[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 18 april 2025 en 15 januari 2026 en op de zitting van de rechtbank van 9 november 2022 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte heeft aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde en veroordeeld ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde tot een taakstraf van 90 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 45 dagen hechtenis. Verder heeft de rechtbank de benadeelde partij (in verband met feit 4) niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op de juiste wijze en gronden heeft beslist. Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het hof het vonnis dan ook vernietigen. Verder ziet het hof aanleiding om het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de vrijspraakoverweging van het onder 4 ten laste gelegde te verbeteren. Het hof bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging en met verbetering van de gronden.
Verbetering van de vrijspraakoverweging van het onder 4 ten laste gelegde
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 4 ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 1] . Het hof verenigt zich echter niet met de daaraan ten grondslag liggende overweging van de rechtbank. In plaats van de overweging van de rechtbank overweegt het hof, zonder afbreuk te doen aan wat de gebruikte bewoordingen bij [slachtoffer 1] teweeg hebben gebracht, dat de bewoordingen die verdachte heeft gebruikt in de betreffende Whatsapp-berichten geen belediging in de zin van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van [slachtoffer 1] opleveren. Nu (enkel) dat verwijt door het openbaar ministerie ten laste is gelegd, zal het hof - in lijn met de conclusie van de advocaat-generaal - verdachte vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende en daarbij grotendeels aansluiting gezocht bij wat de rechtbank daarover naar voren heeft gebracht
Verdachte heeft geprobeerd om de eindredacteur van [omroep] , [slachtoffer 2] , onder bedreiging met geweld te dwingen een publicatie, die betrekking had op verdachte, in te trekken. Hij heeft [slachtoffer 2] hiertoe op verschillende momenten en manieren indringend benaderd en bedreigingen in zijn richting geuit. Hierbij is verdachte zelfs fysiek naar het gebouw van de [omroep] toe gegaan om [slachtoffer 2] op te zoeken. Toen hij daar voor een dichte deur stond, heeft hij voor het gebouw van alles geschreeuwd en filmopnames gemaakt. Uit de aangifte blijkt dat [slachtoffer 2] angstig is geworden en dat zijn persoonlijk leven door verdachtes handelen is beïnvloed. De vrees dat verdachte het niet enkel bij dreigementen per telefoon en e-mail zou laten, was doordat verdachte ook naar het gebouw van de [omroep] toe ging, reëel.
Verder heeft verdachte geprobeerd om journalisten in het algemeen te dwingen om ontslag te nemen of het land te verlaten. Hij heeft hiertoe niet mis te verstane bedreigingen geuit. Dit is gebeurd in een periode dat het corona-debat en de tegengestelde meningen hierover in Nederland op scherp stonden. De politie heeft de dreigementen van verdachte serieus genomen en uitgebreid onderzoek verricht naar het bestaan van de door verdachte genoemde ‘zwarte lijst’ en de rol van verdachte hierbij. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte werk heeft gemaakt van de uitvoering van zijn dreigementen. Hoewel het daarom ook goed mogelijk is geweest dat hij deze in een onbezonnen opwelling heeft geuit, was dit voor de bedreigde journalisten destijds niet duidelijk. Juist gezien de opgelopen spanningen in de samenleving in die periode is het invoelbaar dat zij het dreigen met een zwarte lijst zeer serieus hebben genomen.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan smaadschrift jegens de politie. Dit door een ernstige beschuldiging te publiceren, zonder feitelijke onderbouwing. De bewering dat de politie welbewust een confrontatie uitlokt door zonder aanleiding geweld toe te passen tast de goede naam van de politie zonder meer aan. Niet alleen privépersonen, maar ook publieke instituties moeten beschermd worden tegen ongefundeerde beschuldigingen. Het respect voor en aanzien van de politie is ook een publiek belang. Kritiek uiten mag en is nodig, maar met het verspreiden van zware beschuldigingen zonder onderbouwing wordt de strafrechtelijke grens gepasseerd.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 15 december 2025. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Omdat het niet om relevante recente veroordelingen gaat, laat het hof verdachtes strafblad niet in strafverzwarende zin meewegen in de strafoplegging.
Het hof heeft ten slotte ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze onder meer op de zitting in hoger beroep zijn besproken. Verdachte heeft daar naar voren gebracht dat hij probeert om een baan te vinden maar dat dit hem - vanwege de aanhangige strafzaken - niet lukt. Hij houdt zich momenteel vooral bezig met de werkzaamheden rondom zijn stichting. Verdachte geeft verder aan dat hij absoluut niet bereid is om een taakstraf uit te voeren indien deze hem zou worden opgelegd.
Alhoewel het hof in het licht van de bewezen verklaarde feiten en verdachtes persoonlijke omstandigheden in beginsel een taakstraf passend en geboden acht, gaat het hof niet tot oplegging daarvan over nu verdachte op niet mis te verstane wijze heeft aangegeven daar absoluut niet aan mee te zullen werken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat passend en noodzakelijk is de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van 3 jaren. Het voorwaardelijk deel van de op te leggen vrijheidsstraf dient als waarschuwing om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 261 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. F. van der Maden en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 januari 2026.