GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.339.628
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 538615
arrest van 4 augustus 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A.C. de Bakker
tegen
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
In het tussenarrest van 6 mei 2025 heeft het hof beslist dat [appellante] bewijs mag leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat erflaatster met haar testament heeft bedoeld dat beide erfgenamen gelijk zouden worden behandeld, dat de huwelijksvoorwaarden tussen erflaatster en haar ex-echtgenoot een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de schenking van de woning aan [geïntimeerde] en dat de echtscheiding een onvoorziene omstandigheid is van dien aard dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de schenking van de woning niet mag verwachten.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
het verslag (proces-verbaal) van het getuigenverhoor dat op 14 november 2025 is gehouden
De memorie en antwoordmemorie na getuigenverhoor.
2. De kern van de zaak
Het hof is van oordeel dat [appellante] niet in het bewijs is geslaagd. Dat betekent dat het saldo van de nalatenschap hetzelfde blijft als de rechtbank heeft vastgesteld. Verder beslist het hof over het aanvullend beroep van [appellante] op haar legitieme portie, en op de vraag of het woongenot dat [geïntimeerde] had in de jaren voordat zij de woning kocht een gift is. Het hof oordeelt dat dit (niet) zo is.
3. De toelichting van de beslissing van het hof
incidenteel hoger beroep
[geïntimeerde] voert in haar incidenteel hoger beroep (grief 1) in de eerste plaats het volgende aan. Als [appellante] beroep doet op de legitieme portie heeft zij niet meer de positie van erfgename, want in het testament van erflaatster staat dat als een nakomeling niet in de in het testament gemaakte beschikkingen berust en op grond van de wet recht zou hebben op een legitieme portie, voor die legitimaris de wettelijke regels van plaatsvervulling niet van toepassing zijn. De legitimaire aanspraak van [appellante] is lager dan haar erfrechtelijke aanspraak zou zijn geweest, en daarom moet zij het door [geïntimeerde] ingevolge het vonnis van de rechtbank betaalde bedrag van € 1.024,02 terugbetalen, aldus [geïntimeerde] . [appellante] heeft dit betwist.
3. 2 Het hof oordeelt als volgt. In het testament van erflaatster staat onder 3.:
“Voor het geval een nakomeling niet in de door mij gemaakte beschikkingen berust en de ten tijde van mijn overlijden geldende wet hem een legitieme portie toekent, bepaal ik dat voor die legitimaris de wettelijke regels van plaatsvervulling niet van toepassing zijn voor zover ik dit niet al heb bepaald en dat de vordering van die legitimaris allereerst dient te worden ingesteld tegen mijn echtgenoot en pas opeisbaar is bij zijn overlijden."
Vast staat dat [appellante] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. Zij heeft slechts een aanvullend beroep op de legitieme portie gedaan, voor het geval de schenkingsovereenkomst niet wordt ontbonden. Zij zegt met dat aanvullend beroep (gedaan bij inleidende dagvaarding van 20 april 2022, punt 34) op de legitieme portie dat met het in de nalatenschap aanwezige erfdeel aan haar legitieme portie tekort wordt gedaan, omdat er in het verleden aan [geïntimeerde] een grote schenking heeft plaatsgevonden die voor de berekening van de legitieme portie bij de waarde van de legitimaire massa betrokken moet worden. Daarmee kan niet gezegd worden dat [appellante] niet heeft berust in de in het testament gemaakte beschikkingen. De redenering dat [appellante] vanwege haar aanvullend beroep op de legitieme portie geen erfgenaam meer is, gaat dus niet op. Uit het systeem van afdeling 3 van boek 4 BW (De legitieme portie) volgt dat, voor zover het saldo van de nalatenschap reikt, [appellante] de status van erfgenaam heeft, en dat zij voor het meerdere een legitimaire vordering heeft op de nalatenschap. Dit betekent dat bij de berekening van de waarde van de legitimaire massa de in artikel 4:67 BW genoemde giften in aanmerking moeten worden genomen. Dan moet worden beoordeeld welke giften aan beide erfgenamen zijn gedaan en wat daarvan de omvang is. Aan de zijde van [geïntimeerde] gaat dat dan om de vraag of en in hoeverre zij door in de jaren 2002-2014 relatief goedkoop te kunnen wonen in de woning een gift van erflaatster heeft ontvangen die bij de berekening van de legitimaire massa moet worden betrokken. Aan de zijde van [naam1] / [appellante] gaat het om de vraag in hoeverre betaling van bepaalde kosten in het levensonderhoud en studie door erflaatster bij de berekening van de legitimaire aanspraak moet worden betrokken.
principaal hoger beroep
Ontbinding van de schenking? (grief 1)
[appellante] vraagt om de schenkingsovereenkomst de woning van 26 mei 2014 te ontbinden op grond van een onvoorziene omstandigheid van zodanige aard dat [geïntimeerde] op grond van de redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de schenkingsovereenkomst mag verwachten. Het hof heeft [appellante] in verband daarmee in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat erflaatster met haar testament heeft bedoeld dat beide erfgenamen gelijk zouden worden behandeld, dat de huwelijksvoorwaarden tussen erflaatster en haar ex-echtgenoot een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de schenking van de woning aan [geïntimeerde] en dat de echtscheiding een onvoorziene omstandigheid is van dien aard dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de schenking van de woning niet mag verwachten.
[appellante] heeft als getuigen laten horen de heer [naam2] (hierna: de notaris) en de heer [naam3] , ex-echtgenoot van erflaatster. [geïntimeerde] heeft geen getuigen in tegenverhoor laten horen.
De notaris heeft verklaard dat de akte huwelijksvoorwaarden van 29 juli 2002 voor hem verleden is maar dat de inhoud daarvan door zijn voorganger is voorbereid, en dat het testament van 2006 en de akte van schenking en levering van de woning in 2014 door hem zijn voorbereid. Hij kan zich niet meer specifiek herinneren of bij het opmaken van de huwelijksvoorwaarden en het testament is gesproken over de verschillende situaties ingeval van ontbinding van het huwelijk door overlijden of door echtscheiding, maar daar wordt altijd over gesproken en er kan van uit gegaan worden dat dit heel uitgebreid is besproken. Voor de akte van 2014 zijn er drie contactmomenten tussen de notaris en erflaatster geweest, alle onder vier ogen, dus zonder aanwezigheid van andere belanghebbenden. De notaris weet zeker dat in die gesprekken de huwelijksvoorwaarden zijn besproken, dat het vermogen van de heer [naam3] vele malen groter was dan dat van erflaatster; dat is ook in 2002 en 2006 besproken. Ook bij het opmaken van de schenkingsakte is gesproken over de vermogenspositie van erflaatster. In die akte staat een verplichting om de schenking in te brengen in de nalatenschap, dus uiteraard wordt dan voorbesproken dat die schenking bij overlijden met het aandeel in de nalatenschap kan en moet worden verrekend. Een echtscheiding was op dat moment naar de indruk van de notaris totaal niet aan de orde. In de herinnering van de notaris is niet de situatie besproken waarin erflaatster zou komen te overlijden in het geval zij was gescheiden van haar echtgenoot.
Het doel van de inbrengverplichting was om het door de schenker bedachte voordeel van de schenking gelijk te trekken, dus dat betekent dat bij overlijden de schenking wordt verrekend met het erfdeel. Dat wil niet per se zeggen dat daarmee de kinderen uiteindelijk helemaal hetzelfde worden behandeld. In de akte kun je het voordeel dat je met de schenking geeft benoemen. Dus zoals het voordeel in de akte benoemd is, wordt het gelijk getrokken.
De aanleiding van de schenking was om dochter [geïntimeerde] de gelegenheid te geven om in de woning te kunnen blijven wonen tegen betaalbare lasten. Tegelijkertijd was ook de bedoeling gebruik te maken van de verhoogde vrijstelling van belasting bij het verkrijgen van een woning. Erflaatster werd op het moment van de schenking verzorgd in een herstellingsoord, en haar levensverwachting was op dat moment niet goed.
De ex-echtgenoot van erflaatster heeft verklaard dat er geen gedachte aan echtscheiding was ten tijde van de schenking door haar aan de oudste dochter. Hij weet niets van het testament van erflaatster uit 2006. Van de schenking in 2014 wist hij op dat moment niets. Erflaatster had ernstig ziek in het ziekenhuis gelegen, en is later naar een revalidatiehuis gegaan. Daar kwam toen ter sprake wat er met de erfenis moest gebeuren als zij zou komen te overlijden. De verstandhouding tussen haar beide dochters was destijds niet goed. Erflaatster wilde voorkomen dat het huis waarin [geïntimeerde] woonde verkocht zou worden. De getuige heeft erflaatster toen voorgesteld dat zij eventueel een jubelton zou kunnen schenken aan [geïntimeerde] , zodat die de woning kon kopen. Hij heeft gezorgd dat de notaris bij haar kwam in het verzorgingshuis, hij is daar verder niet bij geweest. Erflaatster regelde haar financiën helemaal zelf. De inhoud van de akte kende hij toen niet, hij heeft ook nooit de ontwerpakte gezien, en kwam pas bij het begin van deze rechtszaak erachter wat in de akte staat. Erflaatster ging altijd uit van gelijke behandeling van haar kinderen. In de praktijk betekende dat, dat als een van de twee hulp nodig had, ze dat verleende. Het huis waar het hier om gaat was een idee van hem; [geïntimeerde] verkeerde in een ellendige woonsituatie en kon geen ander of beter huis krijgen. Erflaatster kreeg kapitaal uit de verkoop van een huis dat haar overleden echtgenoot had gebouwd, en wilde dat besteden aan het kopen van een huis waarin haar dochter kon wonen. De getuige heeft de renovatie van dat huis op zich genomen. Voor zover hij weet ging het erom dat [geïntimeerde] het huis kon kopen met de jubelton, een stukje hypotheek en eventueel een lening van hem. Na het verblijf van erflaatster in het revalidatiehuis heeft de getuige twee jaar mantelzorg verricht, en dat werd te zwaar. De scheiding tussen erflaatster en de getuige had ermee te maken dat de houding van erflaatster naar hem toe is veranderd nadat zij uiteindelijk in een verpleeghuis terecht is gekomen waarna de getuige heeft besloten tot echtscheiding. De echtscheiding was eind 2017 rond. Erflaatster sprak daarna niet meer met hem over financiële zaken.
De stellingen van [appellante] komen er kort gezegd op neer dat, als erflaatster tevoren zou hebben geweten dat ze ooit zou gaan scheiden, zij de schenking aan [geïntimeerde] nooit zo gedaan zou hebben.
Uit de verklaring van de ex-echtgenoot van erflater blijkt dat erflaatster haar kinderen gelijk behandelde. Dat kwam er, ook volgens partijen zelf, in de praktijk op neer dat zij voor haar kinderen en kleinkinderen deed wat nodig was. In dit geval was dat dat [geïntimeerde] in de woning kon blijven wonen. In het geval van de andere dochter ( [naam1] ) vertaalde deze hulp zich, gezien wat verder uit het dossier blijkt, uit het betalen van bepaalde rekeningen als zich ergens bij de dochter of de kleindochter ( [appellante] ) een tekort voordeed. In de schenkingsakte is een inbrengverplichting opgenomen, en die is ook uitgevoerd. Niet gesteld of gebleken is dat ten tijde van de schenking van de woning de waarde van de woning van overeenkomstig de WOZ van € 252.000 destijds door erflaatster en [geïntimeerde] niet juist is vastgesteld.
Uit de verklaringen van de beide getuigen volgt dat erflaatster de schenking gezien haar gezondheidstoestand destijds heeft gedaan met de verwachting dat zij zelf niet lang meer zou leven. Uiteindelijk heeft erflaatster wél nog langer geleefd dan zij toen waarschijnlijk heeft gedacht.
Voorts staat vast dat erflaatster de inbrengverplichting in haar testament heeft opgenomen, en haar testament niet heeft herroepen dan wel veranderd na de schenking dan wel na de echtscheiding, ook niet nadat zij daarover door [appellante] was aangesproken. Ook verder is niet gebleken dat erflaatster op enige manier spijt heeft gekregen van de schenking, of dat zij deze bij nader inzien onder andere voorwaarden zou hebben gedaan.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat erflaatster met haar testament heeft bedoeld dat beide erfgenamen gelijk zouden worden behandeld in die zin dat zij hoe dan ook altijd een zelfde bedrag zouden krijgen; de gelijke behandeling bestond er veel meer in dat erflaatster voor ieder van haar kinderen deed wat nodig was.
Het hof kan ook niet vaststellen dat de echtscheiding een zodanig onvoorziene omstandigheid is van dien aard dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de schenking van de woning niet mag verwachten. Hierbij staat voorop dat een echtscheiding in beginsel niet als een onvoorziene omstandigheid kan worden beschouwd. Daarbij heeft de notaris verklaard dat bij het opmaken van huwelijksvoorwaarden en het testament het geval van echtscheiding zeker zal zijn besproken. Hoewel het mogelijke geval van echtscheiding ten tijde van het opmaken van de schenkingsakte door de notaris niet meer is besproken leidt dit niet tot een ander oordeel.. Gezien de gang van zaken zoals deze blijkt uit de getuigenverhoren, is er dan ook geen aanwijzing om aan te nemen dat erflaatster, als zij had geweten dat zij niet snel zou overlijden maar na enkele jaren zou scheiden, iets anders zou hebben gedaan met betrekking tot de woning. Daarbij valt nog op te merken dat in artikel 10 van de schenkingsakte een verplichting is opgenomen tot inbreng in de nalatenschap van erflaatster van het per saldo geschonken bedrag, en erflaatster er niet voor heeft gekozen toen ook haar testament (van 16 maart 2006) te herroepen en anders in te richten.
Legitieme portie (grieven 2 en 3 principaal hb en grieven 1 t/m 4 incidenteel hb)
Voor het geval dat de eerste grief van [appellante] faalt, en de schenkingsovereenkomst niet wordt ontbonden, stelt [appellante] (grief 2) dat [geïntimeerde] een gift van erflaatster heeft ontvangen doordat zij jarenlang tegen een niet marktconforme huur in de woning heeft kunnen wonen. Die huur is dus te laag berekend, zodat sprake is van een gift, die bij de berekening van de legitieme portie moet worden betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een gift van € 46.982, berekend op basis van een maandhuur van € 800. Volgens [appellante] moet worden uitgegaan van een maandhuur van € 1.600; de door [geïntimeerde] ontvangen gift ter zake van ontvangen woongenot bedraagt dan € 158.182. [geïntimeerde] moet dan niet € 1.024,02 betalen aan [appellante] maar € 29.546,32. Het bedrag van de legitimaire aanspraak (na inkorting) is dan € 57.346,32, aldus [appellante] .
[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellante] gemotiveerd weersproken.
Is het tegen een lagere prijs dan een marktconforme prijs huren van de woning een gift?
[geïntimeerde] betwist dat zij een gift in de vorm van woongenot heeft ontvangen in de periode dat zij de woning van erflaatster huurde. Als het hof van oordeel is dat zij wel een gift in de vorm van woongenot heeft gehad, is € 1.600 geen marktconforme huur (grief 2 principaal hoger beroep en grief 4 incidenteel hoger beroep) en moet worden uitgegaan van
€ 800.- per maand.
Het hof oordeelt als volgt. Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt, mits die ander de prestatie heeft ontvangen of daarop aanspraak kan maken (artikel 7:186 lid 2 BW). Voor een gift is nodig (1) een verrijking van de begiftigde (2) een verarming van de schenker (‘ten koste van eigen vermogen’) en (3) een bevoordelingsbedoeling (handeling of overeenkomst ‘die ertoe strekt’). Het gaat erom dat de schenker zich niet alleen bewust is van de bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordelen heeft. Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld; de rechter kan verder aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. Een gift kan ook besloten liggen in een samenstel van rechtshandelingen. De legitimaris die een gift wil inkorten, heeft de bewijslast voor het bestaan van die gift (artikel 150 Rv).
[geïntimeerde] vindt dat zij niet is verrijkt, en erflaatster niet is verarmd, en dat er geen bevoordelingsbedoeling was, het ging slechts om financiële ondersteuning uit moederlijke bezorgdheid. Zij heeft aangevoerd dat zij een huur betaalde van € 462 per maand (over de gehele periode dat zij huurde € 5.544) terwijl erflaatster een bruto hypotheeklast voldeed van € 295,75 per maand; per saldo ontving erflaatster dus minimaal € 150 per maand netto meer dan zij bruto diende te betalen. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [geïntimeerde] verklaard dat zij toen zij nog in een sociale huurwoning woonde huurtoeslag kreeg, en dat zij meer huur betaalde toen zij van haar moeder huurde, dan wanneer zij in de sociale huurwoning was blijven wonen. [appellante] heeft dit op zichzelf niet betwist. Tussen partijen is anderzijds niet in geschil dat erflaatster de woning destijds in het economisch verkeer voor een hoger bedrag had kunnen verhuren dan tegen het bedrag waartegen [geïntimeerde] de woning van erflaatster huurde. Daarmee heeft erflaatster van een deel inkomen uit vermogen afgezien, en [geïntimeerde] heeft zich de meerkosten van het tegen marktwaarde huren van een soortgelijke woning bespaard. Het hof is van oordeel dat hierin ook een bevoordelingsbedoeling van erflaatster ligt besloten, zodat dit is aan te merken als een gift.
Voor wat betreft de omvang van de gift is het hof van oordeel dat het gelet op het tijdsverloop sinds de periode 2002 tot 2014 en bij onvoldoende concrete informatie over de toenmalige staat van de woning niet mogelijk is om de toenmalige huurwaarde precies te begroten. Daarbij staat vast dat partijen na het tussenvonnis van de rechtbank van 23 augustus 2023 hebben aangegeven dat zij geen makelaars hebben kunnen vinden die zich bereid en in staat verklaarden om de toenmalige huurwaarde te begroten. Het hof zal daarom de waarde van de gift schatten. [appellante] heeft in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en onderbouwd op grond waarvan met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat een marktconforme huurprijs € 1.600 of in elk geval substantieel meer dan € 800 per maand geweest zou zijn. Het hof schat de waarde van de gift op het door de rechtbank geschatte bedrag van € 46.982,-, uitgaande van een huurwaarde van € 800 per maand. Gelet op de omvang en aard van deze gift is het hof van oordeel dat hier geen sprake is van een gebruikelijke gift of een gift op grond van een morele verplichting van erflaatster.
Gelet op het voorgaande blijft de berekening van de bedragen zoals de rechtbank die heeft gemaakt in stand, zodat de legitimaire vordering van [appellante] € 29.564,32 blijft, en ook het door [geïntimeerde] aan [appellante] te betalen bedrag van € 1.024,02 vanwege de inkorting op de door [geïntimeerde] ontvangen giften.
giften aan [naam1] en [appellante] ?
[geïntimeerde] stelt dat giften die erflaatster aan [naam1] en [appellante] heeft gedaan in aanmerking moeten worden genomen bij het berekenen van de legitieme portie en daarom op de legitieme portie in mindering moeten worden gebracht (grief 2). Dat zijn:
diverse overschrijvingen door erflaatster aan [appellante] van in totaal € 4.745,00;
betalingen van erflaatster voor internet-/telefoon-/tv-abonnement van [naam1] van in totaal € 3.262,13;
aflossing van de studiefinanciering van [naam1] voor in totaal € 5.519,54;
overige schenkingen aan [appellante] van in totaal € 5.385,00.
[geïntimeerde] wil ook dat [appellante] een overzicht van de door haar ontvangen giften verstrekt (grief 3).
[appellante] voert hiertegen aan dat erflaatster haar kinderen en kleinkinderen altijd financieel ondersteunde waar dat nodig was. Dit gaat om gebruikelijke giften zoals bedoeld in artikel 4:69 letter b BW; deze bedroegen nog geen € 2.851,45 per jaar, en het gaat dan om de jaren 2011 tot en met 2018. De aan [appellante] gedane giften in de periode dat haar moeder nog leefde zijn niet relevant voor de berekening van de legitieme portie, omdat [appellante] in die periode nog geen legitimaris van erflaatster was. De aflossing van de studieschuld van [naam1] kan net zo goed een lening zijn geweest, en het is aan [geïntimeerde] om te bewijzen dat het een gift is, maar daarvan is geen bewijs. De omstandigheden waren voor [naam1] heel zwaar. [naam1] had een spierziekte, waardoor zij vanaf een bepaald moment niet meer kon werken en een bijstandsuitkering ontving, en [appellante] ’s vader droeg niet bij in hun levensonderhoud. [appellante] wijst erop dat [geïntimeerde] beschikt over alle bankafschriften van de bankrekening van erflaatster en over de administratie van erflaatster. [appellante] heeft die niet en heeft ook geen eigen administratie over de bevraagde periode, toen zij nog minderjarig was, aldus [appellante] .
Het hof ziet geen aanleiding om [appellante] op te dragen een overzicht van de door haar en door haar moeder van erflaatster ontvangen giften te geven. [geïntimeerde] heeft niet weersproken dat zij over de financiële administratie van erflaatster beschikt, en heeft ook niet gesteld welk belang zij bij een dergelijk door [appellante] te verstrekken overzicht zou hebben.
Op grond van artikel 4:70 lid 2 BW gaat de stelling van [appellante] dat aan haar gedane giften in de periode dat haar moeder nog leefde niet relevant zijn voor de berekening van de legitieme portie niet op; in beginsel moeten deze ook worden meeberekend. Niet bestreden zijn echter de moeilijke omstandigheden van [naam1] en [appellante] . In dat licht zijn de door erflaatster aan hun verstrekte giften (ervan uitgaande dat het giften en geen leningen zijn geweest) naar het oordeel van het hof te beschouwen als gebruikelijke en niet bovenmatige giften dan wel een uitvloeisel van een door erflaatster gevoelde morele plicht om bij te dragen in hun onderhoud. Op grond van artikel 4:69 lid 1 BW worden deze giften voor de toepassing van afdeling 3 (de legitieme portie) van boek 4 BW niet als giften beschouwd. De grieven 2 en 3 in het incidenteel hoger beroep falen.
Wettelijke rente
[appellante] heeft de wettelijke rente over de inkortingsvordering gevorderd vanaf 8 november 2020, de datum van overlijden van erflaatster, omdat de vordering op het moment van overlijden is ontstaan. Subsidiair vordert zij de wettelijke rente vanaf 8 mei 2021, de datum waarop de legitieme portie - 6 maanden na het overlijden – opeisbaar is geworden (art. 4:81 BW). Meer subsidiair, als artikel 4:81 BW niet van toepassing is, vraagt zij de wettelijke rente vanaf 5 november 2021, de datum waarop de inkortingsverklaring bij brief van deze datum is gedaan, als bedoeld in artikel 4:90 BW. Als die brief niet gezien kan worden als een inkortingsverklaring vraagt zij de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg, 20 april 2022.
[geïntimeerde] betwist wettelijke rente verschuldigd te zijn voor 20 december 2023. Op het moment van overlijden van erflaatster, dan wel 6 maanden daarna, was inkorting niet aan de orde. Zij betwist ook dat op 5 november 2021 concreet schriftelijk aanspraak is gemaakt op wettelijke rente. [appellante] heeft bovendien pas een beroep op haar legitieme portie gedaan voor het geval de schenkingsovereenkomst niet zou worden ontbonden. Volgens [geïntimeerde] is zij pas wettelijke rente over de inkortingsvordering verschuldigd nadat de inkortingsvordering is vastgesteld, dus met het vonnis van 6 december 2023 en een redelijke betalingstermijn van 2 weken daarna.
Het hof oordeelt als volgt.
De genoemde brief van 5 november 2021 zit niet in het dossier; het hof kan dus niet beoordelen in hoeverre [appellante] toen aanvullende aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie. In elk geval heeft zij in de inleidende dagvaarding van 20 april 2022 daarop (subsidiair) aanspraak gemaakt. Op grond van artikel 6:119 BW is daarom de wettelijke rente over het bedrag van de inkortingsvordering van € 1.024,02 toewijsbaar vanaf die datum tot aan de dag der voldoening.
4. De slotsom
De grieven van beide partijen falen voor het grootste deel, alleen de grief van [appellante] met betrekking tot de wettelijke rente slaagt. Het hof zal dus ten aanzien daarvan als volgt beslissen en voor het overige de bestreden vonnissen bekrachtigen.
Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.
5. De beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2023 tussen partijen ten aanzien van de wettelijke rente in punt 3.2 van dat vonnis, en veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 1.024,02 vanaf 20 april 2022 tot de datum der voldoening;
Bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht) tussen partijen van 2 augustus 2023 en van 6 december 2023 voor het overige;
Bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Wijst het meer of anders gevorderde af;
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, J.U.M. van der Werff en L. Hamer en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.