[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 21 juli 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Sipma, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft bij vonnis van 3 september 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.
De politierechter heeft de teruggave gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 1.220,00 aan verdachte. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen goederen, te weten:
heeft de politierechter de onttrekking aan het verkeer bevolen.
Ten slotte heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 18-038531-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Het hof komt in dit arrest tot een gedeeltelijk andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 27 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1855 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 27 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 28, centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 9mm Luger (9x19mm) en/of
- 15, centraalvuur kogelpatronen van het kaliber .380 AUTO (9x17mm), voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 27 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:
- in zijn, verdachtes, garagebox en/of bestelbus: ventilatoren, luchtslangen, transformatoren, armaturen, lampen, Jerrycans (merk: Gout), kweektenten, bamboestokken, elektrische kachels, zakken potgrond, cannacutter, elektriciteitskabels, een of meerdere dozen met daarin een of meerdere zakken potgrond, een doos met daarin een nieuw koolstoffilter, een doos met daarin een slakkenhuis en/of
- in zijn, verdachtes, woning: een of meerdere vuilniszakken met daarin een of meerdere transformatoren, een schakelklok, luchtslangen, bamboestokjes, grondzeil en/of een of meerdere zakken henneptoppen, dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten:
- een bestelbus (kenteken: [kenteken] ) en/of een garagebox, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft onder meer gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat gelet op de omstandigheden waaronder verdachte de doos met daarin de kogelpatronen in bezit heeft gekregen, het meekomen met een partij hennepgerelateerde spullen via Marktplaats, verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van deze munitie.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde feit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de munitie. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt enkel dat de kogelpatronen zich in een zakje in een kistje bevonden, onder foto’s van onbekende mensen. Het kistje werd in een doos aangetroffen. Verdachte had hiervan geen enkele wetenschap.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De situatie in de garagebox waarin de kogelpatronen werden aangetroffen was chaotisch en onoverzichtelijk. De garagebox was gevuld met verschillende dozen en voorwerpen die verdachte naar eigen zeggen had ingekocht via Marktplaats.
De kogelpatronen bevonden zich in een zakje in een afgesloten kistje, onder meerdere foto’s. Het kistje bevond zich in een doos. Bij het optillen van het kistje was gerinkel te horen, waardoor de verbalisanten het kistje hebben geopend en de kogelpatronen aantroffen. Er stonden dusdanig veel andere spullen in de garagebox en rondom de doos waarin het kistje werd aangetroffen, waardoor de kogelpatronen aan het zicht waren onttrokken. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij handelde in spullen die hij inkocht op Marktplaats en vaker grote hoeveelheden inkocht.
Het hof kan gelet op voorgaande met onvoldoende mate van zekerheid vaststellen dat bij verdachte een meer of mindere mate van bewustheid van de aanwezigheid van de munitie aanwezig was. Het hof spreekt verdachte daarom vrij.
Overweging ten aanzien van het bewijs
Ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde
Het hof volstaat ten aanzien van het hierna bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het hierna bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig op de zitting van het hof heeft bekend en door de verdediging ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak is bepleit. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs te twijfelen.
Bewijsmiddelen feit 1
Bewijsmiddelen feit 3
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op 27 september 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1855 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3.hij op 27 september 2024 te [plaats] , stoffen en voorwerpen heeft voorhanden gehad, te weten:
- in zijn garagebox en bestelbus: ventilatoren, luchtslangen, transformatoren, armaturen, lampen, Jerrycans (merk: Gout), kweektenten, bamboestokken, elektrische kachels, zakken potgrond, cannacutter, elektriciteitskabels, een of meerdere dozen met daarin een of meerdere zakken potgrond, een doos met daarin een nieuw koolstoffilter, een doos met daarin een slakkenhuis en
- in zijn woning: meerdere vuilniszakken met daarin een of meerdere transformatoren, een schakelklok, luchtslangen, bamboestokjes, grondzeil en meerdere zakken henneptoppen voorhanden heeft gehad, te weten:
- een bestelbus (kenteken: [kenteken] ) en een garagebox, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken en tot een geldboete ter hoogte van € 1.220,00.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht te volstaan met oplegging van een taakstraf. Daarnaast heeft raadsman verzocht om het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 1.220,00 in mindering te brengen op de geldboete zoals geëist door de advocaat-generaal.
Oordeel van het hof
De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting van het hof is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een het voorhanden hebben van 1,85 kilogram hennep en kweekmaterialen. Hiermee heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. (Soft)drugs leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. Het exploiteren in woningen van hennepkwekerijen zorgt geregeld voor brandgevaarlijke situaties. Verdachte, die eerder voor hennepgerelateerde feiten onherroepelijk is veroordeeld is kennelijk enkel uit geweest op eigen financieel gewin.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de door verdachte en de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de gebleken recidive, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – zoals opgelegd door de politierechter en geëist door de advocaat-generaal – in beginsel passend en geboden.
Op de zitting van het hof is door verdachte en de raadsman onvoldoende onderbouwd waarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zodanig inbreuk maakt op verdachte’s toekomstplannen en in plaats daarvan een taakstraf opgelegd zou moeten worden. Het hof acht de geschetste persoonlijke omstandigheden niet zodanig dat van een gevangenisstraf kan worden afgezien. Daarnaast was verdachte een gewaarschuwd man, doordat hij in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit en vormt bovendien artikel 22b een belemmering voor het enkel opleggen van een taakstraf.
Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken passend en geboden.
Het hof is, alles afwegend, van oordeel dat daarnaast – zoals gevorderd – een geldboete van € 1.220,00 aan verdachte dient te worden opgelegd. Het hof heeft hierbij de draagkracht van verdachte in aanmerking genomen.
Vordering tot tenuitvoerlegging 18-038531-21
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met parketnummer 18-038531-21 moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging verzocht die ten uitvoer te leggen in die zin dat die wordt omgezet in een taakstraf.
Oordeel van het hof
Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Het hof verbindt daar consequenties aan en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden onder parketnummer 18-038531-21 toe. Het hof ziet in de door verdachte en de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden onvoldoende aanleiding om de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Beslag
De advocaat-generaal heeft verzocht om aan te sluiten bij de eis van de officier van justitie met betrekking tot het beslag.
Oordeel van het hof
Het hof acht de bouw- en installatiematerialen zoals opgenomen op de ruimlijst in hun gezamenlijkheid, de 1,85 KG hennep en de munitie (kogelpatronen) vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu zij van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemene belang.
Met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 1.220,80 stelt het hof vast dat hier conservatoir beslag op rust. Daarom zal het hof in dit arrest geen beslissing nemen over het geldbedrag.
Het hof vindt in de bovenstaande overwegingen en beslissingen aanleiding om niet over te gaan tot het opleggen van de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 3, 11 en 11a, van de Opiumwet en artikel 22b, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.220,00 (duizend tweehonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- bouw- en installatiematerialen zoals opgenomen op de ruimlijst
- 1,85 KG hennep
- munitie (kogelpatronen).
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 december 2021, parketnummer 18-038531-21, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. J. Hielkema en mr. F. van der Maden, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 augustus 2026.