GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.847
zaaknummer rechtbank 11967924
proces-verbaal van uitspraak als bedoeld in artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Proces-verbaal van de openbare mondelinge behandeling van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 6 januari 2026, door mrs. L.A. de Vrey, voorzitter, A.A. van Rossum en M.J.P. Heijmans, leden, bijgestaan door S. Burgmans, griffier,
in de zaak van:
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool
tegen
Woningstichting Veenvesters
die is gevestigd in Veenendaal
hierna: Veenvesters
advocaat: mr. M.J. Jeths
Van de mondelinge behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof de zitting geschorst voor overleg in raadkamer. Vervolgens is de zaak uitgeroepen voor uitspraak en heeft het hof in het openbaar mondeling uitspraak gedaan (artikel 29a Rv). Deze luidt als volgt.
1. De motivering van de beslissing
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 15 oktober 2025 (met nummer 11506388) heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort, [appellant] veroordeeld om de door hem gehuurde woning aan de [adres] in [woonplaats] binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Dit vonnis wordt hierna aangeduid als het bodemvonnis. Tegen het bodemvonnis is hoger beroep ingesteld door [appellant] (bij dit hof bekend onder nummer 200.362.017). Veenvesters heeft de ontruiming aangezegd tegen 27 november 2025.
[appellant] heeft op 18 november 2025 Veenvesters gedagvaard in kort geding en heeft gevorderd dat het bodemvonnis wordt geschorst voor wat betreft de ontruiming van de woning in afwachting van de uitspraak van het hof in het hoger beroep van het bodemvonnis. Subsidiair eist [appellant] dat Veenvesters binnen een termijn van zes maanden niet tot ontruiming mag overgaan. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen bij vonnis van 10 december 2025 (hierna: het executievonnis). [appellant] is het hier niet mee eens en heeft ook hiertegen hoger beroep ingesteld.
Het hof hanteert hetzelfde toetsingskader als de voorzieningenrechter heeft toegepast in het executievonnis, te weten het toetsingskader uit de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019. Het hof neemt r.o. 3.2. van het executievonnis over. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een kennelijke misslag.
Omdat in het executievonnis de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet is gemotiveerd, dient het hof, net als de voorzieningenrechter, de belangen van partijen alsnog af te wegen, volgens de lijn van de uitspraak van de Hoge Raad die hiervoor is genoemd. Het hof is, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van [appellant] uitvalt en licht dat als volgt toe.
Veenvesters heeft als belangen genoemd dat er sprake is grote woningnood in de sociale sector en dat zij het woongenot van haar andere huurders moet waarborgen. Zij heeft er ter zitting op gewezen dat twee huurders (van nummers 9 en 23) erg lijden onder de door hen gemelde overlast en voornemens zijn bij de huurcommissie om een huurprijsvermindering te vragen.
[appellant] heeft als belang genoemd dat hij een zeer kwetsbare huurder is, zoals blijkt uit de diverse verklaringen van zijn begeleiders en de uitdraai uit het huisartsjournaal van huisarts [naam] (van 25 november 2025). Hij heeft geen adequate vervangende woonruimte en hij heeft veel begeleiding nodig om zich staande te houden. Op dit moment heeft hij, zo blijkt uit de stukken, drie begeleiders die hem meerdere malen per week begeleiding bieden om zijn situatie stabiel te houden.
Het hof heeft in zijn oordeel betrokken dat niet alle omwonenden overlast ervaren, maar dat de meldingen van twee buren afkomstig zijn (nummer 9 en nummer 23). In het dossier zitten verklaringen van de bewoners van nummer 13 en 7. Nummer 13 heeft een woonkamer die direct grenst aan de woonkamer van [appellant] . Deze bewoners verklaren in een verklaring van 13 juni 2025 dat het enige geluid dat zij af en toe horen, het dichtgaan van de voordeur is. De bewoner van nummer 7 zegt in een verklaring van 12 september 2025 zelf nooit overlast van [appellant] te hebben. Daarbij komt dat in dit hoger beroep door [appellant] nieuwe stukken zijn overgelegd, die sommige gedane overlastmeldingen concreet en onderbouwd weerleggen. In deze kortgedingprocedure kan en mag het hof de betrouwbaarheid van de overlastmeldingen niet ten volle toetsen. Gelet hierop en gelet op het grote belang van [appellant] bij het behoud van de woning weegt zijn belang zwaarder dan het belang van Veenvesters bij tenuitvoerlegging van het bodemvonnis. Het hof heeft daarbij betrokken dat weliswaar uitgangspunt is dat een veroordeling hangende een hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad dient te zijn, maar dat in deze zaak de bodemprocedure in hoger beroep al ver gevorderd is (het hof heeft begrepen dat deze procedure inmiddels voor memorie van antwoord staat op 27 januari 2026).
De conclusie is dat het hoger beroep slaagt. Het hof wijst de primaire vordering toe en veroordeelt Veenvesters in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
2. De beslissing:
Het hof:
vernietigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2025 en doet opnieuw recht:
verbiedt Veenvesters om uitvoering te geven aan het vonnis van de kantonrechter van 15 oktober 2025, zolang op het door [appellant] ingestelde hoger beroep nog niet is beslist;
veroordeelt Veenvesters tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant]
in eerste aanleg: € 148,04 aan kosten voor betekening van de dagvaarding en € 543,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief;
in hoger beroep: € 362 aan griffierecht en € 2.428,- (2 punten x appeltarief II) voor salaris advocaat;
verklaart de proceskostenveroordeling in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
De voorzitter deelt mee dat een afschrift van het proces-verbaal binnen twee weken aan partijen wordt toegestuurd en sluit de zitting.
Dit proces-verbaal is ondertekend door de voorzitter.