[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2002 in [geboorteplaats 1] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 21 juli 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, is aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft bij vonnis van 16 december 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de in de zaak met parketnummer 18-193799-24 tenlastegelegde feit en in de zaak met parketnummer 16-066930-25 tenlastegelegde feit veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 408,17 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] geheel hoofdelijk toegewezen voor een bedrag van € 822,31 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-193799-24:
hij op of omstreeks 1 maart 2023 te [plaats 1] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van telefoons, betaalpassen en bijbehorende pincodes, door
- zich telefonisch voor te doen als een medewerker van de [bank] ,
- daarbij de indruk te wekken dat er een virus was geconstateerd op het netwerk en dat het virus was binnengedrongen in de bankgegevens van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , en - waarbij hij, verdachte en/of zijn mededaders, aan die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hulp wilde/wilden bieden, waarna hij, verdachte en/of zijn mededaders, vervolgens:
- naar het adres van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is/zijn gereden en/of gegaan,
- vervolgens zich heeft/hebben voorgedaan als een stagiair van de [bank] teneinde de telefoons, bankpassen en bijbehorende pincodes van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in ontvangst te nemen, en
- een of meerdere keren zonder toestemming gebruik heeft/hebben gemaakt van de bankpassen en hierbij een geldbedrag heeft/hebben gepind;
Zaak met parketnummer 16-066930-25:
hij op of omstreeks 15 maart 2023 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een pinpas en/of bijbehorende pincode, door
- nadat en/of terwijl die [slachtoffer] aan de telefoon was met een onbekend gebleven persoon,
- aan de deur van de woning van die [slachtoffer] zich voor te stellen als [naam 1] zijnde een medewerker van de [bank] en/of (vervolgens)
- op de telefoon van die [slachtoffer] een geldbedrag van de spaarrekening naar de betaalrekening over te maken en/of (vervolgens)
- de pinpas van die [slachtoffer] mee te nemen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 18-193799-24. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat op basis van de bevindingen zoals geverbaliseerd in het dossier niet kan worden vastgesteld dat haar cliënt wetenschap had van de oplichting en daar een rol in heeft gehad.
Ten aanzien van het feit met parketnummer 16-066930-25 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, aangezien verdachte dit feit heeft bekend.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de in beide zaken tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hieronder zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-193799-24
Het door de verdediging strekkende verweer tot vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 18-193799-24 wordt weersproken door de bewijsmiddelen zoals hieronder gebezigd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof heeft de overtuiging bekomen dat verdachte degene is geweest die in [plaats 1] bij aangever aan de deur en in huis is geweest, terwijl hij zich voor heeft gedaan als een medewerker van de [bank] . De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte geen grijze trainingsbroek en witte sportschoenen droeg, zoals omschreven in het signalement in de aangifte.
Het hof heeft op de zitting de waarneming gedaan dat op de foto’s die in het dossier zijn opgenomen te zien is dat verdachte de enige persoon is die die avond een grijze trainingsbroek en sportschoenen met witte zolen draagt.
Het hof stelt vast dat het uiterlijk van verdachte ten tijde van de controle in de late avond op 1 maart 2023 bij het tankstation bij [plaats 3] overeenkwam met het signalement zoals opgegeven door aangever. In de auto werd tijdens die controle door de politie op verschillende plaatsen contante bedragen aan “vers” briefgeld gesignaleerd. Bovendien signaleerde de politie in de auto een Samsung telefoon met daar bij een telefoon in een rood hoesje. Het hof stelt vast dat deze beschrijving past bij hetgeen aangever verklaart over de hun toebehorende aan de zogenoemde bankmedewerker afgegeven telefoons. Deze aspecten dragen bij aan het bewijs.
Ook is het het hof opgevallen dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit met parketnummer 16-066930-25, welk feit verdachte heeft bekend en dat plaatsvond op 15 maart 2023 – 2 weken voorafgaand aan het tenlastegelegde feit met parketnummer 18-193799-24 – tegenover de politie heeft verklaard over de modus operandi.
Zo verklaart hij op de vraag van verbalisant of hij zich heeft voorgesteld aan aangever “Ja ik moest me voorstellen als iemand anders. Ik dacht dat het snel ging, maar ik moest meelopen. Dat kostte tijd. Normaal als je zoiets doet, moet het snel gaan.”.
Het hof leidt hieruit af dat verdachte wetenschap heeft van hoe een oplichting van zogenoemde bankhelpdeskfraude in zijn werk gaat. Het hof acht ook dat redengevend voor het bewijs van de tenlastegelegde oplichting in [plaats 1] die ongeveer twee weken voorafging aan de tenlastegelegde oplichting in [plaats 2] waarover verdachte hierboven verklaart.
Daarnaast volgt uit de gegevens van de inbeslaggenomen telefoon die toebehoort aan verdachte dat hij deze telefoon bij zich had ten tijde van de aanhouding op heterdaad in [plaats 2] op 15 maart 2023. Deze telefoon straalde twee weken tevoren op 1 maart 2023 aan zeer nabij het adres van aangever in [plaats 1] , op het moment waarop aangever heeft verklaard te zijn benaderd door een medewerker van de bank en in de nacht van 1 op 2 maart 2023 bij de woning van verdachte. Het hof acht dit redengevend ook voor bewijs van betrokkenheid bij het te [plaats 1] .
Het hof acht de door verdachte gegeven slechts algemene lezing van gebeurtenissen, dat telefoons onderling in de groep wel werden uitgeleend en door elkaar werden gebruikt, niet aannemelijk. Verdachte heeft dit scenario niet concreet gemaakt.
Ten tijde van de aanhouding werden bij verdachte en ook bij ieder van de medeverdachten 1 of meer telefoons gesignaleerd. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat verdachte en medeverdachten over elkaars telefoon beschikten en die gebruikten.
Het standpunt van de verdediging, dat verdachte niet voldoet aan het signalement en dat geen betekenis kan worden toegekend aan de historische telefoongegevens in verband met de betrokkenheid van verdachte, wordt door het hof verworpen.
Medeplegen
Voor het medeplegen van oplichting is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten, waarbij verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd.
Op basis van hetgeen aangever heeft verklaard, stelt het hof vast dat op het moment dat de bankpasjes en mobiele telefoons werden opgehaald uit de woning te [plaats 1] er telefonisch contact bestond met een medeverdachte. Het pinnen in [plaats 1] direct nadat de passen werden opgehaald, vond plaats in [plaats 1] en werd verricht door een [medeverdachte 1] , die zich ten tijde van de controle bij het tankstation bij [plaats 3] tezamen met onder meer verdachte in de auto bevond.
Het hof stelt gelet op het hiervoor overwogene en de onderstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte degene is geweest die bij beide aangevers in de woning is geweest om de bankpassen in ontvangst te nemen. Verdachte heeft daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd aan de oplichting.
Het hof is van oordeel dat zowel in de zaak met parketnummer 18-193799-24 als in de zaak met parketnummer 16-066930-25 sprake is van het medeplegen van oplichting.
Bewijsmiddelen
1. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 2 maart 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Nederland en opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van de politie Eenheid Noord-Nederland, met nummer PL0100-2023054590 d.d. 26 januari 2024, inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] :
Op 01 maart 2023, was ik, samen met mijn vrouw, thuis aan de [locatie 1] te [plaats 1] . Omstreeks 19:30 werd ik gebeld op mijn eigen mobiele telefoon, een Samsung Galaxy S21 FE 5 . De persoon aan de telefoon had een mannenstem. Ik hoorde deze persoon zeggen dat ze een virus hadden geconstateerd bij ons KPN netwerk. Dit virus zou ook zijn binnengedrongen bij onze [bank] bankgegevens. De persoon aan de telefoon deed zich voor als [bank] bankmedewerker en werkte bij de fraude afdeling. Hij gaf aan dat onze bankpassen vervangen moesten worden. Ook zouden onze privé telefoons (van mij en mijn vrouw) geschoond worden. We moesten vervolgens een code in team-viewer controleren om de medewerker toegang tot onze telefoon te later verschaffen. Toen de medewerker terugkwam zei hij dat mijn telefoon op afstand gescand kon worden. Dit ging hij doen. “Ik het triest nieuws, maar uw pas moet toch vernietigd worden.” Ook uw telefoon moet geschoond worden. Het virus zit dieper in uw systeem. Niet veel later werd gezegd dat, de pinpas en telefoon vanavond nog opgehaald konden worden door een stagiaire. Nog enkele minuten later stond deze persoon (stagiaire) voor onze deur. Wij hebben hem binnengelaten. Telefonisch had deze persoon ook contact met de [bank] medewerker die ik aan de telefoon had. Ik heb op zijn aanwijzing mijn telefoon, de telefoon van mijn partner en onze bankpassen afgegeven. Ook de pincodes behorend bij de bankpassen hebben wij op verzoek van deze [bank] -medewerker(s) afgegeven. De man die bij mij binnen stond kan ik als volgt omschrijven: - man; Marokkaans uiterlijk; - 25 jaar; - grijze trainingsbroek; - witte sportschoenen.
Omstreeks 22:45 uur heeft deze persoon onze woning verlaten. Vervolgens heb ik met de vaste telefoon de een [bank] -bank gebeld. Deze vertelde dat er omstreeks 23:00 uur 1000,- euro is gepind op het [locatie 2] in [plaats 1] .
2. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 2 maart 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Nederland en opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] :Er zijn twee bankpassen weggenomen. Beide passen waren betaalpassen van de [bank] . De eerste betaalpas stond op naam van [benadeelde 1] . De tweede betaalpas stond op naam van mijn vrouw, [benadeelde 2] . De € 1000,- welke gepind is, is gepind met de pas van mijn vrouw en dit geld is dus ook van haar rekening af. Verder was de telefoon van mijn vrouw ook weggenomen, de gegevens hiervan zijn: Google Pixel 5, zwart van kleur met een rood ' boek' hoesje. Ik heb vandaag nogmaals contact opgenomen met de bank. Deze vertelden mij dat er met de pas van mijn vrouw drie keer geprobeerd is te pinnen waarvan één keer daadwerkelijk is gelukt. Er is op 1 maart 2023 om 23:00 uur bij een Geldmaat aan het [locatie 2] 19 te [plaats 1] 1000,- euro gepind. Daarna is er nog tweemaal gepoogd te pinnen met de pas van mijn vrouw, dit is aan het [locatie 2] te [plaats 1] geweest om 23:02 en 23:03 uur. Deze pinacties zijn beide niet gelukt.
3. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Nederland en opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :Op beelden van een geldmaat pinautomaat gelegen aan het [locatie 2] te [plaats 1] zag ik dat de beelden zich afspeelden op 1 maart 2023. Ik zag het volgende: 23:00:05 komt vanaf een persoon het beeld binnen gelopen. Ik zie dat de persoon een donkerkleurige hoody aan heeft met de capuchon over zijn hoofd. Ik zie dat er ter hoogte van zijn borst, aan de linkerzijde, een witte tekst op de hoody staat.23:00:08 staat de persoon voor de pinautomaat. Ik zie dat de persoon een pinpas in de pinautomaat stopt.23:00:34 Ik zie dat de persoon een tweede mobiele telefoon uit jaszak pakt.23:00:57 Ik zie dat de persoon weer naar de pinautomaat reikt en hier iets uitpakt en opbergt.23:01:23 Ik zie dat de persoon weer naar de pinautomaat reikt en iets pakt.Vervolgens stopt de persoon weer iets in jaszak. Ik zie dat er op de achterzijde van zijn hoody een witte tekst afgebeeld staat. Het enige wat te lezen is is: "MIRI". Ik zie dat er voor deze tekst nog een letter staat, echter is deze niet goed te lezen. Ik zie dat de persoon zwarte sportschoenen aan heeft met witte accenten. Tevens zie ik dat de persoon een donkerkleurige broek aan heeft.
4. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Nederland en opgenomen op pagina 27 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :Op 02-03-2023, ontving ik, verbalisant, meerdere schermafbeeldingen van de beelden bij de pinautomaat. Op één van de afbeeldingen zag ik een persoon welke een zwart vest droeg. Op de achterzijde van het vest stond AMIR waarbij de I van het merk AMIRI mist. Tijdens de hierna aangegeven controle had de bijrijder " [naam 2] [geboortedatum] te [plaats 4] " een zwarte hoodie aan van het merk "AMIRI".
5. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Nederland en opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :Op 1 maart 2023 omstreeks 23.55 uur zagen wij dat het voertuig met kenteken [kenteken] bij het tankstation [locatie 3] rechts bij [plaats 3] stond. Na controle bleek de bestuurder van het voertuig [naam 3] te zijn. [naam 2] was de bijrijder. [naam 4] , [naam 5] en [verdachte] zaten achterin. In de hoes, achter de bijrijdersstoel, hadden wij in totaal achttien briefjes van vijftig euro aangetroffen. Dit waren 'verse' briefjes. Ook lagen daar twee telefoons. Een Samsung met een zwarte 'flipcase' klaphoesje en een telefoon in een rood hoesje. Bij [naam 4] in zijn handtasje hadden wij 900 euro aangetroffen. Dit waren achttien 'verse' briefjes van vijftig euro. In zijn broekzak zaten nog twee briefjes van vijftig euro. Deze twee waren verkreukt. Bij [naam 5] hadden wij ongeveer 300 euro aan diverse biljetten van vijftig, twintig en tien euro aangetroffen. Bij [verdachte] hadden wij 200 euro aan diverse coupures aangetroffen. Hij had één telefoon bij zich. Betrokkenen gaven aan vanuit [plaats 1] te komen. Ze waren nu onderweg naar [plaats 4] . Later kwam een melding in [plaats 1] , waar rond 23.00 uur een pinpas was opgehaald waarmee 1000 euro was gepind. Qua tijd zou het kunnen dat ze van [plaats 1] naar [plaats 3] waren gereden.
6. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Nederland en opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] :Uit de aangifte blijkt dat er na het ophalen van de bankpas een bedrag van 1000 euro is gepind bij het [locatie 2] in [plaats 1] omstreeks 23:00 uur. Hiervan zijn de camerabeelden opgevraagd en onderzocht. De persoon op deze beelden is vergeleken met de foto's van de staande gehouden personen. Hieruit werd duidelijk dat de meest rechterpersoon op foto 1 en 4 ( [naam 2] geboren [geboortedag 2] 2005) de persoon is die bij het geldautomaat in [plaats 1] 1000 euro heeft gepind. Hij droeg onder andere een jas met opvallende witte omdrukken op de voor en achterzijde. Uit de aangifte blijkt dat de pinpas is opgehaald door een man met Marokkaans uiterlijk en onder andere een grijze trainingsbroek. Op de foto's is duidelijk te zien dat een (1) van de vijf (5) mannen een grijze trainingsbroek draagt en ook volledig overeen komt met het in de aangifte genoemde signalement. Dit betreft [verdachte] , geboren [geboortedag 3] 2002. Door de persoon werden ook twee telefoons van de aangever meegenomen. Opvallend aan deze telefoons is dat een (1) een zwarte "flipcase" had en de andere een rood telefoonhoesje. In het gecontroleerde voertuig werden in de hoes achter de bijrijdersstoel naast de 900 euro ook twee mobiele telefoons aangetroffen die exact dezelfde uiterlijke kenmerken hebben als de meegenomen telefoons van aangevers.
7. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Nederland en opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] :Op 3 juli 2023 bekeek ik, verbalisant, de gegevens die waren veiliggesteld van de inbeslaggenomen telefoon van [verdachte] .
GEGEVENS TELEFOON: Apple ID: [apple id 1] & [apple id 2]
Hieronder een weergave van de mogelijk relevante zaken op de tijdlijn van 1 maart 2023.
Tussen 1-3-2023 22:42:19(UTC+1) en 1-3-2023 22:50:40 (UTC+l) Visited (53.010375, 6.516020). Blijkt volgens Google Maps: [locatie 4] .
De fraude vond plaats aan de [locatie 1] te [plaats 1] op woensdag 1 maart 2023 tussen 19:30 uur en 22:45 uur.
Tussen 2-3-2023 00:05:18(UTC+1) en 2-3-2023 00:33:49 (UTC+l) Visited (52.848091, 5.720574). Blijkt volgens Google Maps: [locatie 5] Verdachte [verdachte] werd in een voertuig door politie gecontroleerd aan het busstation te [plaats 5] rond middernacht.
2-3-2023 01:45:22 (UTC+1) en 2-3-2023 12:03:22(UTC+1)
Visited (52.377192, 4.813157) Blijkt volgens Google Maps:
[locatie 6]
Het woonadres van verdachte [verdachte] is volgens de GBA [adres 2] .
8. De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van het hof van 21 juli 2026, voor zover inhoudende:De jongste raadsheer deelt mede:Het hof heeft waargenomen dat op pagina 31 en 32 van het dossier foto’s zijn opgenomen waarop te zien is dat verdachte ten tijde van de controle door de politie op 1 maart 2023 de enige persoon is met een grijze trainingsbroek. De anderen dragen blauwe en groene broeken. Zichtbaar is dat verdachte sportschoenen draagt met een witte rand aan de onderkant.
Ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-066930-25
Het hof volstaat ten aanzien van het hierna bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het hierna bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig bij de politie heeft bekend, de raadsvrouw dit in eerste aanleg en op de zitting van het hof heeft bevestigd en door de verdediging ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak is bepleit. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsmiddelen
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 en in de zaak met parketnummer 16-066930-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-193799-24:
hij op 1 maart 2023 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten afgifte van telefoons, betaalpassen en bijbehorende pincodes, door
- zich telefonisch voor te doen als een medewerker van de [bank] ,
- daarbij de indruk te wekken dat er een virus was geconstateerd op het netwerk en dat het virus was binnengedrongen in de bankgegevens van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , en - waarbij hij, verdachte en zijn mededaders, aan die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hulp wilden bieden, waarna hij, verdachte en/of zijn mededaders, vervolgens:
- naar het adres van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn gegaan,
- vervolgens zich heeft voorgedaan als een stagiair van de [bank] teneinde de telefoons, bankpassen en bijbehorende pincodes van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in ontvangst te nemen, en
- een of meerdere keren zonder toestemming gebruik heeft gemaakt van de bankpassen en hierbij een geldbedrag hebben gepind;
Zaak met parketnummer 16-066930-25:
hij op 15 maart 2023 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een pinpas en bijbehorende pincode, door
- nadat of terwijl die [slachtoffer] aan de telefoon was met een onbekend gebleven persoon,
- aan de deur van de woning van die [slachtoffer] zich voor te stellen als [naam 1] zijnde een medewerker van de [bank] en vervolgens
- op de telefoon van die [slachtoffer] een geldbedrag van de spaarrekening naar de betaalrekening over te maken en vervolgens
- de pinpas van die [slachtoffer] mee te nemen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 18-193799-24 en in de zaak met parketnummer 16-066930-25 is strafbaar en levert op:
medeplegen van oplichting.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het oude feiten zijn en verdachte sinds onderhavige feiten niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. Daarnaast heeft de raadsvrouw het hof verzocht acht te slaan op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het mediationtraject in de zaak met parketnummer 16-066930-25.
Oordeel van het hof
De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting van het hof is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder op het volgende gelet.
Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting door zich voor te doen als een medewerkers van de [bank] -bank. Verdachte heeft door zich voor te doen als iemand anders het vertrouwen van oudere mensen gewonnen, om hen vervolgens op schaamteloze wijze geld af te nemen. De gedupeerden zijn oudere mensen die in de avond van de oplichting zijn benaderd en langdurig zijn beziggehouden door verdachte en/of zijn medeverdachten teneinde de uiteindelijk beoogde afgifte van de bankpassen, met pincodes en telefoons mogelijk te maken. Daarmee is kennelijk bewust een slachtoffergroep uitgekozen van wie op schrikbarend eenvoudige wijze de bankpas met bijbehorende pincode kon worden ontfutseld om vervolgens geld van hun bankrekening te stelen.
Verdachte en zijn medeverdachten hebben geraffineerd samengewerkt ten tijde van de oplichtingen. Verdachte is degene geweest die in de woning van aangevers is geweest, hen te woord heeft gestaan om vervolgens hun passen en telefoons af te troggelen. Verdachte heeft daarmee gewetenloos handelen getoond.
Door aldus te handelen heeft verdachte financieel nadeel toegebracht, doordat hij zich uitsluitend heeft laten leiden door geldelijk gewin.
Daarnaast overweegt het hof– evenals de politierechter – dat verdachte de slachtoffers niet alleen financieel nadeel heeft berokkend, maar ook het zelfvertrouwen, het gevoel van veiligheid en het vertrouwen in de medemens in ernstige mate heeft aangetast. Zo blijkt ook uit de aangiftes en de vorderingen tot schadevergoeding.
Ook heeft het hof gelet op het verdachte betreffende strafblad van 16 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit, maar wel voor een andere strafbare feiten.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de door de raadsvrouw naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is aan het herstellen van een auto-ongeluk dat enige weken geleden heeft plaatsgevonden, waardoor hij op dit moment veelal thuis zit, en pijnstillende medicatie van de huisarts neemt.
Het hof heeft tevens acht geslagen op verdachte zijn (proces)houding en acht die zorgelijk. Verdachte lijkt strategisch te hebben verklaard bij de politie. Verdachte is niet verschenen op de zitting bij de politierechter, noch op de zitting van het hof. Aanvankelijk heeft verdachte meegewerkt aan het mediationtraject en toezeggingen gedaan met betrekking tot het starten van een onbetaalde stage, maar verdachte lijkt nu voorbehouden te maken, waarbij hij zijn huidige klachten al voor de verre toekomst aanwendt om een voorbehoud te maken bij de aanvankelijk door hem gedane toezegging in het kader van het mediationtraject.
Het hof acht al met al de inzet van verdachte in het mediationtraject niet zodanig dat gesproken kan worden van een zodanig geslaagd mediationtraject waardoor een taakstraf eventueel passend zou kunnen zijn.
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de houding van verdachte en met het oog op speciale en algemene preventie acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken passend en geboden. De periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op deze straf in mindering worden gebracht.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.158,17, bestaande uit € 408,17 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft de gehele vordering toegewezen. De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek op de zitting van het hof voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof acht voldoende onderbouwd dat er voor € 408,17 aan materiële schade is geleden.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt.
In artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat immateriële schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt in de limitatief in de wet opgesomde gevallen. In artikel 6:106 BW worden de gevallen genoemd waarin vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend. Voor zover hier van belang, kan dat op grond van sub b van dat artikel aan de orde zijn indien een benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Volgens de Hoge Raad kan immateriële schade op deze grond alleen voor toewijzing in aanmerking komen in gevallen aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ met concrete gegevens wordt onderbouwd, tenzij de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet alleen gevoelens van angst, onveiligheid en wantrouwen bij de benadeelde partij teweeg hebben gebracht, maar dat in dit geval de aard en de ernst van de normschending door verdachte en zijn mededaders psychisch nadelige gevolgen bij de benadeelde partij heeft veroorzaakt. Zodanig dat vast is komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.
Uit de onderbouwing en de overgelegde schriftelijke verklaring van GGZ [locatie 7] volgt dat ambulante behandeling en bij verergering van klachten verschillende intensieve behandelingen in groepsvorm noodzakelijk zijn geweest.
Dat uit de verklaring van GGZ [locatie 7] niet een specifieke ziekte of stoornis is af te leiden maakt niet dat dat psychisch letsel niet aannemelijk is. Het concreet beschreven in psychische zin ziekelijke en ongewone gedrag van de benadeelde partij nadat hem het strafbare feit is overkomen, maakt in combinatie met de verklaring van de behandelaars duidelijk dat de gegeven GGZ-behandeling noodzakelijk was.
Het hof acht aannemelijk dat aangever psychisch letsel is toegebracht waarvoor behandeling noodzakelijk was. De benadeelde partij komt daarom in aanmerking voor vergoeding van de immateriële schade wegens aantasting in zijn persoon. Het hof wijst het gehele gevorderde bedrag van € 750,00 als billijke schadevergoeding toe.
Het hof concludeert dat verdachte een bedrag van € 408,17 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade aan de benadeelde dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf na te melden datum. De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit samen met anderen gepleegd en zij zijn samen naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof bepaalt daarom dat wanneer de schadevergoeding door de mededader(s) is betaald, de verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Gelet op vorenstaande, dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 822,31, bestaande uit € 322,31 aan materiële schade en € 500,00 immateriële schade. De politierechter heeft de gehele vordering toegewezen. De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek op de zitting van het hof voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Het hof acht voldoende onderbouwd dat er voor € 322,31 aan materiële schade is geleden.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt. In artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat immateriële schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt in de limitatief in de wet opgesomde gevallen. In artikel 6:106 BW worden de gevallen genoemd waarin vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend. Voor zover hier van belang, kan dat op grond van sub b van dat artikel aan de orde zijn indien een benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Volgens de Hoge Raad kan immateriële schade op deze grond alleen voor toewijzing in aanmerking komen in gevallen aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ met concrete gegevens wordt onderbouwd, tenzij de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is zonder meer van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten gevoelens van angst, onveiligheid en wantrouwen bij de benadeelde partij, mevrouw [benadeelde 2] , teweeg hebben gebracht. In dit geval is dit echter niet zodanig dat de aard en de ernst van de normschending door verdachte en zijn mededaders dermate psychisch nadelige gevolgen bij de benadeelde partij hebben veroorzaakt dat vast is komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.
Dit leidt ertoe dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. In zoverre kan de benadeelde partij de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Het hof concludeert dat verdachte een bedrag van € 322,31 aan materiële schade aan de benadeelde dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf na te melden datum. De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit samen met anderen gepleegd en zij zijn samen naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof bepaalt daarom dat wanneer de schadevergoeding door de mededader(s) is betaald, de verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Gelet op vorenstaande, dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 en in de zaak met parketnummer 16-066930-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 en in de zaak met parketnummer 16-066930-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.158,17 (duizend honderdachtenvijftig euro en zeventien cent) bestaande uit € 408,17 (vierhonderdacht euro en zeventien cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.158,17 (duizend honderdachtenvijftig euro en zeventien cent) bestaande uit € 408,17 (vierhonderdacht euro en zeventien cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 maart 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 322,31 (driehonderdtweeëntwintig euro en eenendertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-193799-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 322,31 (driehonderdtweeëntwintig euro en eenendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 maart 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. F. van der Maden, mr. J. Hielkema en mr. J. Dolfing in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 augustus 2026.