ECLI:NL:GHARL:2026:5077

ECLI:NL:GHARL:2026:5077

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-08-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer Wahv 200.361.963/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Geen schending hoorplicht. De gemachtigde heeft niet op de door de CVOM aangegeven wijze gevraagd om de hoorzitting te verplaatsen. 2. Rechts inhalen. Een redelijke uitleg van het begrip ‘inhalen’ is dat een voertuig wordt gepasseerd dat zich op dezelfde weg bevindt en in dezelfde richting rijdt. Niet nodig is dat daarbij tevens sprake is van zijwaartse bewegingen

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2025, betreffende

wonende te [woonplaats].

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter stelt dat hij te laat zou hebben gereageerd op de uitnodiging voor de hoorzitting, maar de gemachtigde heeft een screenshot overgelegd waaruit blijkt dat reeds bekend was dat de gemachtigde 18 juni 2024 niet aanwezig kon zijn en verzocht is om een nieuwe datum voor een hoorzitting. Desondanks wordt er een hoorzitting gepland. De hoorplicht is geschonden, aldus de gemachtigde.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 14 mei 2024, waarin de gemachtigde wordt uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 18 juni 2024 om 9.40 uur. Hierin staat ook vermeld op welke wijze een afspraak kan worden verplaatst of afgezegd, namelijk hetzij via het Digitaal Loket Verkeer, hetzij per post (brief). Ook wordt vermeld dat dit zo snel mogelijk moet worden doorgegeven, maar uiterlijk een week na ontvangst van de brief én dat wijzigingen of afzeggingen per mail niet worden beantwoord. Daarnaast is de gemachtigde in deze brief erop gewezen dat het beroepschrift geen gronden bevat en wordt de gelegenheid geboden dit verzuim binnen vier weken na dagtekening van die brief te herstellen. Op 11 juni 2024 heeft de gemachtigde via het Digitaal Loket Verkeer de gronden van het beroep ingediend. Niet blijkt dat de gemachtigde via het Digitaal Loket Verkeer of per post heeft aangegeven dat hij verhinderd is de telefonische hoorzitting op 18 juni 2024 bij te wonen. Uit het hoorverslag van de telefonische hoorzitting blijkt dat op het afgesproken tijdstip telefonisch contact met de gemachtigde is opgenomen, maar dat hij niet bereikbaar was. In het beroepschrift bij de kantonrechter stelt de gemachtigde, evenals in het hoger beroepschrift, dat hij per mail heeft aangegeven dat hij op 18 juni 2024 afwezig is. Ter onderbouwing heeft hij een screenshot bijgevoegd van de verzonden items in zijn Outlook postvak, waaruit volgt dat hij het Parket CVOM op

28 mei 2024 een e-mail heeft gestuurd waarin is aangegeven dat hij op 26 juni 2024 verhinderd is in verband met andere zaken. Daarnaast is een aantal verhinderdata voor 2024 vermeld, waarbij ook

18 juni 2024 staat.

3. Naar het oordeel van het hof is in dit geval geen sprake van schending van de hoorplicht. Nog daargelaten de vraag of de mail van 28 mei 2024 waarnaar de gemachtigde verwijst betrekking heeft op deze zaak, heeft de gemachtigde daarmee niet op de door het Parket CVOM aangegeven wijze gevraagd om de afspraak te verplaatsen. Hierover heeft het hof eerder geoordeeld dat de gevolgen daarvan voor rekening van de gemachtigde komen. Het verzoek is bovendien - zoals de kantonrechter terecht overweegt - niet tijdig, dat wil zeggen binnen een week na het ontvangen van de uitnodiging, gedaan. Uit het dossier blijkt verder ook niet dat de gemachtigde (tijdig) kenbaar heeft gemaakt dat hij op 18 juni 2024 verhinderd is de hoorzitting bij te wonen. De kantonrechter heeft daarom terecht geoordeeld dat geen sprake is van schending van de hoorplicht.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op

23 februari 2024 om 15:55 uur op de A15 in Papendrecht met het voertuig met het kenteken

[kenteken] .

5. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter eraan voorbijgaat dat er geen sprake was van rechts inhalen, maar van rechts passeren. Juridisch gezien is dat heel wat anders. Daarnaast is de verklaring van de ambtenaar dat ‘geen stopmiddel’ en ‘moesten de afslag hebben’ ruim onvoldoende om niet te hoeven staandehouden. De ambtenaar heeft niets vermeld over zijn positie, terwijl dat wel voor de hand had gelegen. Daarnaast is niet duidelijk welk stopmiddel wordt bedoeld. Een stopbord, blauwe lampen of beide? Het pakken van een afslag is een bijkomstigheid waarvan de gevolgen voor risico van de ambtenaar komen.

6. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat de bestuurder meerdere voertuigen rechts inhaalde waar dat niet is toegestaan. Dit vond plaats ter hoogte van 76.3.

Rijstrook waarop de betrokkene aanvankelijk reed: 2.

Rijstrook waarop de betrokkene inhaalde: 3.

Rijstrook waarop het ingehaalde voertuig reed: 1 en 2.

Er was geen sprake van file. Het was druk, maar er was geen sprake van een file. Snelheid van het verkeer was ongeveer 100 km/h. Het voertuig haalde op rijstrook 3 meerdere voertuigen rechts in.

Aantal ingehaalde voertuigen: 4.

Reden geen staandehouding: Verbalisanten in burgervoertuig.”

8. Het dossier bevat daarnaast een aanvullend proces-verbaal van 18 maart 2024. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:

“Op 23 februari 2024, om 15.55 uur, reed ik, verbalisant (…), samen met hoofdagent (…) op de A15 links, ter hoogte van hectometerpaal 76.3. Wij verplaatsten ons in een niet herkenbaar politiedienstmotorvoertuig en waren gekleed in burgerkledij. Ik, verbalisant, was voor het Operationeel Centrum Rotterdam oproepbaar (…).

Wij, verbalisanten (…), zagen dat het druk was op de weg en dat het verkeer op alle rijstroken ongeveer 90 tot 100 kilometer per uur reed. Ik, verbalisant, zag dat er op rijstrook 2 een witte Volkswagen Golf reed met kenteken [kenteken] . Ik zag dat de Golf remde voor zijn voorganger, die langzamer reed. Ik zag dat er op rijstrook 1 op dat moment geen ruimte was voor de Golf om zijn voorganger in te halen, omdat daar al voertuigen reden. Ik zag dat de Golf naar rijstrook 3 verplaatste en zijn snelheid verhoogde. Ik zag dat de Golf zijn eerder voorganger, die nog op rijstrook 2 reed, rechts inhaalde. Daarna haalde de Golf op rijstrook 3 nog een voertuig in die op rijstrook 2 reed. Daarbij reden er op rijstrook 1 ook een tweetal voertuigen, die hierdoor ook rechts werden ingehaald door de Golf.

Ik, verbalisant, beschikte niet over een voertuig dat was voorzien van een stopmiddel. Ik ben namelijk werkzaam bij een team dat voornamelijk werkt in burgerkleding en die niet herkenbaar te zijn als politiemedewerker, gezien de aard van mijn functie. Ik was hierom dan ook niet in de gelegenheid om de Golf een stopteken te geven en het voertuig en zijn bestuurder staande te houden. Daarnaast waren wij onderweg naar een opdracht in Ridderkerk, waardoor wij net na de constatering van dit feit de snelweg moesten verlaten. Er was dus ook geen mogelijkheid om een herkenbare politie-eenheid te informeren en een staandehouding te realiseren. Hierdoor besloten hoofdagent (…) en ik de overtreding af te doen met een beschikking uitgeschreven op kenteken.”

9. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

10. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de verklaringen van de ambtenaar dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Uit de verklaring dat de ambtenaar niet beschikte over een voertuig dat was voorzien van een stopmiddel volgt dat de ambtenaar in het geheel niet beschikte over stopmiddelen. Hieruit volgt, zeker gezien de pleeglocatie, voldoende dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Dat uit de verklaringen niet volgt wat de positie was van de ambtenaren, doet hier niet aan af. De keuze van de ambtenaar om de snelweg te verlaten, maakt het voorgaande niet anders. De sanctie is terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.

11. De onderhavige gedraging is een overtreding van het eerste lid van artikel 11 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) waarin is bepaald dat inhalen links geschiedt.

12. Het RVV 1990 bevat geen definitie van het begrip ‘inhalen’. Een redelijke uitleg van het begrip inhalen is dat een voertuig wordt gepasseerd dat zich op dezelfde weg bevindt en in dezelfde richting rijdt. Het hof wijst in dit verband erop dat in de Van Dale ‘inhalen’ wordt omschreven als ‘voorbijrijden’. De uitleg die de gemachtigde geeft, namelijk dat van inhalen slechts sprake kan zijn indien sprake is van een zijwaartse beweging, gevolgd door het daadwerkelijke passeren, met daarna een zijwaartse beweging naar de oorspronkelijke rijstrook, vindt geen steun in het recht. Reeds het enkel voorbijrijden van voertuigen die zich op dezelfde weg bevinden en in dezelfde richting rijden moet als inhalen worden aangemerkt. Gelet op de verklaring van de ambtenaren kan derhalve worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

13. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van der Zee-Venema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand