[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 15 januari 2026 en wat op de zitting van de politierechter van 30 mei 2023 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A. Korfker, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte voor het ten laste gelegde feit veroordeeld tot een taakstraf van 10 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 5 dagen hechtenis.
Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de politierechter. Het hof zal het vonnis daarom vernietigen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 juni 2022 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk drie, in elk geval een of meer fotopanelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onbruikbaar maken van de fotopanelen wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens verdachte primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte de betreffende fotopanelen heeft vernield. Hetzelfde geldt voor het onbruikbaar maken daarvan. Verdachte heeft de panelen enkel omgedraaid zodat deze niet meer te zien waren. Hiermee zijn deze echter nog niet onbruikbaar gemaakt.
Oordeel van het hof
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aangifte van 15 juni 2022, opgenomen op pagina’s 3 tot en met 12 van het politiedossier, voor zover inhoudende, als verklaring van aangever, zakelijk weergegeven:
Ik ben directeur voor [slachtoffer] die gevestigd is in [plaats 2] . Voor een fototentoonstelling hebben wij negen staanders geplaatst. Aan de negen staanders hangen aan weerzijde panelen bedrukt met foto's. Deze zijn met toestemming van de burgermeester van [plaats 1] geplaatst op de [straatnaam] , in [plaats 1] . Op woensdag 15 juni 2022, omstreeks 12:00 uur, kreeg ik een bericht van een [journalist] . Hij stuurde mij foto's van de fotopanelen 6, 9 en 12. Deze fotopanelen zijn losgehaald en omgedraaid teruggehangen. De foto's zijn nu niet meer zichtbaar. De journalist heeft gesproken met twee mannen die de fotopanelen aan het losmaken waren. Zij verklaarden dat “deze smerigheid van het straatbeeld moest”.
2. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 15 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik heb de drie fotopanelen samen met een ander omgedraaid zodat de foto’s daarop niet meer zichtbaar waren.
Bewijsoverweging
Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de hierboven opgenomen en uitgewerkte bewijsmiddelen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder als volgt.
In hoger beroep staat niet ter discussie dat het verdachte is geweest die de betreffende fotopanelen samen met een ander heeft omgedraaid op 15 juni 2022 te [plaats 1] . De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of verdachte en zijn mededader de betreffende fotopanelen aldus hebben vernield, beschadigd of onbruikbaar hebben gemaakt.
Net als de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte en zijn mededader geen vernieling of beschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) oplevert. Met betrekking tot de vraag of verdachte en zijn mededader de fotopanelen door hun handelen onbruikbaar hebben gemaakt, stelt het hof voorop dat van ‘onbruikbaar maken van een goed’ in de zin van artikel 350 Sr sprake is als een voorwerp in een toestand wordt gebracht waardoor het voorwerp niet meer gebruikt kan worden voor het doel waarvoor het is bestemd. In de zaak die voorligt waren de fotopanelen in de staanders op het station geplaatst zodat zij zichtbaar waren voor het aldaar aanwezige publiek. Door de panelen om te draaien hebben verdachte en zijn mededader de panelen onbruikbaar gemaakt omdat zij op deze manier aan het oog van het publiek werden onttrokken. Dat de panelen hiermee enkel tijdelijk onbruikbaar zijn geweest en weer omgedraaid konden worden, doet hieraan niet af. Het hof is dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde onbruikbaar maken van de fotopanelen in vereniging met een ander wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 15 juni 2022 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk drie fotopanelen die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden, onbruikbaar heeft gemaakt.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde handelen een strafbaar feit oplevert.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep toekomt op overmacht in de zin van artikel 40 Sr. Hiertoe is allereerst aangevoerd dat sprake is geweest van overmacht door een noodtoestand. Verdachte moest de panelen wel omdraaien vanwege schennis van de eerbaarheid en het feit dat de politie en de gemeente, ondanks zijn verzoeken daartoe, niet optraden. Met zijn handelen is verdachte binnen de eisen van de proportionaliteit en subsidiariteit gebleven. Zo was zijn handelen enkel gericht op het niet langer zichtbaar houden van de afbeeldingen en niet op het beschadigen ervan.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het beroep op overmacht op basis van een noodtoestand niet kan slagen. Het hof stelt daarbij voorop dat voor een geslaagd beroep vereist is dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een acute, concrete noodsituatie, waarbij botsende belangen spelen en waarbij de overtreding van de wet in redelijkheid het meest zwaarwegende belang dient. Verder moet de desbetreffende gedraging de toets van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan.
Naar het oordeel van het hof was in onderhavig geval van een dergelijke actuele, concrete noodsituatie geen sprake. De posters in de panelen mochten vanwege de verleende vergunning daartoe worden tentoongesteld. Voor zover verdachte het hiermee oneens was, heeft hij dit (vanuit zijn functie binnen zijn vereniging) kenbaar kunnen maken bij de gemeente. Hierbij had hij de betreffende bestuursrechtelijke procedures in dit kader moeten bewandelen. Anders gezegd: het plegen van een strafbaar feit was onder de gegeven omstandigheden geen uiterst redmiddel. Verdachte had van de beschikbare juridische procedures gebruik kunnen en moeten maken in plaats van voor eigen rechter te spelen.
Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte als een strafbare verdachte aangemerkt dient te worden.
Standpunt van de verdediging
Volgens de raadsvrouw komt verdachte ook een beroep toe op psychische overmacht. Verdachte heeft namelijk gehandeld onder invloed van een van buiten komende drang om andermans belangen te behartigen; het beschermen van anderen tegen de afbeeldingen van naakte personen en geslachtsdelen. Hiertegen kon en hoefde hij redelijkerwijze geen weerstand te bieden.
Oordeel van het hof
Ook het beroep op psychische overmacht kan niet slagen. Een dergelijk beroep kan enkel slagen als sprake is van een situatie waarin sprake is van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden. Daarvan was in het onderhavige geval geen sprake. Dat verdachte een sterke eigen visie heeft over wat in de openbare ruimte zichtbaar mag zijn, is zijn goed recht, maar maakt niet dat hij daar ook zomaar naar eigen goeddunken naar mag handelen. Hij had zich tegen de drang tot handelen, die hij naar eigen zeggen heeft ondervonden, moeten en kunnen verzetten. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte een strafbare dader is nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat dit niet het geval is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van drie fotopanelen die toebehoorden aan [slachtoffer] . Hiermee heeft verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de stichting en het daaruit voortvloeiende ongestoorde gebruik van de panelen. Daarmee heeft hij voor onnodige overlast gezorgd. Door de panelen, die op basis van een verleende vergunning daar tentoon werden gesteld, om te draaien, heeft verdachte voor eigen rechter gespeeld en ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 15 december 2025. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Omdat het niet om relevante recente veroordelingen gaat, laat het hof verdachtes strafblad niet in strafverzwarende zin meewegen in de strafoplegging.
Het hof heeft ten slotte ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze onder meer op de zitting in hoger beroep zijn besproken. Verdachte heeft daar naar voren gebracht dat hij probeert om een baan te vinden maar dat dit hem - vanwege de aanhangige strafzaken - niet lukt. Hij houdt zich momenteel vooral bezig met de werkzaamheden rondom zijn stichting. Verdachte geeft verder aan dat hij absoluut niet bereid is om een taakstraf uit te voeren indien deze hem zou worden opgelegd.
De raadsvrouw heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de zaak afgedaan dient te worden met toepassing van artikel 9a Sr. Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte - zoals hierboven uiteen is gezet -, ziet het hof hiertoe geen aanleiding.
Alhoewel het hof in het licht van het bewezen verklaarde feit en verdachtes persoonlijke omstandigheden in beginsel een taakstraf passend en geboden acht, gaat het hof niet tot oplegging daarvan over nu verdachte op niet mis te verstane wijze heeft aangegeven daar absoluut niet aan mee te zullen werken. Om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw (soort)gelijke strafbare feiten te plegen en voor eigen rechter te spelen, zal het hof aan verdachte een voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen.
Alles overwegend acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen met een proeftijd van 3 jaren.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 350 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) dagen.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. F. van der Maden en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 januari 2026.