ECLI:NL:GHARL:2026:5068

ECLI:NL:GHARL:2026:5068

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 31-07-2026
Zaaknummer 25/1012
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

IB/PVV. Aanmerkelijk belang?

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/1012

uitspraakdatum: 28 juli 2026

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbenden] te [woonplaats] (hierna: belanghebbenden)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 maart 2025, nummer ARN 23/6144, in het geding tussen belanghebbenden en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbenden is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) voor het jaar 2020 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.649, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 39.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.084. Daarbij is voorts € 597 aan belastingrente in rekening gebracht. Vervolgens heeft de Inspecteur deze aanslag wat betreft het belastbare inkomen uit sparen en beleggen ambtshalve verminderd tot € 34. De belastingrente is daarbij verminderd tot € 552.

Het door belanghebbenden tegen de aanslag en de belastingrente gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbenden hebben tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbenden vergoedingen voor proceskosten en het griffierecht toegekend.

Belanghebbenden hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbenden hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord: [naam1] namens belanghebbenden, alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Vaststaande feiten

Op 28 september 2006 is [naam4] overleden. Haar vier kinderen, onder wie [erflater] , waren – op grond van een testament – haar erfgenamen, ieder voor een vierde deel. Tot de nalatenschap behoorden onder meer twaalf gewone aandelen van nominaal € 453,78 in het kapitaal van [onderneming] . Door een ruzie tussen de erfgenamen zijn deze twaalf aandelen onverdeeld gebleven.

Het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal van genoemde vennootschap bedroeg 20 aandelen van nominaal € 453,78 derhalve in totaal afgerond € 9.076.

Ter zake van haar verkrijging in 2006 heeft [erflater] erfbelasting voldaan.

In de aangifte IB/PVV 2006 van [naam4] noch in de aan haar (erven) opgelegde aanslag IB/PVV 2006 is ter zake van bedoelde aandelen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.

Op 11 juni 2020 heeft [erflater] bij notariële akte haar onverdeelde aandeel van een vierde deel in de 12 aandelen in [onderneming] verkocht en geleverd aan haar broer [naam5] voor een bedrag van € 90.000. De mede-erfgenamen en de mede-aandeelhouders hebben hieraan hun goedkeuring verleend.

[erflater] is op 29 augustus 2021 overleden. Belanghebbenden (haar drie kinderen) zijn – na het overlijden van de echtgenoot van [erflater] in 2023 – haar erfgenamen.

In de door een belastingadviseur verzorgde en op 18 mei 2022 ingediende aangifte IB/PVV 2020 van [erflater] is ter zake van de in onderdeel 2.5 bedoelde verkoop en levering een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verantwoord van € 4.532. Daarbij is uitgegaan van een overdrachtsprijs van € 90.000, een verkrijgingsprijs van € 1.362 en € 84.106 aan aftrekbare kosten.

Bij de vaststelling van de onderhavige, aan belanghebbenden opgelegde aanslag IB/PVV 2020 heeft de Inspecteur een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen van € 39.311. Daarbij is de Inspecteur uitgegaan van een overdrachtsprijs van € 90.000, een verkrijgingsprijs van € 1.362 en een bedrag van € 49.327 aan aftrekbare kosten. Voorts is (na ambtshalve vermindering) een bedrag van € 552 aan belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbenden hebben vergeefs bezwaar aangetekend tegen het in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en de in rekening gebrachte belastingrente.

De Rechtbank heeft het door belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank is niet meegegaan in het betoog van belanghebbenden dat de verkrijgingsprijs van de in 2020 vervreemde aandelen op een bedrag van in totaal € 13.450 moet worden bepaald. Wel heeft de Rechtbank belanghebbenden wegens een onjuiste motivering in de uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding van € 232,96 voor verletkosten en € 44,63 voor reiskosten toegekend alsmede een vergoeding van het griffierecht van € 50.

3. Geschil

In hoger beroep is – naar belanghebbenden ter zitting van het Hof desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig hebben verklaard – alleen nog in geschil of [erflater] een aanmerkelijk belang heeft gehad in [onderneming] .

Alle overige in hoger beroep aangevoerde gronden, ook voor zover die betrekking hebben op de beschikking belastingrente en de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding, zijn door belanghebbenden ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Dat geldt eveneens voor het door hen (voorwaardelijk) gedane aanbod getuigenbewijs.

Belanghebbenden beantwoorden de in 3.1 vermelde vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4. Beoordeling van het geschil

In hoger beroep hebben belanghebbenden – voor het eerst in deze procedure – het standpunt ingenomen dat hun moeder [erflater] nimmer een aanmerkelijk belang heeft gehad in [onderneming] , zodat in 2020 geen sprake kan zijn geweest van genoten belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Volgens belanghebbenden was ‘de uitruil in 2020 geen verkoop van aandelen maar de afwikkeling van een erfrechtelijke aanspraak’.

In dit verband stelt het Hof het volgende voorop. Op grond van artikel 4.6 van de Wet IB 2001 heeft een belastingplichtige een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect voor ten minste vijf procent van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Als onmiddellijk (direct) aandeelhouder wordt aangemerkt degene die het (volledige) economische belang houdt bij de aandelen in een vennootschap (vgl. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:972).

Na het overlijden van haar moeder [naam4] heeft [erflater] een vierde deel van het onverdeelde aandeel in 12 aandelen in het geplaatste aandelenkapitaal van [onderneming] verkregen. Het antwoord op de vraag hoe deze verkrijging civielrechtelijk moet worden geduid, kan in deze belastingprocedure in het midden worden gelaten. Voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang volstaat immers dat een persoon het (volledige) economische belang bij de aandelen houdt. Anders dan belanghebbenden betogen, heeft [erflater] naar het oordeel van het Hof in 2006 het (volledige) economisch belang bij de aandelen in [onderneming] verkregen dat overeenkomt met (1/4 x 12 =) 3 aandelen in [onderneming] . Dat die aandelen niet op haar naam stonden geregistreerd en behoorden tot een gemeenschap van vier deelgenoten, doet aan dat economische belang niet af.

Nu bedoeld economisch belang bij de 3 aandelen meer dan 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van [onderneming] vertegenwoordigt, moet worden geconcludeerd dat [erflater] een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet IB 2001 had.

Dit betekent dat de Inspecteur vanwege de verkoop en levering van haar onverdeelde aandeel in de aandelen in 2020 terecht een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang bij [erflater] in aanmerking heeft genomen. Dat de verkrijging van deze aandelen door haar broer [naam5] niet is onderworpen aan de heffing van overdrachtsbelasting is in dit verband niet relevant.

Dat het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang € 39.311 bedraagt, is tussen partijen in hoger beroep niet (meer) in geschil.

Nu de onderhavige aanslag IB/PVV 2017 – zoals ambtshalve verminderd door de Inspecteur – in hoger beroep in stand blijft, is er ook geen grond voor vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbenden ongegrond.

5. Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten en voor het in hoger beroep betaalde griffierecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. M.L.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R. den Ouden)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026083101 NLF 2026/1786
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand