[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 maart 2026 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voordracht aan het hof overgelegd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam , namens de verdachte heeft aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft de verdachte wegens tweemaal poging tot oplichting (het onder 1 en 3 bewezenverklaarde) en tweemaal valsheid in geschrift (het onder 2 en 4 bewezenverklaarde) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de [benadeelde partij] deels toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De politierechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis. Deze aantekening bevat niet alle wettelijke vereisten van een vonnis. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 maart 2020 tot en met 2 april 2020 te [plaats] , [gemeente] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] en/of [bedrijf] en/of hypotheekverstrekker [bedrijf] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een hypothecaire geldlening ad € 425.000,--, heeft verdachte (bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening) een vervalste werkgeversverklaring en/of arbeidsovereenkomst ( [bedrijf] ) en/of een vervalste loonstrook ( [bedrijf] ) en/of een vervalst rekeningafschrift ( [bank] ) overlegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 2 april 2020 te [plaats] , [gemeente] , in ieder geval in Nederland, een of meerdere geschriften, te weten een werkgeversverklaring en/of een arbeidsovereenkomst ( [bedrijf] ) en/of een loonstrook ( [bedrijf] ) en/of een rekeningafschrift ( [bank] ) die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3. hij op of omstreeks 10 april 2020 te [plaats] , [gemeente] en/of te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bank] . te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een hypotheek ter waarde ad € 428.000,--, heeft verdachte (daarbij) een (vervalste) werkgeversverklaring van [bank] en/of een of meerdere (vervalste) loonstroken / salarisspecificaties ( [bedrijf] ) en/of een of meerdere (vervalste) rekeningafschriften ( [bank] ) overlegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 10 april 2020 te [plaats] , [gemeente] , in ieder geval in Nederland, een of meerdere geschriften, te weten een werkgeversverklaring van [bank] en/of een of meerdere loonstroken / salarisspecificaties ( [bedrijf] ) en/of een of meerdere rekeningafschriften ( [bank] ) die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Gebezigde bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 maart 2020 tot en met 2 april 2020 te [plaats] , [gemeente] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] en/of [bedrijf] en/of hypotheekverstrekker [bedrijf] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een hypothecaire geldlening ad € 425.000,--, heeft verdachte (bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening) een vervalste werkgeversverklaring en /of arbeidsovereenkomst ( [bedrijf] ) en /of een vervalste loonstrook ( [bedrijf] ) en /of een vervalst rekeningafschrift ( [bank] ) overlegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 2 april 2020 te [plaats] , [gemeente] , in ieder geval in Nederland, een of meerdere geschriften, te weten een werkgeversverklaring en /of een arbeidsovereenkomst ( [bedrijf] ) en /of een loonstrook ( [bedrijf] ) en /of een rekeningafschrift ( [bank] ) die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst , met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3. hij op of omstreeks 10 april 2020 te [plaats] , [gemeente] en/of te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bank] . te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een hypotheek ter waarde ad € 428.000,--, heeft verdachte (daarbij) een (vervalste) werkgeversverklaring van [bank] en /of een of meerdere (vervalste) loonstroken / salarisspecificaties ( [bedrijf] ) en /of een of meerdere (vervalste) rekeningafschriften ( [bank] ) overlegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 10 april 2020 te [plaats] , [gemeente] , in ieder geval in Nederland, een of meerdere geschriften, te weten een werkgeversverklaring van [bank] en /of een of meerdere loonstroken / salarisspecificaties ( [bedrijf] ) en /of een of meerdere rekeningafschriften ( [bank] ) die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst , met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert telkens op:
poging tot oplichting.
Het onder 2 en 4 bewezenverklaarde levert telkens op:
valsheid in geschrift.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Strafbaarheid van verdachte
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof – rekening houdend met de (forse) overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep - de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 180 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om de door de politierechter opgelegde straf als uitgangspunt te nemen en daarop een door het hof te bepalen vermindering toe te passen in verband met de (hele forse) overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft met valselijk opgemaakte werkgevers- en salarisdocumenten geprobeerd een hypotheek af te sluiten. Dit zijn kwalijke feiten die tot financiële schade kunnen leiden. Daarnaast tasten dergelijke valselijk opgemaakte documenten het vertrouwen aan dat burgers in het handelsverkeer in bepaalde documenten moeten kunnen hebben.
Het hof heeft ook kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, zodat het hof het strafblad niet ten nadele van de verdachte meeweegt in de strafoplegging.
Alles afwegende acht het hof – met de raadsman - in beginsel de door de politierechter opgelegde straf een passende bestraffing, waarin de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking komt. Het hof ziet daarom – en mede gelet op het strafblad van de verdachte in samenhang bezien met het verstreken tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten – onvoldoende noodzaak om een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de politierechter. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep is geschonden met ongeveer 1 jaar en 9 maanden. Daarin ziet het hof – met de advocaat-generaal en raadsman - aanleiding om een strafvermindering toe te passen. Het hof zal de op te leggen taakstraf verminderen met 20 uur, te vervangen door 10 dagen hechtenis.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen hechtenis, passend en geboden.
Vordering van de [benadeelde partij]
De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend voor schadevergoeding van een bedrag van € 750,00, bestaande uit materiële schade (kosten onderzoek en administratie, 6 uur á € 120,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 360,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Op de zitting in hoger beroep is er niemand namens de benadeelde partij verschenen. De raadsman heeft zicht op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Volgens de raadsman is het de vraag of de opsteller van de vordering bevoegd is om namens [benadeelde partij] op te treden. Als dat niet zo is, moet daarvoor een bijzondere volmacht worden verleend, welke niet in het procesdossier zit. Daarnaast blijkt volgens de raadsman nergens uit dat er 6 uur nodig was voor onderzoek en administratie en dat hier een tarief van € 120,00 bij hoort.
Het hof wil aannemen dat de opsteller van de vordering bevoegd is om namens [benadeelde partij] op te treden, omdat dezelfde persoon namens [benadeelde partij] aangifte heeft gedaan en daarin heeft verklaard dat hij uit hoofde van zijn functie gerechtigd is om namens [bedrijf] (handelsnaam van [benadeelde partij] ) aangifte te doen. Met de raadsman is het hof evenwel van oordeel dat er onvoldoende informatie voorhanden is om vast te kunnen stellen dat het handelen van de verdachte tot de (hoogte van de) materiële schade die de benadeelde partij vordert, heeft geleid. Nader onderzoek op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal daarom de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij deze desgewenst bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen. Het hof bepaalt ten slotte dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten van het geding dragen.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Vordering van de [benadeelde partij]
Verklaart de vordering van de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten van het geding dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Corthals, mr. J. Steenbrink en mr. L.A. Kjellevold, in aanwezigheid van de griffier mr. T.G. Remmink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 maart 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof, van 23 maart 2026.
Tegenwoordig:
mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,
mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,
mr. K. van Laarhoven, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.