie genomen kunnen worden. Aansluitend zal een periode van 2-4 weken nodig zijn om personeel te trainen en de machine af te stellen alvorens de productie weer op het gewenste niveau kan zijn.

De expert van Achmea beargumenteert zijn hersteltermijn aan de hand van de herstelofferte van [levarancier] d.d. 2 november 2021. (...) [levarancier] hanteert de volgende levertijd voor de voor het herstel benodigde onderdelen: "in goed overleg, levering medio week 9/10 2022". Daarnaast hanteert [levarancier] een montageperiode van "ca. 3 werkweken". Op basis hiervan stelt de expert van Achmea dat de installatie eind week 13 2022 (oftewel vrijdag 1 april 2022) weer in bedrijf had kunnen worden genomen.(...)

Motivering

Ik maakte een berekening die in grote lijnen is gebaseerd op de berekening van [deskundige van De Valk] (...) Dit omdat zowel het bedrag dat Achmea als [deskundige van De Valk] in de akte van disakkoord heeft opgenomen grotendeels is gebaseerd op de methodiek (...) van [deskundige van De Valk] wordt gebruikt, behoudens de hersteltermijn die [deskundige van De Valk] en Achmea aanhouden.

(...)

Hersteltermijn/schadeperiode

(...)

Ik begrijp dat verzekerde in dit geval de verschillende opties, herstel van de bestaande installatie dan wel investeren in een geheel nieuwe installatie, heeft onderzocht. Het valt mij wel op dat de tijd die dit traject heeft gevergd een belangrijk deel van de verzekerde termijn heeft opgesoupeerd. (...) Ik begrijp dat dit onder andere komt doordat de leverancier van de bestaande installatie ten tijde van de dakinstorting inmiddels failliet was. (...)

Echter (...) is de periode van herstel (...) maatgevend voor mijn uitspraak. Beargumenteerd kan worden dat in de door [levarancier] genoemde termijn die loopt tot uiterlijk 1 april 2022 nog geen rekening is gehouden met opstartproblemen en/of het feit dat verzekerde veiligheidshalve de productie langer dan strikt de hersteltermijn zal uitbesteden aan externe partijen. Dit zijn legitieme argumenten, maar tussen het opmaken van herstelofferte 1 (...) en de definitieve herstelofferte (...) zit een periode van circa 7 weken. Ik heb op basis hiervan de indruk dat indien verzekerde en experts in een eerder stadium vol op het hersteltraject hadden ingezet de poederlakinstallatie vóór 1 april 2022 operationeel had kunnen zijn. Voorts merk ik op dat uit de mij ter beschikking gestelde gegevens niet is gebleken dat verzekerde en experts onderzoek hebben gedaan naar eventuele versnellingsmogelijkheden van het hersteltraject. (...)

Gelet op het voorgaande hanteer ik de door experts vastgestelde schadevergoedingstermijn(en). Deze zijn als volgt:

- scenario 1 - herstel poederlakinstallatie: 18 juni 2021 tot en met 1 april 2022;

- scenario 2 - nieuwe poederlakinstallatie: 18 juni 2021 tot en met 5 juni 2022.

Versnellingskosten

De van toepassing zijnde polisvoorwaarden (...) bevat verder ook de volgende passage:

"... Bovendien zijn de door u gemaakte kosten om de bedrijfsschade te beperken verzekerd, echter tot maximaal het bedrag waarmee de schade beperkt is . Indien deze kosten echter met voorafgaande goedkeuring van ons zijn gemaakt, dan worden zij volledig vergoed, eventueel boven de verzekerde som, ook als de maatregelen geen of geen volledig resultaat hebben gehad..."

In dit kader hou ik rekening met de extra kosten die gepaard gaan met herstel in de oude situatie. Herstel van de poederlakinstallatie kost op basis van de offerte van [levarancier] (...) EUR 374.100,00, dit is dus EUR 174.100,00 meer dan de vastgestelde dagwaarde. In de berekening die als uitgangspunt herstel van de bestaande installatie kent, dient rekening te worden gehouden met deze versnellingskosten.

(...)

Reacties van de experts op de concept versie van deze uitspraak

(...)

Achmea is van mening dat ten onrechte een bedrag van EUR 174.100,00 (verschil dagwaarde poederlakinstallatie versus herstelkosten) als versnellingskosten is opgenomen omdat het niet gaat om daadwerkelijk gemaakte kosten en daarmee strijdig is met de van toepassing zijnde polisvoorwaarden.

Ik ben van mening dat wanneer de benodigde periode voor herstel van de bestaande installatie korter is dan de periode voor levering, montage en ingebruikname van een nieuwe installatie ook de eventuele kosten die verzekerde in dat geval dient te maken bovenop de vastgestelde dagwaarde in ogenschouw dient te worden genomen. Dit zijn immers kosten die verzekerde in dat geval maakt om de bedrijfsschade te beperken.

In dit geval heeft verzekerde geopteerd voor een ander scenario, namelijk de aanschaf van een geheel nieuwe installatie, hetgeen gepaard is gegaan met een forse investering. Dit laat onverlet dat wanneer het uitgangspunt van de berekening van de bedrijfsschade gebaseerd is op herstel van de bestaande installatie ook alle kosten die men in dit scenario zou hebben gemaakt in de bedrijfsschade dienen te worden betrokken.

(...)

Uitspraak

Resumerend kom ik tot de volgende schadeberekeningen:

1. Bedrijfsschade/extra kosten op basis van herstel van de bestaande installatie EUR 1.550.000,00

2. Bedrijfsschade/extra kosten op basis van vervanging van de poederlakinstallatie EUR 1.731.975,00

De berekening die uitgaat van herstel (berekening 1) is dus de meest economische optie en geniet dan ook de voorkeur (..). Uiteraard stond en staat het verzekerde vrij om (...) te opteren voor de aanschaf van een nieuwe poederlakinstallatie. Aangezien dit gepaard gaat met een investering die de dagwaarde van de installatie ruimschoots overschrijdt kunnen de in berekening 1 opgenomen versnellingskosten en extra kosten als gevolg van inefficiënties gezien worden als een bijdrage vanuit de bedrijfsschade ter dekking van een deel van deze investering.

Ondergetekende stelt de schade binnen het kader van de polis, de relevante polisvoorwaarden en de door de experts vastgestelde bedragen als volgt vast:

Bedrijfsschade, exclusief btw EUR 1.550.000,00

Ik voeg geen nadere specificatie bij van het door mij berekende schadebedrag. Iedere specificatie zou aanleiding voor een nieuwe discussie kunnen zijn terwijl deze uitspraak juist bedoeld is om tot een afronding en definitieve schadevaststelling te komen.

(...)

Achmea heeft na het uitbrengen van de definitieve schadevaststelling door de derde-expert de vernietiging ervan ingeroepen en is overgegaan tot betaling van € 1.375.900,-.

4. De toelichting op de beslissing van het hof

Inleiding en juridisch kader

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de omvang van de door de verzekering van de Valk gedekte bedrijfsschade. Op De Valk, die aanspraak maakt op uitkering onder de verzekering, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit volgt dat de schade-uitkering tot het gevorderde bedrag is gedekt onder de polis. In dit geval hebben partijen overeenkomstig de polisvoorwaarden de hoogte bindend door een derde-expert laten vaststellen. Volgens De Valk is Achmea daarmee (ook op grond van haar polisvoorwaarden) gehouden over te gaan tot betaling van het gehele door deze derde-expert vastgestelde schadebedrag. Achmea beroept zich echter op vernietiging van het bindend advies van de derde-expert. Zij voert in hoger beroep aan dat de gebondenheid aan deze beslissing in verband met de inhoud daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Achmea legt hieraan ten grondslag dat de derde-expert buiten het bestek van de opdracht en de polisvoorwaarden is getreden door een niet bestaande vergoedingsplicht aan te nemen en te bepalen dat een niet bestaande vergoedingsplicht door niet gemaakte kosten deels is verminderd. De Valk betwist de door Achmea gestelde onaanvaardbaarheid.

In artikel 7:904 lid 1 BW is bepaald dat indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, deze beslissing vernietigbaar is. Niet iedere onjuistheid of gebrek in de beslissing leidt tot vernietiging. Uitgangspunt is dat partijen gebonden zijn aan de beslissing. Daar wijst De Valk ook terecht op. Alleen ernstige gebreken van de beslissing kunnen de gebondenheid eraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Daarvan is in dit geval sprake.

Het beroep op vernietiging slaagt vanwege een ernstig gebrek aan het bindend advies

In dit geval had de derde-expert de opdracht om de bedrijfsschade bindend vast te stellen. Daarbij gold allereerst de eis om dit te doen binnen de bandbreedte van de door de experts genoemde bedragen van € 1.718.188,- en € 1.275.000,-. Hieraan is voldaan. Daarnaast maakte onderdeel uit van de opdracht om de schade vast te stellen overeenkomstig de in de polisvoorwaarden vermelde waardegrondslagen. Dit vraagt om een nadere blik op de polisvoorwaarden en de wijze waarop de derde-expert deze voorwaarden heeft toegepast.

Als gezegd bestaat de polis uit een pakket verzekeringen, waaronder de inventaris/goederenverzekering en de bedrijfsschadeverzekering. De inventarisverzekering kent voor voorwerpen waarvan de dagwaarde onmiddellijk vóór de schade minder bedroeg dan 40% van de nieuwaarde een beperking in die zin dat bij herstel of vervanging niet meer dan de dagwaarde wordt vergoed. Concreet betekent dat hier dat schade aan de poederlakmachine tot maximaal € 200.000,- (de dagwaarde) is gedekt. De bedrijfsschadeverzekering dekt stagnatieschade (bedrijfsstilstand). Onder die verzekering is gedekt bedrijfsschade door gehele of gedeeltelijke bedrijfsstilstand die ontstaat door materiële schade aan (onder meer) de aanwezige inventaris. In de polisvoorwaarden is de bedrijfsschade omschreven als de vermindering van de brutowinst. De termijn waarover een vergoeding voor bedrijfsschade kan worden ontvangen loopt zolang als voor het herstel van de productie en/of omzet nodig is (tot maximaal 52 weken). Door de verzekerde gemaakte kosten om de bedrijfsschade te beperken zijn ook verzekerd tot maximaal het bedrag waarmee de schade beperkt is.

In dit geval staat niet ter discussie dát er bedrijfsschade in de vorm van verminderde winst is geleden doordat de poederlakinstallatie beschadigd is geraakt en het de nodige tijd duurt voordat deze is hersteld of vervangen. De derde-expert heeft in zijn rapport geen oordeel gegeven over de tussen de partij-experts gevoerde discussie of vervanging van de poederlakinstallatie noodzakelijk was om tot productie- of omzetherstel te komen of dat herstel ook mogelijk was. In plaats daarvan heeft de derde-expert beide scenario’s uitgewerkt en daar termijnen aan verbonden. Voor wat betreft de in aanmerking te nemen periode ingeval van herstel heeft de derde-expert toegelicht dat en waarom de installatie voor 1 april 2022 weer operationeel had kunnen zijn. Omdat het herstelscenario daardoor een kortere periode van bedrijfsstilstand zou meebrengen, concludeert de derde-expert dat dit de “meest economische optie” is. In de berekening van de bedrijfsschade uitgaande van herstel heeft de derde-expert vervolgens een bedrag aan “versnellingskosten” betrokken. Volgens de derde-expert moet rekening worden gehouden met de extra kosten van € 174.100,- die gepaard gaan met herstel (het meerdere boven de dagwaarde van € 200.000,-). Hij verwijst hiervoor naar de polisvoorwaarden. In een nadere toelichting naar aanleiding van de reactie van Achmea op het conceptrapport stelt de derde-expert dat wanneer de benodigde periode voor herstel korter is dan de periode voor vervanging ook kosten die verzekerde moet maken bovenop de vastgestelde dagwaarde in ogenschouw moeten worden genomen, omdat dit kosten zijn die de schade beperken.

Naar het oordeel van het hof is deze redenering onbegrijpelijk en onnavolgbaar. Voor de bepaling van de bedrijfsschade overeenkomstig de polisvoorwaarden moet worden vastgesteld welke brutowinst wordt misgelopen door het niet kunnen gebruiken van de beschadigde poederlakinstallatie totdat de productie en/of omzet weer hersteld is. Daarvoor is doorslaggevend hoe lang het duurt om weer een werkende poederlakinstallatie te krijgen. En daarvoor moet de vraag worden beantwoord of de poederlakinstallatie hersteld of vervangen moet worden en hoe veel tijd daarmee gemoeid is. De derde-expert licht niet toe dat en waarom herstel van de installatie mogelijk is, maar werkt desondanks wel een herstelscenario uit. In zijn berekening betrekt hij echter vervolgens dat in het kader van de inventarisschade (slechts) de dagwaarde is uitgekeerd en dat dit bedrag lager ligt dan de geoffreerde herstelkosten.. Het bestempelen van dit verschil als “versnellingskosten” en het meenemen daarvan bij de bedrijfsschade is in strijd met de polisvoorwaarden en onbegrijpelijk. Het is in strijd met de polivoorwaarden omdat de bedrijfsschadeverzekering alleen dekking biedt voor vermindering van de brutowinst als gevolg van bedrijfsstilstand en niet voor de vermindering van de brutowinst doordat inventarisschade in voorkomend gevallen tot niet meer dan de dagwaarde wordt vergoed. Daarnaast is het onbegrijpelijk hoe het niet vergoede deel van de inventarisschade (“versnellingskosten”) zou kunnen worden aangemerkt als kosten om de bedrijfsschade te beperken. Dergelijke kosten om bedrijfsschade te beperken zien immers op eventuele kosten om de periode van (gedeeltelijke) bedrijfsstilstand en daarmee de omvang van de gederfde winst te beperken. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat er een opslag aan de aannemer of leverancier wordt betaald om tot een sneller herstel of snellere levering te komen. Het door de derde-expert in aanmerking genomen verschil tussen de geoffreerde (maar in werkelijkheid niet gemaakte) herstelkosten en de uitgekeerde dagwaarde valt evident niet onder gemaakte kosten om bedrijfsschade te beperken. De redenering van de derde-expert dat met kosten bovenop de dagwaarde rekening moet worden gehouden omdat de periode ingeval van herstel korter is, is niet te volgen. Dit is niet in overeenstemming met wat er volgens de polisvoorwaarden onder bedrijfsschade valt.

Het voorgaande leidt ertoe dat de derde-expert de bedrijfsschade niet overeenkomstig de polisvoorwaarden heeft vastgesteld en dat zijn motivering onbegrijpelijk is. Dit is in de gegeven omstandigheden een dusdanig ernstig gebrek, dat de gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof komt op dit punt dus tot een andere beslissing dan de rechtbank en het bezwaar van Achmea tegen het vonnis is in zoverre gegrond.

Wat is het gevolg van de vernietiging?

De vraag is wat het slagen van het beroep op vernietiging tot gevolg heeft. Anders dan Achmea veronderstelt, betekent dit niet zonder meer dat de vordering van De Valk tot uitkering onder de verzekering niet toewijsbaar is. De Valk heeft aangevoerd dat zij noodgedwongen heeft gekozen voor vervanging en dat zij in werkelijkheid meer kosten heeft gemaakt dan het door de derde-expert in aanmerking genomen bedrag, zodat het bij het door haar gevorderde bedrag dus wel degelijk gaat om door haar geleden schade. Achmea heeft op de mondelinge behandeling bij het hof naar voren gebracht dat het haar alleen gaat om het onderdeel van het bindend advies dat ziet op het bedrag van € 174.100,- en dat zij zich dus (bij nader inzien) op partiële vernietiging beroept. De Valk heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat het bindend advies als geheel bekeken moet worden. Het hof is het op dit punt eens met het standpunt van De Valk, omdat de gebrekkige redenering deel uitmaakt van samenhangende beschouwingen die tot de beslissing hebben geleid en als daar één pijler uit wegvalt, het bindend advies als geheel niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van het hof is een partiële vernietiging op de door Achmea bepleite wijze dus niet mogelijk. Het gevolg van de vernietiging is dat partijen weer terug zijn bij de akte van disakkoord. Dat zou betekenen dat er opnieuw een derde-expert de schade bindend dient vast te stellen. In artikel 7:904 lid 2 BW is echter bepaald dat indien de beslissing wordt vernietigd, de rechter dan een beslissing kan geven, tenzij uit de overeenkomst of de aard van de beslissing voortvloeit dat zij op andere wijze moet worden vervangen. Het hof heeft op dit moment onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen welke beslissing eventueel door het hof kan worden gegeven. Het hof beschikt overigens ook niet over alle door de derde-expert opgesomde stukken.

Er is een nu een aantal vervolgstappen denkbaar, waaronder dat het hof de zaak aanhoudt in afwachting van een nieuw bindend advies, of dat het hof zelf onderzoekt of het gevorderde restantbedrag aan bedrijfsschade geheel of gedeeltelijk toewijsbaar is, al dan niet na nadere gegevensverstrekking door partijen of een deskundigenbericht. Daarbij wordt opgemerkt dat Achmea niet slechter kan worden van haar hoger beroep, zodat een eventueel nader onderzoek naar de bedrijfsschade in deze procedure nooit tot toewijzing van een hoger bedrag dan € 174.100,- (in hoofdsom) kan leiden. Het hof stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte hierover uit te laten, waarna zal worden bepaald welke wijze van voortprocederen is aangewezen. Een van de opties daarbij is dat er een nieuwe mondelinge behandeling zal worden bepaald. Het hof verzoekt partijen met elkaar in overleg te treden om te bezien of zij tot een eensluidende vervolgstap kunnen komen.

De conclusie

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de roldatum 1 september 2026 voor het gelijktijdig nemen van een akte als bedoeld in 4.9 door zowel Achmea als De Valk;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C. Bakker, L. Janse en Th. Veling, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand