GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.357.774 en 200.357.879
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 584044
beschikking van 4 augustus 2026
in de zaak 200.357.774 van
1. [appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1] (België)
2. Oostappen Groep B.V. (Oostappen)
die is gevestigd in Asten
advocaat: mr. E.C.M. Braun
en
1. De Staat der Nederlanden
(Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën) (de Staat)
die zetelt in ’s-Gravenhage,
advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke
met als belanghebbende
2. Vereniging Hiswa Recron (Hiswa)
die is gevestigd in Leusden
advocaat: mr. T.T.P. van Tilburg
en in de zaak 200.357.879 van
1. De Staat der Nederlanden
(Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën) (de Staat)
die zetelt in ’s-Gravenhage,
advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke
en
1. [appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1] (België)
2. Oostappen Groep B.V. (Oostappen)
die is gevestigd in Asten
advocaat: mr. E.C.M. Braun
[appellant] en Oostappen zullen hierna gezamenlijk [appellant] c.s. (mannelijk enkelvoud) worden genoemd.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
De Staat en [appellant] c.s. hebben bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 20 juni 2025 toestemming gekregen voor het instellen van hoger beroep tegen de tussenbeschikking die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 14 mei 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). De Staat heeft op 17 juli 2025 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de bestreden beschikking. [appellant] c.s. heeft op 18 juli 2025 zelfstandig hoger beroep ingesteld bij het hof tegen de bestreden beschikking.
Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.357.774 blijkt uit:
het beroepschrift van [appellant] c.s.
een brief van [appellant] c.s. van 11 september 2025 met onder meer bijlagen B 1-3
het verweerschrift van Hiswa
het verweerschrift van de Staat
een akte inhoudende overlegging producties van [appellant] c.s. met bijlagen 3 en 4.
Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.357.879 blijkt uit:
het beroepschrift van de Staat
het verweerschrift van [appellant] c.s.
een akte houdende overlegging producties van [appellant] c.s. met bijlagen 3 en 4.
De mondelinge behandeling in beide zaken heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Het hof heeft daarvan een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
Na de mondelinge behandeling heeft een rechterswissel plaatsgevonden. Partijen zijn bij brief van het hof van 7 juli 2026 in de gelegenheid gesteld een nadere mondelinge behandeling te verzoeken, maar hebben daar binnen de gegeven termijn geen gebruik van gemaakt.
2. De kern van de zaak
[appellant] c.s. heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Volgens [appellant] c.s. werkt het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC, een overheidsdienst die de overheid en private partijen
ondersteunt bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit) met diverse partners samen om Oostappen uit de markt te drukken. In dat kader heeft het Openbaar Ministerie (OM) - naar zeggen van [appellant] c.s. - onrechtmatig jegens hem gehandeld door in opdracht van het RIEC strafrechtelijk en strafvorderlijk tegen hem op te treden. Hiswa heeft eveneens onrechtmatig jegens hem gehandeld door onder invloed van het RIEC (en/of haar partners) het besluit te nemen om Oostappen het lidmaatschap te ontzeggen, dan wel het lidmaatschap van Oostappen op te zeggen. Over deze onderwerpen wil [appellant] c.s. getuigen horen.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] c.s. toegewezen voor zover het ziet op de druk/invloed van het RIEC (of haar partners) op Hiswa met betrekking tot de besluiten tot de ontzegging en opzegging van het lidmaatschap van Oostappen. In dat kader mogen naar het oordeel van de rechtbank de volgende personen worden gehoord: mevrouw [naam1] (door de rechtbank aangeduid als “waarschijnlijk Project Secretaris in de stuur- en weeggroep”), mevrouw [naam2] (voorheen juridisch adviseur bij het LIEC en RIEC), de heer [naam3] (Taskforce RIEC Brabant-Zeeland), de heer [naam4] (voorheen lid Taskforce Georganiseerde Ondermijnende Criminaliteit/Stuurgroep RIEC en Voorzitter Districtelijke Integrale Stuur- en weegploeg), de heer [naam5] (Regional Manager Noord-Brabant & Limburg bij Hiswa) en de heer [naam6 ] (directeur van Hiswa). Het meer of anders gevraagde heeft de rechtbank afgewezen.
De bedoeling van het hoger beroep van de Staat (in de zaak met zaaknummer 200.357.879) is dat het toegewezen verzoek met betrekking tot mevrouw [naam1] (niet Project Secretaris bij het LIEC en RIEC, maar parketsecretaris) alsnog wordt afgewezen.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] c.s. (in de zaak met zaaknummer 200.357.774) is dat zijn verzoek voor zover het is afgewezen alsnog (volledig) wordt toegewezen.
Het hof zal in het hoger beroep van de Staat beslissen dat de Staat niet-ontvankelijk is in zijn beroep. In het hoger beroep van [appellant] zal het hof beslissen dat het verzoek van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen (voor zover het ziet op het verzoek jegens de Staat). Er is anders sprake van een daadwerkelijke verstoring van het onderzoek bij de strafrechter die zo zwaarwegend is dat het belang van [appellant] bij het voorlopig getuigenverhoor daar nu voor moet wijken. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat de beschikking van de rechtbank in stand.
3. De feiten
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 3.1 tot en met 3.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten – voor zover in hoger beroep nog relevant – neer op het volgende:
Met betrekking tot de strafrechtelijke vervolging
In oktober 2018 is tegen [appellant] c.s. een strafrechtelijk onderzoek gestart. De
verdenking jegens Oostappen betreft het opzettelijk plegen van fiscale delicten. De verdenking jegens [appellant] betreft het opdracht geven tot dan wel feitelijk leidinggeven aan bet plegen van deze strafbare feiten.
[appellant] en Oostappen zijn gedagvaard. De mondelinge behandeling van de strafrechtelijke procedure heeft plaatsgevonden in januari en februari 2025.
Bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2025 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en is aan Oostappen een voorwaardelijke geldboete van € 250.000,- opgelegd en verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 243.675,-.
In beide zaken is hoger beroep ingesteld.
Op 19 maart 2026 en 2 april 2026 hebben in het hoger beroep mondelinge behandelingen in de strafrechtelijke procedure tegen [appellant] plaatsgevonden. Daarbij zijn onder meer onderzoekswensen van de verdediging besproken.
4. De toelichting op de beslissing van het hof
In de zaak met zaaknummers 200.357.879 en 200.357.774
- nieuw bewijsrecht van toepassing
Het verzoekschrift van [appellant] c.s. tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is bij de rechtbank ingekomen op 12 november 2024. Omdat het verzoekschrift was ontvangen vóór de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (hierna: nieuw bewijsrecht) heeft de rechtbank het verzoek beoordeeld op basis van het oude bewijsrecht. De beschikking van de rechtbank is vervolgens na de inwerkingtreding van het nieuw bewijsrecht uitgesproken op 14 mei 2025. Omdat het hoger beroep eveneens is ingesteld ná de inwerkingtreding van het nieuw bewijsrecht, is in hoger beroep wel het nieuwe bewijsrecht van toepassing. Het hof zal in het navolgende dan ook uitgaan van het nieuwe bewijsrecht bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
- ontvankelijkheid van [appellant] c.s. en de Staat in hoger beroep
Zowel [appellant] c.s. als de Staat hebben de rechtbank verzocht om op grond van artikel 200 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv, nieuw bewijsrecht) toestemming te verlenen voor het instellen van hoger beroep. De rechtbank heeft deze toestemming bij beschikking van 20 juni 2025 verleend.
De vraag of er hoger beroep open staat tegen de bestreden beschikking moet in dit geval echter nog worden beantwoord naar het oude bewijsrecht. Artikel 200 lid 2 Rv, dat de regeling van hoger beroep volgens het nieuwe bewijsrecht bepaalt, is hier niet van toepassing. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 6 februari 2026 uiteengezet dat bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in het nieuw bewijsrecht met betrekking tot het openstaan van rechtsmiddelen en de termijn voor het indienen daarvan, moet worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. Het uitgangspunt is, dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak betreft (artikel 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek). Dat brengt met zich dat wanneer ná 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te houden dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.
Op grond van artikel 188 lid 2 Rv (oud bewijsrecht) is tegen de beslissing op een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor geen hogere voorziening toegelaten, voor zover het verzoek is toegewezen. Dit betekent in dit geval dat [appellant] c.s. (ook zonder toestemming van de rechtbank) hoger beroep in kon stellen tegen de beslissing van de rechtbank, omdat het hoger beroep van [appellant] c.s. zich richt tegen het afgewezen gedeelte van de beslissing. De Staat kon echter (in beginsel) geen hoger beroep instellen tegen het toewijzende gedeelte van de beslissing van de rechtbank.
Volgens vaste rechtspraak kan een wettelijk rechtsmiddelenverbod worden doorbroken in het geval dat de rechter bij de behandeling van de zaak buiten het toepassingsgebied van artikel 186 Rv is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Dat hier sprake is van een dergelijke doorbrekingsgrond is naar het oordeel van het hof niet, dan wel onvoldoende gebleken en de Staat heeft dat ook niet aangevoerd.
De Staat heeft zich wel op het standpunt gesteld dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij met het verlof van de rechtbank hoger beroep kon instellen tegen de toewijzing van het verzoek (voor zover dat mevrouw [naam1] betreft). Daartoe voert de Staat aan dat de rechtbank in haar beschikking van 20 juni 2025 uitdrukkelijk heeft bepaald dat hoger beroep voor de Staat open staat. De Staat heeft ter verdere onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar uitspraken van de Hoge Raad van 21 juni 2024 en 28 januari 2022.
Het hof volgt dit standpunt niet. Er is hier sprake van een wettelijk rechtsmiddelenverbod. De rechtbank was naar het oude bewijsrecht niet bevoegd om te bepalen dat hoger beroep kon worden ingesteld van het toegewezen deel van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dat er op dat moment nog onduidelijkheid bestond over de toepasselijkheid van oud of nieuw bewijsrecht, maakt dat niet anders. Het hof ziet ook geen aanleiding om aan te knopen bij de door de Staat genoemde uitspraken van de Hoge Raad van 21 juni 2024 en 28 januari 2022. Deze uitspraken zien op de toepassing van bepalingen waarbij de wet wel voorziet in de mogelijkheid dat de rechter tussentijds hoger beroep toestaat. In die gevallen bracht de rechtszekerheid mee dat ervan moest worden uitgegaan dat er verlof voor tussentijds hoger beroep was gegeven. Het verlof van de rechtbank in deze zaak kan geen bevoegdheid creëren om een rechtsmiddel in te stellen waar die eerder niet bestond.
Uit het voorgaande volgt dat de Staat niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.
In de zaak met zaaknummer 200.357.774
- omvang hoger beroep
Desgevraagd heeft [appellant] c.s. tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat het beroepschrift zich niet richt tegen Hiswa Recron en dat dit ook geldt voor de in het beroepschrift verzochte proceskostenveroordeling. Het hof zal hier in het navolgende rekening mee houden en alleen ingaan op de inhoudelijke standpunten van [appellant] c.s. en de Staat.
- toetsingskader
In de memorie van toelichting bij het nieuwe bewijsrecht wordt het belang van vroegtijdige feitenopheldering voor het bepalen van de eigen rechtspositie en het vastleggen van bewijsmateriaal benadrukt. Dit brengt mee dat de rechter een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel toewijst. Het recht op een voorlopige bewijsverrichting is ook onder het nieuwe bewijsrecht echter niet onbegrensd. De rechter moet rekening houden met de bescherming van de belangen van de andere betrokkenen en zogenaamde “fishing expeditions” voorkomen.
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, indien het verzoek voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt en voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen. Uit artikel 196 lid 2 Rv volgt dat de rechter een dergelijk verzoek toewijst, tenzij de rechter van oordeel is dat:
a. de verlangde informatie niet voldoende bepaald is;
b. er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. er sprake is van misbruik van bevoegdheid;
e. er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De enkele omstandigheid dat in het voorlopig getuigenverhoor dezelfde vragen aan de orde (kunnen) komen of dezelfde feiten (kunnen) worden onderzocht als in een procedure bij een andere rechter, kan geen grond voor afwijzing van het verzoek zijn.
Een beperking in verband met een procedure voor een andere rechter kan echter wel gerechtvaardigd zijn ingeval aannemelijk is dat de omstandigheid dat in het voorlopig getuigenverhoor dezelfde vragen aan de orde (kunnen) komen of dezelfde feiten (kunnen) worden onderzocht als in een procedure bij een andere rechter, zal leiden tot een daadwerkelijke verstoring van het onderzoek dat plaatsvindt bij die andere rechter. Het belang dat die verstoring achterwege blijft, kan onder omstandigheden zo zwaarwegend zijn dat het belang van de verzoeker bij het desbetreffende voorlopige getuigenverhoor daarvoor moet wijken, zolang dat zwaarwegende belang dat vergt. Een en ander vergt een afweging van de betrokken belangen.
- het verzoek van [appellant] c.s. wordt afgewezen omdat er een afwijzingsgrond van toepassing is
Het hof is van oordeel dat er in dit geval sprake is van een gewichtige reden die zich verzet tegen de voorlopige bewijsverrichting, zodat het verzoek niet toewijsbaar is. Het hof heeft hierbij het volgende meegewogen.
-- er is sprake van een daadwerkelijke verstoring van het onderzoek bij de strafrechter
[appellant] c.s. handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat de juridische grondslag voor zijn vordering is gelegen in onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Volgens [appellant] c.s. was het strafvorderlijke optreden jegens hem van aanvang af in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm en doet zich de eerste situatie als weergegeven in het Begaclaim-arrest voor. Door in opdracht van het RIEC strafrechtelijk tegen hem op te treden heeft het Openbaar Ministerie misbruik gemaakt van haar bevoegdheden en het verbod op willekeur geschonden, aldus [appellant] . Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] c.s. nader toegelicht dat de vordering nu is uitgewerkt aan de hand van de Begaclaim-jurisprudentie, maar dat hij de mogelijkheid open wil houden om zich naast het beroep op de schending van een publiekrechtelijke rechtsnorm te beroepen op misbruik van bevoegdheid, in die zin dat zelfs indien de vervolging rechtmatig was de manier waarop is vervolgd onrechtmatig was. Het getuigenverhoor dient volgens [appellant] c.s. om bewijs te verzamelen om een afweging te (kunnen) maken of het zin heeft de Staat in rechte te betrekken.
Ten tijde van het verzoek van [appellant] c.s. in eerste aanleg liep de strafzaak, ook in eerste aanleg, tegen [appellant] c.s. nog. [appellant] c.s. heeft het argument dat er sprake is van onrechtmatige strafvervolging ook in de strafzaak aangevoerd en in dat verband gevraagd om getuigen te horen over de invloed van het RIEC op de beslissing om tot strafvervolging over te gaan. De strafrechter heeft dat verzoek op de regiezitting afgewezen. De strafrechter heeft vervolgens op 15 april 2025 uitspraak gedaan en (onder meer) geoordeeld dat de bespreking van de verdachten in het RIEC-verband geen onrechtmatigheden in de sfeerovergang (de overgang van de bestuursrechtelijke controlefase in de strafrechtelijke opsporingsfase) oplevert. Niet gebleken is dat de bespreking van de verdachten in RIEC-verband voor de officieren van justitie doorslaggevend is geweest voor de beslissing om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Aan de criteria uit het Protocol AAFD was voldaan en deze criteria zijn gewogen bij de beslissing om over te gaan tot een onderzoek gericht op strafrechtelijke afdoening. Dat de verdachten ook in RIEC-verband zijn besproken met het oog op coördinerend handhavend optreden door de overheid en haar organen, betekent niet dat het OM daarom van een strafrechtelijk onderzoek of beslissing tot vervolging had moeten afzien, aldus de strafrechter.
Inmiddels loopt de strafzaak tegen [appellant] c.s. in hoger beroep. Op 19 maart en 2 april 2026 is de zaak van [appellant] op de zitting behandeld. In het proces-verbaal van deze terechtzittingen heeft de strafkamer van het hof (onder meer) het volgende overwogen. Op het eerste gezicht lijken de tekortkomingen die bij de diverse belastingcontroles zijn geconstateerd de start van het onderzoek zelfstandig te kunnen dragen, dit in overeenstemming met het oordeel van de rechtbank op dit punt. Het staat de verdediging vrij om bij de inhoudelijke behandeling op dat punt verweer te voeren en daarbij kan niet worden uitgesloten dat het hof uiteindelijk tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. Het hof is bij die stand van zaken van oordeel dat het gevraagde onderzoek naar de rol van het RIEC bij deze zaak niet kan leiden tot relevante informatie voor enige op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissingen. Het hof heeft vervolgens in het proces-verbaal van 2 april 2026 het verzoek van [appellant] om de getuigen [naam7] , [naam1] , [naam8] , [naam9] , [naam10] en [naam11] te horen afgewezen. Voor de getuige [naam12] geldt naar het hof begrijpt hetzelfde als voor de getuige [naam7] , hoewel deze getuige in de beslissing niet meer expliciet wordt genoemd. De getuige [naam13] komt niet terug in het proces-verbaal van 2 april 2026, omdat het OM zich in eerste aanleg niet heeft verzet tegen het horen van deze getuige en hij in eerste aanleg reeds is gehoord. De getuige [naam14] wordt niet genoemd in het proces-verbaal van 2 april 2026.
Naar het oordeel van het hof is hier niet alleen sprake van de omstandigheid dat in het voorlopig getuigenverhoor dezelfde vragen aan de orde (kunnen) komen of dezelfde feiten (kunnen) worden onderzocht als in de strafrechtprocedure bij het hof, maar ook dat dit in het onderhavige geval zal leiden tot een daadwerkelijke verstoring van het onderzoek dat plaatsvindt in de strafrechtprocedure bij het hof. De strafrechter heeft in het strafrechtelijke proces een regiefunctie. In dit geval heeft de strafrechter in hoger beroep besloten dat er geen reden bestaat om de hiervoor genoemde getuigen te horen over de rol van het RIEC bij deze zaak. Naar het oordeel van het hof strekt dit oordeel van de strafrechter zich ook uit tot [naam14] . [appellant] wil ook haar immers horen vanwege de rol van het RIEC, terwijl de strafkamer van het hof, zonder enig voorbehoud, heeft overwogen, dat het van oordeel is “dat het gevraagde onderzoek naar de rol van het RIEC bij deze zaak niet kan leiden tot relevante informatie voor enige op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissingen en worden de daaraan verbonden onderzoekswensen afgewezen”. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat deze beslissing voor juist moet worden gehouden en dat deze beslissing niet in een civiele procedure kan worden omzeild door daarin op dit moment (alsnog) toe te staan dat deze getuigen (alsnog) worden gehoord. [appellant] c.s. heeft desgevraagd ook in hoger beroep aangegeven niet uit te sluiten dat de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen worden ingebracht in de strafrechtprocedure. Dat levert op dit moment een daadwerkelijke verstoring van de regiefunctie van de strafrechter in een nog lopende strafzaak op.
- het belang van het achterwege blijven van de verstoring is zo zwaarwegend dat het belang van [appellant] c.s. daarvoor moet wijken
[appellant] c.s. heeft aangevoerd dat hij een groot belang heeft bij de getuigenverhoren vanwege de vordering die hij wenst in te stellen tegen de Staat. Het gaat volgens [appellant] c.s. om een miljoenenvordering. Het mag van hem niet worden gevraagd jarenlang, de strafzaak in hoger beroep afwachtend, te wachten met de getuigenverhoren. Niet alleen worden de getuigenverklaringen met de jaren minder geloofwaardig, maar door dit tijdsverloop wordt [appellant] c.s. ook ernstig geschaad in zijn recht op een eerlijk proces, aldus [appellant] c.s..
Hiertegenover staat het belang van de Staat. Volgens de Staat is het onbelemmerd voortgang vinden van de strafrechtspraak een zwaarwegend maatschappelijk belang. Voorkomen moet worden dat de strafrechter niet meer zelf de beoordeling kan maken of getuigen moeten worden gehoord over de verwijten die [appellant] c.s. aan het Openbaar Ministerie maken, aldus de Staat.
Het hof is van oordeel dat er hier in geval van toewijzing sprake zal zijn van een daadwerkelijke verstoring van de strafrechtprocedure en in het bijzonder van de regiefunctie van de strafrechter, die zo zwaarwegend is dat het belang van [appellant] c.s. daarvoor moet wijken. Er is hier sprake van een regiebeslissing van de strafrechter over dezelfde vragen en dezelfde getuigen als die in het verzoek om het voorlopig getuigenverhoor spelen. De strafrechter heeft hierover een beslissing genomen. Rekening dient te worden gehouden met het zwaarwegende maatschappelijke belang dat de onderhavige strafzaak ongestoord moet kunnen worden doorlopen zonder doorkruisende civielrechtelijke procedures. Hiertegenover staat dat een deel van de informatie die [appellant] c.s. via de onderhavige procedure wenst te verkrijgen reeds via de toewijzing van de onderzoekswensen in de strafrechtelijke procedure is verkregen of kan worden verkregen. Zo is de getuige [naam13] in eerste aanleg gehoord en heeft het hof in het proces-verbaal van 2 april 2026 bepaald dat vragen die [appellant] c.s. aan de zaaksofficier ( [naam7] ) en parketsecretaris ( [naam1] ) heeft aan de advocaat-generaal kunnen worden gesteld. Daarnaast geldt dat het belang van [appellant] c.s. slechts moet wijken zolang het zwaarwegend belang van de Staat dat vergt.
De conclusie
Uit het voorgaande volgt dat het hof – evenals de rechtbank – komt tot een afwijzing van het verzoek van [appellant] c.s. tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, voorzover dit ziet op het verzoek jegens de Staat.
Het hoger beroep van de Staat is niet-ontvankelijk en het hoger beroep van [appellant] c.s. faalt.
In de zaak met zaaknummer 200.357.879 zal de Staat worden veroordeeld in de proceskosten en in de zaak met zaaknummer 200.357.774 zal [appellant] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten. Met betrekking tot Hiswa Recron stelt het hof de proceskosten op nihil gezien de beperkte strekking en inhoud van het verweerschrift.
5. De beslissing
Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.357.774
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 14 mei 2025;
veroordeelt [appellant] tot betaling van een bedrag van € 2.580.00 aan salaris van de advocaat van de Staat (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Hiswa Recron en stelt die vast op nihil.
In de zaak met zaaknummer 200.357.879
verklaart de Staat niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
veroordeelt de Staat tot betaling van een bedrag van € 2.580.00 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Verkijk, S.C.P. Giesen en G.A. Diebels, en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.