ECLI:NL:GHARL:2026:5136

ECLI:NL:GHARL:2026:5136

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 05-08-2026
Zaaknummer 200.354.719/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOVE:2025:1259

Samenvatting

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Tussenbeslissing. Heeft vader in zijn hoedanigheid van executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van zijn overleden vrouw onrechtmatig gehandeld jegens zijn zonen die mede-erfgenamen zijn en is hij tekort geschoten in de taak van executeur/afwikkelingsbewindvoerder? Is hij om die reden schadeplichtig jegens zijn zonen? Bestaat subsidiair aanleiding om de verdeling van de nalatenschap die inmiddels al notarieel heeft plaatsgevonden, nog aan te passen?

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.354.719/01

zaaknummer rechtbank Overijssel 317400

arrest van 4 augustus 2026

in de zaak van

1. [appellant1] hierna te noemen: [appellant1]die woont in [woonplaats1]2. [appellant2] hierna te noemen: [appellant2]die woont in [woonplaats2] gezamenlijk ook te noemen: [appellanten]

advocaat: mr. G.M. de Weerd

en

[geïntimeerde] pro se en in zijn hoedanigheid van executeur/afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflater]

hierna ook te noemen: [geïntimeerde]

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. D.P.M. Buysrogge

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats [woonplaats2] , (hierna: de rechtbank) op 5 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

Hierna is arrest gevraagd.

2. De kern van de zaak

[geïntimeerde] is de vader van [appellanten] Zij zijn mede erfgenamen in de nalatenschap van hun vrouw respectievelijk moeder. Centraal staat de vraag of [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder onrechtmatig heeft gehandeld en tekort is geschoten in zijn taak, en om die reden(en) schadeplichtig is jegens [appellanten] Als wordt geoordeeld dat dit niet het geval is, ligt nog de vraag voor of aanleiding bestaat om de verdeling van de nalatenschap, die inmiddels notarieel heeft plaatsgevonden, nog te wijzigen.

3. De feiten

[geïntimeerde] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [erflater] (hierna: moeder). Het huwelijk is geëindigd door haar overlijden [in] 2021 in [woonplaats2] .

Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren te weten: [appellant1] , [naam1] ( [naam1] ), [naam2] en [appellant2] (hierna gezamenlijk: de kinderen).

Moeder had ook eigen bezit uit vermogen dat aan haar was geschonken en nagelaten door haar ouders onder uitsluitingsclausules. Die uitsluiting hield in dat het door moeder verkregen (familie)vermogen niet zou vallen in enige gemeenschap van goederen.

Moeder heeft met een deel van haar eigen vermogen verschillende onroerende zaken gekocht, in [plaats1] (vakantiewoning), [plaats2] (winkel met bovenwoning) en [woonplaats2] (woning). Daarnaast verkreeg zij uit de nalatenschap van haar ouders een winkelpand in [plaats3] . De panden in [plaats1] , [plaats2] en [woonplaats2] zijn ook op naam van [geïntimeerde] gesteld en zijn toch tot de huwelijksgoederengemeenschap gaan behoren. Het winkelpand in [plaats3] is wel buiten de gemeenschap gebleven.

Moeder heeft laatstelijk bij testament van 25 november 2021 over haar vermogen beschikt. Daarin heeft zij tot erfgenamen benoemd [geïntimeerde] en haar vier kinderen, ieder voor een gelijk deel, en de wettelijke verdeling buiten toepassing verklaard.

In het testament is een legaat opgenomen ten behoeve van [geïntimeerde] : “Aan

mijn echtgenoot legateer ik een dusdanig geldbedrag dat zijn totale verkrijging uit mijn

nalatenschap (dus zijn verkrijging als erfgenaam vermeerderd met zijn verkrijging als

legataris) een waarde zal hebben van maximaal een miljoen eenhonderdduizend euro € 1.100.000”. Verder heeft erflaatster haar lijfsieraden gelegateerd aan haar dochter en is

aan elk van de kleinkinderen een geldsom van € 3.000,00 gelegateerd.

In het testament is [geïntimeerde] benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Hij heeft die benoemingen aanvaard.

Over de benoeming tot executeur is in het testament onder andere

bepaald:

2. Taken (...)

In aanvulling op of in afwijking van de in de wet opgenomen bepalingen bepaal ik het

volgende:

- De executeur kan ook als wederpartij van zichzelf optreden.

- Over de keuze van de goederen en de wijze van tegeldemaking hoeft de executeur niet

vooraf overleg te plegen met mijn erfgenamen. De executeur heeft voor de tegeldemaking

van een goed geen toestemming van de erfgenamen nodig.- De executeur heeft voor de werkzaamheden geen recht op loon. (…) De kosten die de

executeur maakt hij het uitvoeren van de taak komen ten laste van de nalatenschap.

Over het afwikkelingsbewind is in het testament onder meer bepaald:

B. Afwikkelingsbewind 1. Benoeming bewindvoerder

Ik benoem mijn echtgenoot (bovendien) tot afwikkelingsbewindvoerder.

Ik ken mijn echtgenoot in die functie de bevoegdheid toe om zelfstandig (zonder

medewerking van de andere erfgenamen) te beschikken over de goederen van mijn

nalatenschap in verband met de afwikkeling daarvan. Deze bevoegdheid om te beschikken

over mijn nalatenschap houdt onder meer in:

- het vervreemden en leveren van goederen;

(…)

Tot de bevoegdheid tot beschikking over de goederen van mijn nalatenschap behoort ook

het als vertegenwoordiger van mijn erfgenamen de nalatenschap verdelen met inachtneming

van de erfdelen van ieder van mijn erfgenamen. (...)

2. Bepalingen bewind

Voor het bewind gelden verder de volgende bepalingen

- Het bewind is ingesteld in het gemeenschappelijk belang van de erfgenamen.

- De afwikkelingsbewindvoerder kan ook als wederpartij van zichzelf optreden.

- De afwikkelingsbewindvoerder komt geen loon toe.

- De kosten die de afwikkelingsbewindvoerder maakt bij het uitvoeren van de taak en het

loon komen ten laste van de nalatenschap.

(…)

- De afwikkelingsbewindvoerder legt bij het einde van het bewind rekening en

verantwoording af.

3. Einde afwikkelingsbewind

De taak van de afwikkelingsbewindvoerder en daarmee het afwikkelingsbewind - eindigt:

- na voltooiing van de verdeling, maar uiterlijk driejaar na mijn overlijden;

(...)

- als mijn nalatenschap moet worden vereffend in de zin van afdeling 3, titel 6, Boek 4

Burgerlijk Wetboek;

- als de afwikkelingsbewindvoerder door de kantonrechter ontslagen wordt.

[appellant1] heeft de nalatenschap van moeder aanvaard onder voorrecht van

boedelbeschrijving. De andere erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

Op 20 januari 2022 heeft notaris [naam3] een verklaring van erfrecht

opgemaakt. Daarin is onder andere vastgelegd wie de erfgenamen zijn, dat er een executeur/afwikkelingsbewindvoerder is benoemd en dat de goederen van de nalatenschap

ruimschoots toereikend zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen. De nalatenschap is door [geïntimeerde] afgewikkeld. Hij is bijgestaan door voornoemde notaris [naam3] , die [geïntimeerde] op sommige punten van advies heeft voorzien en die de akte van verdeling heeft opgesteld en gepasseerd.

[geïntimeerde] heeft als executeur/afwikkelingsbewindvoerder de panden in [plaats1] en [plaats2] verkocht. Verder zijn een aantal roerende zaken verkocht (auto’s en sloep).

De nalatenschap is verdeeld bij notariële akte van 9 juni 2023. In die akte is [geïntimeerde] opgetreden voor zichzelf, als executeur/afwikkelingsbewindvoerder, en daarmee ook als vertegenwoordiger van de andere erfgenamen, de kinderen. In die akte van verdeling is de (zuivere) waarde van de nalatenschap bepaald op € 2.154.460 en zijn alle goederen van de nalatenschap toegedeeld aan [geïntimeerde] . De vordering uit onderbedeling is voor ieder kind bepaald op € 300.000 minus te betalen erfbelasting. [geïntimeerde] heeft daarbij gedeeltelijk afgezien van zijn legaat.

In de akte van verdeling is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

- onder het kopje: De genoemde schilderijen blijven onverdeeld

(…)

De enige goederen die van de verdeling zijn uitgezonderd zijn de genoemde schilderijen van Jan Altink en Johan Dijkstra. Deze schilderijen zijn onverdeeld gebleven en zijn dus nog steeds eigendom van de deelgenoten gezamenlijk, zulks, aangezien deze schilderijen behoorden tot het eigen (privé)vermogen van de overledene, ieder voor een/vijfde (1 /5e) gedeelte.

In verband met gerezen meningsverschillen tussen [geïntimeerde] en [appellanten] zijn in de akte van verdeling in hoofdstuk 14 (verdelingsbepalingen) een

aantal bijzondere bepalingen opgenomen, waaronder:

- onder het kopje Peildatum:

Als de dag van verdeling geldt voor de samenstelling van de nalatenschap de datum van

overlijden, zijnde (...) (5 december 2021). (...) Indien en voor zover goederen na

overlijdensdatum zijn verkocht delen alle deelgenoten mee in de gerealiseerde verkoopprijs.

- onder het kopje (Geen volledige) kwijting:

De echtgenoot verklaart echter niet mede namens de andere erfgenamen met betrekking tot

de verdeling van de onverdeeldheid, aan hem volledige kwijting en decharge te verlenen.

Dit heeft te maken met het feit dat enkele van de andere deelgenoten kenbaar hebben

gemaakt dat zij van mening zijn dat de nalatenschap anders zou zijn samengesteld dan dat

de echtgenoot blijkens het vorenstaande heeft aangenomen.

- onder het kopje Geen afstand ontbinding waarde erfdelen:

Daarnaast verklaart de echtgenoot uitdrukkelijk dat hij namens de andere erfgenamen geen

afstand doet van hun bevoegdheid om het bedrag/de waarde van hun erfdelen ter discussie

te stellen; daartoe blijven de andere erfgenamen, ook na het tekenen van deze akte, bevoegd.

- onder het kopje Voorbehoud door echtgenoot:

Tussen de echtgenoot en enkele van de andere erfgenamen bestaat verschil van mening over enerzijds de samenstelling én de waarde van het eigen (privé)vermogen van de overledene en anderzijds de samenstelling én de waarde van de huwelijksgemeenschap van de overledene en de echtgenoot. Het verschil van mening betreft onder andere:

- de waarde van de in hoofdstuk 3 en 4 bedoelde vergoedingsvorderingen/schulden; ofwel de vraag of ten aanzien van (een deel van) de betreffende vergoedingsvorderingen/schulden de ‘nominaliteitsleer’ dan wel de ‘beleggingsleer’ moet worden toegepast;

- en/of het al of niet bestaan van een vergoedingsvordering ter zake van de eigen (privé)inkomsten van de overledene uit het registergoed [plaats3] ;

- en/of de waardering van bijvoorbeeld de registergoederen [woonplaats2] en [plaats3] .

In verband met het (de) hiervoor bedoelde meningsverschil(len) wenst de echtgenoot een voorbehoud te maken. Het voorbehoud betreft:

de aanname door hem van het bestaan van een vergoedingsvordering ten bate van het eigen (privé)vermogen van de overledene en ten laste van de huwelijksgemeenschap betreffende het in hoofdstuk 3 onder ‘Besteding van de bij wijze van schenking en erfenissen door de overledene van haar ouders verkregen geldbedragen’ onder B bedoelde ‘anders' bestede bedrag ten bedrage van achthonderd drieduizend zevenhonderd zevenenveertig euro (€ 803.747); en

het gegeven dat de echtgenoot het ten behoeve van hem gemaakte legaat heeft aanvaard voor een bedrag van ‘slechts’ vierhonderdtwintigduizend eenhonderd zesenzeventig euro (€ 420.176).

Het voorbehoud dat de echtgenoot maakt, is, dat de hiervoor bedoelde aanname en het nu door de echtgenoot ingenomen standpunt betreffende zijn legaat nimmer tot gevolg zullen hebben dat zijn vermogen (al of niet bezwaard met de door de overledene in haar testament opgenomen tweetrapsbepaling, hierna ook te noemen: ‘tweetrap’), per de datum van het overlijden van de overledene, een lagere waarde blijkt te hebben (gehad) dan een waarde groot een miljoen eenhonderdduizend euro (€ 1.100.000).

Indien en voor zover, bijvoorbeeld in het kader van het (de) hiervoor bedoelde verschil(len) van mening tussen de echtgenoot en enkele van de andere deelgenoten, op enig moment mocht blijken dat het vermogen van de echtgenoot (ofwel het totaal van zijn aandeel in de huwelijksgemeenschap en zijn verkrijging krachtens erfrecht ten gevolge van het overlijden van zijn echtgenote, al of niet bezwaard met tweetrap), per de datum van het overlijden van de overledene, een waarde zou hebben (gehad) van minder dan een miljoen eenhonderdduizend euro (€ 1.100.000), zijn de hiervoor sub a bedoelde aanname en het hiervoor sub b bedoelde standpunt ten aanzien van het legaat, voor wat betreft de echtgenoot, tot stand gekomen ten gevolge van een onjuiste voorstelling van zaken ofwel tot stand gekomen op grond van dwaling ten aanzien van de samenstelling en de waarde van het eigen (privé)vermogen van de overledene en/of de samenstelling en de waarde van de huwelijksgemeenschap van de overledene en de echtgenoot. Voor de gegeven situatie behoudt de echtgenoot zich mitsdien het recht voor om, voor zover nodig:

alsdan terug te komen op de hiervoor onder a bedoelde aanname en/of op het hiervoor onder b bedoelde door hem ten aanzien van het door de overledene ten behoeve van hem gemaakte legaat ingenomen standpunt; ofwel

alsdan de betreffende aanname te vernietigen en/of het ten behoeve van hem gemaakte legaat alsnog geheel te aanvaarden; én

behoudt de echtgenoot zich mitsdien het recht voor om zijn vermogen (al of niet bezwaard met tweetrap), berekend per de datum van het overlijden van de overledene, alsdan op enigerlei wijze aan te vullen tot het genoemde bedrag van ten minste een miljoen eenhonderdduizend euro (€ 1.100.000).

[geïntimeerde] heeft de woning in [woonplaats2] op 10 december 2023 verkocht voor een

bedrag van € 1.275.000,00. De waarde van die woning was in de akte van verdeling opgenomen voor € 1.000.000.

In februari 2024 hebben [appellant1] en [appellant2] een klacht tegen notaris [naam3] ingediend bij de Kamer voor het Notariaat. De klacht hield in, kort gezegd, dat de notaris de belangen van [geïntimeerde] heeft gediend en daarmee hen heeft benadeeld doordat hun erfdeel lager uitviel. Die klacht is uiteindelijk door het gerechtshof Amsterdam ongegrond verklaard in een beslissing van 27 januari 2026. 4. De vorderingen bij de rechtbank

[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd, samengevat en voor zover hier van belang:

bij tussenvonnis

1. een deskundigenbericht te bevelen om de waarde per 9 juni 2023 te bepalen van

[adres1] te [plaats3] en tevens van [adres2] te [woonplaats2] ,

bij eindvonnis

2. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van

executeur/afwikkelingsbewindvoerder en/of pro se, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] ,

3. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, zonodig op te maken bij staat,

4. te verklaren voor recht dat de kosten van [geïntimeerde] in deze procedure niet kwalificeren als kosten van de executele danwel afwikkelingsbewind,

5. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft zich tegen al die vorderingen verweerd.

De rechtbank heeft de vorderingen volledig afgewezen.

5. De vorderingen in hoger beroep

De bedoeling van het hoger beroep van [appellant1] c.s is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [appellanten] hebben daarbij hun vorderingen aangevuld in die zin dat zij, samengevat, ook vorderen dat een deskundigenbericht wordt bevolen om de waarde van de [plaats3] en [woonplaats2] vast te stellen, dat de waarden van de erfdelen van [appellanten] worden vastgesteld overeenkomstig hun in hoger beroep gedane verdelingsvoorstel en [geïntimeerde] te veroordelen een nadere verdeling conform dat voorstel tot stand te brengen. Voorts vorderen [appellanten] hun geleden schade te begroten/schatten en [geïntimeerde] te veroordelen het aan [appellanten] toekomende deel van de vruchten van het onder bewind gestelde vermogen aan hen uit te keren.

6. De toelichting op de beslissing van het hof

Het hof zal beslissen op de vorderingen van [appellanten] zoals die bij de rechtbank zijn ingesteld en in hoger beroep zijn aangevuld. Tegen de aanvulling heeft [geïntimeerde] zich niet verzet en die aanvulling is ook tijdig gedaan. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellanten] hebben gesteld dat zij de aangevulde vorderingen alternatief instellen. Uit de stellingen van [appellanten] valt echter af te leiden dat het hier gaat om subsidiaire vorderingen; [appellanten] . stellen namelijk voorop dat aan die vorderingen niet wordt toegekomen, omdat de wet de in de akte van verdeling daartoe geopende mogelijkheid niet kent.

Het hof zal beslissen dat de vorderingen op grond van onrechtmatige daad en strijd met goed executeur – en bewindvoerderschap worden afgewezen, en dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of op onderdelen aanleiding bestaat om de waarde van de erfdelen van de kinderen (= de vorderingen van de kinderen op [geïntimeerde] uit onderbedeling) op een hoger bedrag vast te stellen dan volgt uit de akte van verdeling. Hierna wordt toegelicht hoe het hof tot dat oordeel is gekomen.

[appellanten] hebben 12 grieven naar voren gebracht tegen het vonnis van de rechtbank en hebben voorts een toelichting gegeven op hun aangevulde vorderingen.

In hun grieven en de toelichting op de aangevulde vorderingen stellen [appellanten] diverse kwesties aan de orde die hieronder, voor zover van belang voor de beslissing, worden behandeld.

[geïntimeerde] is niet aansprakelijk voor beweerdelijke schade van [appellanten]

De maatstaf waaraan het handelen van [geïntimeerde] moet worden getoetst. 6.4 Ter beoordeling ligt voor het handelen van [geïntimeerde] als executeur/afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van moeder. Of [geïntimeerde] aansprakelijk is voor beweerdelijk door [appellanten] geleden schade moet daarom worden beantwoord aan de hand van de maatstaf die geldt voor een executeur/bewindvoerder. De beweerdelijk geleden schade bestaat daarbij uit nadeel dat [appellanten] zouden hebben geleden doordat hun erfdeel op een te laag bedrag zou zijn vastgesteld. 6.5 Artikel 4:163 BW bepaalt dat de bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Voor de aansprakelijkheid van een executeur geldt een vergelijkbare maatstaf; de executeur moet de zorg van een goed executeur betrachten.

Bij de vraag of van een toerekenbaar tekortschieten in de zorg van een goed bewindvoerder/executeur sprake is, dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Het komt erop aan of al die omstandigheden in aanmerking nemend de bewindvoerder/executeur in redelijkheid tot zijn beslissingen en gedragingen heeft kunnen komen. Hem komt daarbij een vrijheid toe die daarbij past.Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een executeur/afwikkelingsbewindvoerder is pas ruimte als sprake is van (ernstig) tekort schietend handelen, waarbij nadeel (schade) wordt geleden als gevolg daarvan.

De concrete verwijten die [appellanten] maken aan het adres van [geïntimeerde] resulteren in een cijfermatige opstelling door [appellanten] van (a) het tekort dat daardoor volgens hen is ontstaan in het vermogen van de nalatenschap van moeder, zoals die op 9 juni 2023 is verdeeld en (b) het tekort dat als gevolg daarvan is ontstaan bij de vaststelling van hun erfdelen. In de akte van verdeling zijn die erfdelen vastgesteld op € 300.000 per kind, maar volgens [appellanten] hadden die erfdelen echter behoren te worden vastgesteld op € 808.009 per kind. Het verschil tussen beide bedragen, € 508.009 per persoon, is de schade waarvan zij vergoeding door [geïntimeerde] vorderen.

De volgende verwijten liggen aan die als productie 29 bij memorie van grieven overgelegde cijfermatige opstelling ten grondslag: 1.) In de akte van verdeling heeft een dubbeltelling plaatsgevonden van € 575.000. Dat bedrag is aan de ene kant namelijk in aanmerking genomen als een uitgave uit het persoonlijk vermogen van moeder voor de toedeling aan haar van het winkelpand in [plaats3] , terwijl anderzijds hetzelfde bedrag ook is opgenomen als een vergoedingsrecht van de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap op moeder, omdat voor dat bedrag door de gemeenschap een hypotheek is opgenomen voor de financiering van de verkrijging door moeder van het winkelpand in [plaats3] . Een besteding van € 575.000 is daardoor twee keer in mindering gebracht op haar vermogen.

2.) Huuropbrengsten die moeder tot haar overlijden heeft gehad uit het winkelpand in [plaats3] zijn ten onrechte niet opgenomen in de akte van verdeling als een vergoedingsrecht dat moeder had op de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap. Dit betreft een bedrag van € 440.000 in totaal. In de akte van verdeling is ten onrechte aangenomen dat die opbrengsten zijn besteed aan uitgaven die geen vergoedingsrechten voor moeder opleverden op de gemeenschap. Die vergoedingsrechten, gelijk aan de huurinkomsten, vielen dus wel in haar nalatenschap

3.) De panden in [woonplaats2] en [plaats3] zijn in de akte van verdeling opgenomen voor te lage bedragen. In totaal zijn die panden voor een bedrag van € 919.000 te laag gewaardeerd. Dit komt doordat ten onrechte is gewaardeerd tegen de datum van overlijden van moeder in plaats van de datum van het passeren van de akte van verdeling. [geïntimeerde] heeft bovendien, tegen het advies van de notaris in, geweigerd die panden te laten taxeren.

4.) In de akte van verdeling zijn ten onrechte huuropbrengsten uit het winkelpand in [plaats3] na het overlijden van moeder tot aan de akte van verdeling niet als vrucht van het vermogen van moeder in aanmerking genomen. Die vruchten zijn aan [geïntimeerde] toegekomen, omdat in de akte van verdeling ten onrechte het pand in [plaats3] is verdeeld per datum overlijden moeder in plaats van per datum van het passeren van de akte van verdeling. Hierdoor is de nalatenschap voor een bedrag van € 251.074 tekort gekomen.

5.) Roerende sieraden zijn voor een bedrag van € 60.000 in de verdeling opgenomen, terwijl de werkelijke waarde, ook volgens een mededeling van [geïntimeerde] , circa € 80.000 bedroeg. Daardoor is de nalatenschap voor een bedrag van € 20.000 benadeeld.

6.) Twee schilderijen die tot de nalatenschap behoren zijn niet met een waarde in de verdeling betrokken. Die hadden voor € 13.500 in de verdeling betrokken behoren te worden.

Door deze evidente onjuistheden in de akte van verdeling is de nalatenschap van moeder voor een € 2.218,574 te laag gewaardeerd, aldus [appellanten] Bij elkaar opgeteld had volgens hen de waarde van de nalatenschap op € 2.142.460 (= de waarde volgens de akte van verdeling) + € 2.218.574 = € 4.361.034 bepaald moeten worden. Met inachtneming van de in het testament bepaalde legaten hadden de vorderingen uit onderbedeling (de erfdelen) dan moeten worden vastgesteld op € 808.009 per kind. Door de fouten van [geïntimeerde] hebben de andere erfgenamen, de kinderen, ieder een schade geleden van € 508.009.

De verwijten zijn door [geïntimeerde] gemotiveerd weersproken en kunnen naar het oordeel van het hof de stelling van [appellanten] niet dragen dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en daarom aansprakelijk is voor het nadeel dat [appellanten] stellen te hebben geleden. Daartoe wordt het volgende overwogen:

Verwijt 1) dubbeltelling

Naar het oordeel van het hof is van een dubbeltelling geen sprake. [appellanten] trekken twee te onderscheiden opstellingen in de akte van verdeling ten onrechte samen. In de eerste opstelling is vastgesteld waar het vermogen van moeder bij leven aan besteed is. Dat vermogen is voor € 575.000 besteed aan de verplichting om aan de huwelijksgoederengemeenschap € 575.000 te betalen. Die verplichting rustte op moeder, omdat de gemeenschap een hypotheekverplichting ten behoeve van haar op zich heeft genomen voor de toedeling aan haar van het pand in [plaats3] . De tweede opstelling heeft betrekking op de omvang van haar nalatenschap; haar vermogen (= waarde bezittingen – waarde schulden) op de datum van haar overlijden. Op dat moment resteerde van haar schuld aan de gemeenschap nog het restant bedrag van de hypotheek, € 398.632. Dat bedrag is daarom (terecht) opgenomen in die opstelling als schuld van moeder aan de ontbonden huwelijksgemeenschap op het moment van haar overlijden. Kortom, de beide opstellingen hebben betrekking op geheel verschillende momenten, maar sporen wel met elkaar.

De gedachte van [appellanten] die ten grondslag ligt aan de stelling dat sprake is van een dubbeltelling, is kennelijk dat moeder weliswaar € 575.000 schuldig was geworden aan de gemeenschap vanwege de hypothecaire lening, maar dat zij voor datzelfde bedrag ook een vergoedingsrecht had verkregen op de gemeenschap, omdat zij die € 575.000 feitelijk (nog) tot haar beschikking bleef houden en zij dat bedrag, net als het overige geld dat zij overhad uit de (onder uitsluiting verkregen) erfenissen, in de gemeenschap heeft laten vloeien. Door dat niet te onderkennen is op het vermogen van moeder ten onrechte die € 575.000 in mindering gebracht als schuld aan de gemeenschap. Tegenover die schuld aan de gemeenschap stond namelijk ook een vergoedingsrecht van € 575.000 op de gemeenschap, zo begrijpt het hof [appellanten] Die gedachte wordt verworpen.

Het hof stelt voorop dat het vermogen dat moeder onder uitsluiting heeft verkregen, uitsluitend aan haar toekwam. Voor zover zij dat vermogen heeft besteed aan uitgaven van de gemeenschap heeft zij een vergoedingsrecht verkregen. Onduidelijk is gebleven waar moeder haar vermogen precies aan heeft besteed. Zij heeft daarover zelf ook niet verklaard. Er moet dus achteraf een reconstructie gemaakt worden van wat er waarschijnlijk met het vermogen is gebeurd. Moeder kan hierover niets meer verklaren, maar ze heeft in haar testament wel uitdrukkelijk alle bevoegdheden over de afwikkeling van haar nalatenschap bij [geïntimeerde] gelegd. Alleen staat vast dat een deel is besteed aan de aankoop van onroerende zaken die, behalve het winkelpand in [plaats3] , tot de huwelijksgoederengemeenschap zijn gaan behoren. Van het resterende bedrag heeft de notaris – en daarmee [geïntimeerde] - aangenomen dat het is besteed aan uitgaven van de gemeenschap, ook al staat dat op zichzelf niet vast. Voor dat deel van het vermogen is bij de afwikkeling een vergoedingsrecht toegekend aan de nalatenschap. Daarbij is in het voordeel van [appellanten] eraan voorbij gegaan dat moeder naar alle waarschijnlijkheid geld aan de gemeenschap ter beschikking had gesteld ter voldoening aan haar verplichting uit artikel 1:84 BW (waardoor geen vergoedingsrecht ontstaat); [geïntimeerde] had immers maar een half salaris als predikant en niet gebleken is dat moeder naast het geërfde vermogen eigen inkomsten had. Daarmee is aannemelijk is dat zij (ook) op de voet van artikel 1:84 BW uit haar vermogen zal hebben bijgedragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Ook overigens heeft de notaris niet alles berekend dat in mindering zou kunnen komen op het vergoedingsrecht; zo is niet meegenomen dat de uitgaven die moeder heeft gedaan uit de huurinkomsten uit [plaats3] – welke inkomsten volgens [appellanten] € 440.000 bedroegen – hoger waren dan dan deze huurinkomsten (€ 176.477 is uitgegeven aan aflossingen en € 411.052 aan schenkingen) Voor de aanname van [appellanten] dat moeder ook het bedrag van € 575.000 heeft besteed aan uitgaven voor de gemeenschap - en dat aan de nalatenschap daarom een vorderingsrecht voor dat bedrag toekomt- bestaat echter onvoldoende grond. Moeder had voor dat bedrag immers juist een schuld aan de gemeenschap op zich genomen in verband met de aanschaf van het pand in [plaats3] . Het ligt dan niet voor de hand dat zij dat bedrag heeft besteed aan uitgaven van de gemeenschap (of het zou moeten zijn geweest ter voldoening aan een verplichting uit artikel 1:84 BW). Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan daarom niet worden aangenomen dat ook voor het bedrag van € 575.000 haar nalatenschap een vergoedingsrecht heeft op ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

Verwijt 2) huuropbrengsten uit winkelpand [plaats3] voor overlijden van moeder 6.10.4 Volgens de akte van verdeling is aannemelijk dat de huuropbrengsten van het winkelpand in [plaats3] gedeeltelijk zijn besteed aan aflossingen van de hypotheekverplichtingen ter hoogte van ongeveer € 176.477 (zie hiervoor) en het doen van schenkingen aan de kinderen. De schenkingen hebben blijkens de akte € 411.052 bedragen, wat door partijen is erkend. Ook het hof acht dat aannemelijk gelet op de omvang van de huuropbrengsten en de hoogte van de schenkingen; die komen met elkaar overeen.

De stelling van [appellanten] dat de schenkingen werden gedaan ten laste van de gemeenschap, maar kwamen uit het vermogen van moeder en dat de nalatenschap daarom aanspraak heeft op een vergoedingsrecht gelijk aan het bedrag van de schenkingen wordt verworpen. In de procedure zijn enkele akten van schenking overgelegd en daaruit blijkt dat de schenkingen alleen door moeder werden gedaan. Weliswaar had moeder voor die schenkingen schriftelijke toestemming van [geïntimeerde] , maar volgens het hof is dit een toestemming in het licht van art. 1:88 BW en doet dit niet af aan de duidelijke tekst van de aktes dat de schenkingen door moeder werden gedaan. Met de privé-huurinkomsten van moeder zijn daarom privé-schenkingen door moeder gedaan.

Verwijt 3) de panden in [woonplaats2] en [plaats3] 6.10.6 Die panden zijn in de verdeling betrokken tegen de waarde die daaraan is toegekend per datum overlijden moeder, respectievelijk voor € 1.000.000 en € 350.000. De stelling van [appellanten] dat die panden in de verdeling hadden moeten worden betrokken tegen de waarde die de panden hadden op de datum van verdeling (= de datum van het passeren van de notariële akte van verdeling), wordt verworpen. Weliswaar is het uitgangspunt dat een zaak in de verdeling wordt betrokken tegen de waarde op de datum van verdeling, maar daar kan van worden afgeweken; als partijen anders zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten. [appellanten] stellen dat dit oordeel alleen door een rechter kan worden gegeven. Dat is niet juist. Als de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten is dat een werking van rechtswege. De rechter kan enkel constateren of hier wel of geen sprake van is.

[geïntimeerde] is uitgegaan van de waarde van de beide panden op de sterfdatum van moeder, omdat dat zou zijn geadviseerd door de notaris. Notaris [naam3] heeft dat in een schriftelijke verklaring bevestigd. Volgens hem is het niet ongebruikelijk om bij een verdeling de waarde van de zaken per sterfdatum erflater in de verdeling te betrekken, omdat dat allerhande complicaties kan voorkomen. Het hof kan dat advies in dit geval begrijpen, omdat [geïntimeerde] na het overlijden van moeder het beheer had van de panden en dus ook de daarmee gepaard gaande kosten, zoals belastingen, verzekeringen en onderhoud, had, die verrekend zouden moeten worden bij een verdeling naar de waarde op de datum van verdeling. Bovendien heeft [geïntimeerde] op de zitting nog toegelicht dat met de verdeling al een aanvang was genomen kort na het overlijden van moeder. Toen werd uitgegaan van de waarden op de sterfdatum en dat is later ongewijzigd gebleven, behalve van de zaken die al voor de verdeling waren verkocht (daarvan is de gerealiseerde opbrengt meegenomen bij de verdeling). [geïntimeerde] wilde namelijk snel tot een afhandeling komen, maar door de discussie die tussen partijen ontstond over de uitgangspunten heeft dit langer op zich laten wachten. Van het uitgangspunt is echter niet afgeweken. Het hof kan de door [geïntimeerde] gevolgde handelwijze billijken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er, ook gelet op de discussie die was ontstaan, maar een betrekkelijk korte periode lag tussen de datum van overlijden en de datum van verdeling (anderhalf jaar). Van een handelen in strijd met goed executeur-/afwikkelingsbewindvoerderschap is daarmee geen sprake.

De stelling dat in ieder geval de waarde van de panden getaxeerd had dienen te worden, wordt eveneens verworpen. Daarbij wordt voorop gesteld dat op een executeur/afwikkelingsbewindvoerder niet zondermeer de verplichting rust om panden voorafgaand aan een verdeling te laten taxeren. [geïntimeerde] heeft uitvoerig toegelicht waarom hij niet wilde laten taxeren. In de “berekeningen” die is gevoegd bij de akte van verdeling heeft de notaris daarover als verklaring van [geïntimeerde] opgenomen:

‘Ik ben niet bereid tot nieuwe taxaties van woning en winkel, en eventuele roerende

zaken. De huidige zijn naar mijn oordeel correct en goed onderbouwd.

Ten aanzien van de woning merk ik op dat er in november 2020 een officiële taxatie

heeft plaatsgevonden, het rapport ligt hier, met als uitkomst € 1.000.000. De waarde

werd gedrukt omdat de isolatie te wensen overlaat, een factor die sindsdien nog

zwaarder weegt. De WOZ waarden waren op de peildatum 1 januari 2020, 2021 en

2022 respectievelijk € 820.000, € 860.000 en € 967.000. Ik ben van oordeel dat de

taxatie van € 1.000.000 per 5 december 2021 alleszins redelijk is.

Ten aanzien van de winkel in [plaats3] merk ik op dat ik bij een aantal partijen de

mogelijkheid van verkoop heb neergelegd, maar er was geen belangstelling. De winkelstand in [plaats3] is daarbij uitzonderlijk slecht. Ik heb een nieuw contract

kunnen sluiten met de huurster, maar tegen een lager bedrag, waarmee de

verkoopwaarde opnieuw daalde.

De makelaar aan wie ik de panden in [plaats2] heb verkocht (voor een

buitengewoon gunstige prijs) was doende een onroerendgoedportefeuille in te

richten voor een belegger. Hem heb ik de winkel in [plaats3] aangeboden, en hij was,

in weerwil van zijn aspiraties, niet bereid meer dan € 350.000 te betalen. Dat bedrag

houd ik dus als hoogst geboden waarde aan. ’

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] deze verklaring in soortgelijke bewoordingen herhaald. [appellanten] hebben de geloofwaardigheid van die verklaring niet gemotiveerd in twijfel getrokken. En ook het hof ziet daar geen aanleiding toe.

Daartegenover hebben [appellant1] op geen enkele wijze concreet onderbouwd dat bij een taxatie per sterfdatum (5 december 2021) de waarde van de panden (veel) hoger zou zijn getaxeerd. Zij hebben er weliswaar op gewezen dat [geïntimeerde] de woning in [woonplaats2] op 10 december 2023 heeft verkocht voor € 1.275.000, maar dat vormt onvoldoende aanwijzing dat de waarde van de woning in het economisch verkeer op de sterfdatum hoger was dan € 1.000.000, gelet op de onvoorspelbare woningmarkt. Ook het feit dat het pand in [plaats3] voor een veel lager bedrag in de verdeling is betrokken dan de waarde waarvoor het indertijd is overgenomen door moeder, is op zichzelf onvoldoende gelet op de gemotiveerde verklaring die [geïntimeerde] voor de waardedaling heeft gegeven. Ook die verklaring is inhoudelijk niet gemotiveerd door [appellanten] weersproken.

In het bijzonder hebben [appellant1] .c.s. ter onderbouwing van hun stellingen dat de waarde van de panden (veel) hoger moet zijn geweest dan de door [geïntimeerde] in aanmerking genomen waarden (per sterfdatum), niets overgelegd waaruit dat zou kunnen blijken. Dat had in deze situatie wel van hen verlangd mogen worden, ook in aanmerking nemend dat de WOZ waarden van de panden geen indicatie opleveren dat de panden een hogere waarde bezaten dan waarvoor zij in de verdeling zijn betrokken. Zo bedroeg de WOZ-waarde van het pand in [plaats3] in 2023 (onweersproken) maar € 314.000. Het enkele feit dat de notaris aanvankelijk aan [geïntimeerde] geadviseerd had de panden te laten taxeren maakt dit oordeel niet anders. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd afgezien van dit advies en de notaris heeft geen reden gezien de akte van verdeling niet op deze wijze op te stellen. Hoewel [geïntimeerde] een eigen verantwoordelijkheid heeft, kon blijkbaar ook de notaris instemmen met deze gang van zaken.

Verwijt 4) huuropbrengsten winkelpanden [plaats3] en [plaats2] na overlijden moeder

Voor de huuropbrengsten van het winkelpand te [plaats3] vanaf het overlijden van moeder tot aan de verdeling geldt dat die in beginsel tot de datum van de verdeling behoren tot de nalatenschap. Voor de huuropbrengsten van het winkelpand te [plaats2] geldt dat die alleen voor de helft tot de nalatenschap behoren, omdat het pand in de gemeenschap viel. In dit geval zijn die huuropbrengsten niet opgenomen in de akte van verdeling omdat in de visie van [geïntimeerde] de verdeling van de panden aan hem al met terugwerkende kracht had plaatsgevonden per sterfdatum moeder. Omdat de winkelpanden bij die verdeling aan hem zijn toegedeeld vallen volgens hem vanaf dat moment ook de huurbaten uit die panden alleen aan hem toe. Voor de huurbaten van het winkelpand in [plaats2] heeft [geïntimeerde] verder aangevoerd dat dat pand al in 2022 is verkocht.

Het standpunt van [geïntimeerde] dat een verdeling met terugwerkende kracht tot stand kan worden gebracht, wordt verworpen. Wel kan als peildatum voor de waarde van bepaalde goederen een eerdere datum dan de datum van verdeling in aanmerking worden genomen (zie ook hierboven). Maar dat is iets anders dan dat ook de verdeling met terugwerkende kracht tot stand kan worden gebracht.

Nu [geïntimeerde] voor de toeëigening van de huurbaten geen andere grondslag heeft aangevoerd dan de onjuiste grondslag dat de verdeling al met terugwerkende kracht had plaatsgevonden, vallen de huurbaten vanaf het overlijden totdat de akte van verdeling werd verleden (9 juni 2023) dus wel in de nalatenschap.

Dat het standpunt van [geïntimeerde] wordt verworpen maakt echter nog niet dat ook sprake zou zijn van aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor beweerdelijk daardoor geleden nadeel, ook gelet op de in de akte van verdeling geboden opening (zie hierna). Alleen de onjuiste opvatting dat een verdeling ook met terugwerkende kracht tot stand kan worden gebracht is daarvoor in dit geval onvoldoende. Wel kan het aanleiding zijn om het saldo van de nalatenschap wegens ontvangen huur voor de panden in [plaats3] en [plaats2] aan te passen, zoals hierna zal worden overwogen. Dat die in de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap vallende baten voor wat daarvan nog resteerde op de sterfdatum, ten onrechte niet volledig ( [plaats3] ) respectievelijk voor de helft ( [plaats2] ) zijn opgenomen in de akte van verdeling, is onvoldoende voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] , maar kan wel grond vormen voor aanpassing van het saldo van de nalatenschap.

Verwijt 5) waarde sieraden

[appellanten] hebben onvoldoende onderbouwd dat de sieraden inderdaad voor een te laag bedrag in de verdeling zijn opgenomen

Verwijt 6) de schilderijen

Blijkens de akte van verdeling zijn de schilderijen buiten de verdeling gebleven en onverdeeld gebleven. Het is daarom juist dat er geen waarde voor deze schilderijen is meegenomen in de verdeling. Door [appellanten] is niet aangegeven waarom volgens hen de schilderijen ten onrechte onverdeeld zijn gebleven, zodat dit verweer niet slaagt.

Bij wat hierboven is overwogen over de verwijten die [appellanten] (ten onrechte) aan [geïntimeerde] maken, komt dat ook niet kan niet worden vastgesteld dat [appellanten] door de beweerdelijke foutieve handelwijze van [geïntimeerde] nadeel hebben geleden. In de akte van verdeling is namelijk een opening aan de erfgenamen geboden om “het bedrag/de waarde van de erfdelen ter discussie te stellen, daartoe blijven de andere erfgenamen, ook na het tekenen van deze akte, bevoegd”. Niet is aangevoerd dat [appellanten] van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt; die mogelijkheid bestaat ook nog steeds, zoals hierna zal worden overwogen. Zolang [appellanten] niet die weg hebben gevolgd om hun erfdelen/vorderingen uit onderbedeling aan te laten passen, kan niet worden vastgesteld dat de aan [geïntimeerde] verweten gedragingen ook hebben geleid tot nadeel voor hen.

De stelling van [appellanten] dat de in de akte van verdeling geboden mogelijkheid in werkelijkheid niet bestaat, omdat “het achteraf aan de kaak stellen van een door de afwikkelingsbewindvoerder reeds bewerkstelligde verdeling naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad als zodanig niet mogelijk [is]”, wordt daarbij verworpen. In deze zaak is sprake van een door de bewindvoerder ( [geïntimeerde] ) uitdrukkelijk aan de erfgenamen geboden mogelijkheid om op het punt van de hoogte van de erfdelen/onderbedelingsvorderingen, de verdeling ter discussie te stellen. In zoverre draagt deze verdeling niet een definitief karakter. De geboden mogelijkheid mag op zichzelf weliswaar ongebruikelijk zijn, maar dat sluit de geldigheid van een dergelijke clausule nog niet uit; ook de wet verzet zich niet daartegen. [appellanten] hebben daarmee de mogelijkheid behouden om in een verdelingszaak de verdeling partieel (voorzover het de vaststelling van de hoogte van de erfdelen/vorderingen uit onderbedeling betreft) aan te vechten. Dat hebben zij, ondanks hun (verworpen) stelling dat die mogelijkheid niet bestaat, in hoger beroep ook gedaan. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat alleen de huuropbrengsten die [geïntimeerde] ten onrechte niet heeft laten opnemen in de akte van verdeling, mogelijk een grond kunnen vormen voor aanpassing van de akte van verdeling. De vraag of dat ook daadwerkelijk leidt tot een aanpassing, wordt hieronder (rov. 6.16 e.v.) behandeld.

Overige verwijten aan het adres van [geïntimeerde]

Naast de hierboven besproken verwijten die [appellanten] aan [geïntimeerde] heeft gemaakt en die de omvang van de door hen gestelde vordering op [geïntimeerde] bepalen, hebben zij [geïntimeerde] nog een aantal andere verwijten gemaakt. Die verwijten liggen echter niet ten grondslag aan (de hoogte van) hun vordering uit schadevergoeding respectievelijk aan hun vordering om de verdeling opnieuw te laten plaatsvinden aan de hand van hun opstelling. Het gaat om de volgende verwijten:rechtshandelingen zonder toestemming6.14 [appellanten] verwijten [geïntimeerde] dat hij diverse rechtshandelingen heeft verricht zoals het verkopen van de panden in [plaats1] en [plaats2] , zonder overleg met en toestemming van de (andere) erfgenamen. [geïntimeerde] was daar echter ook niet toe gehouden gelet op de aan hem in het testament toegekende ruime bevoegdheden als executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder tot zowel verdelen als overdragen, en het feit dat deze zaken geheel tot de nalatenschap behoorden.

allocatie en nomaliteitsleer in plaats van de beleggingsleer 6.15 [appellanten] hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] verkeerde keuzes heeft gemaakt bij de allocatie van vermogensbestanddelen en de toepassing van de nomaliteitsleer. De rechtbank heeft deze stellingen gemotiveerd verworpen. In hoger beroep hebben [appellanten] dat oordeel weliswaar betwist, maar zij hebben niet gemotiveerd aangegeven waarom keuzes die [geïntimeerde] heeft gemaakt onrechtmatig zouden zijn, buiten de in dit arrest besproken keuzes. Daarbij wordt opgemerkt dat het wisselen van standpunt op zichzelf niet onrechtmatig is. Het hof vindt in de stellingen van [appellanten] daarom geen aanknopingspunten om anders te oordelen dan de rechtbank.

vergeten verbouwing in [plaats1] 6.16 [appellanten] verwijten [geïntimeerde] dat hij “vergeten” is dat de nalatenschap van moeder een vorderingrecht heeft op de gemeenschap voor de kosten die verbonden waren aan een verbouwing van het pand in [plaats1] . Omdat die verbouwing heeft plaatsgevonden na 1 januari 2012 is op die vordering ook de beleggingsleer van toepassing. Die stelling wordt verworpen.[appellanten] zien er namelijk aan voorbij dat de verbouwing zal zijn bekostigd met geld waarvan door de notaris onbetwist is aangenomen dat het door moeder aan de gemeenschap ter beschikking was gesteld, en waarvoor aan de nalatenschap dus ook een vorderingsrecht is toegekend. De verbouwing van het in de gemeenschap vallende pand is dus, naar mag worden aangenomen, bekostigd met gemeenschapsgeld. Hetzelfde geldt overigens ook voor enkele andere uitgaven waar [appellanten] zich op beroepen.

rekenfout 6.17 [appellanten] verwijten [geïntimeerde] dat hij een rekenfout heeft gemaakt bij de verwerving van het pand in [plaats3] door moeder. In de afwikkeling van de nalatenschap is er vanuit gegaan dat moeder het bedrag van de aanschaf (€ 896.588) zelf heeft bekostigd uit haar eigen middelen minus het bedrag waarvoor de hypotheeklening was afgesloten (€ 575.000), dat zij er dus zelf € 321.588 in heeft gestoken. Daarbij is er echter aan voorbij gegaan dat moeder voor 1/5 deel mede erfgenaam was in de nalatenschap van haar ouders. De aanschafwaarde van het pand bedroeg voor haar dus maar € 717.270, en zij hoefde er aan eigen middelen dus maar € 142.270 in te steken. Dat zou dus moeten leiden tot een hoger vergoedingsrecht van € 179.318.

Deze redenering gaat ervan uit dat moeder haar eigen erfdeel (€ 179.318) in het pand in [plaats3] heeft besteed aan uitgaven ten behoeve van de gemeenschap. Het ligt niet voor de hand dat zij dat heeft gedaan (of het zou moeten zijn geweest ter voldoening aan een verplichting uit 1:84 BW). [appellanten] hebben ook geen onderbouwing voor hun aanname geleverd. Overigens hebben, gelet op hun berekeningen, [appellanten] hun geldvorderingen ook niet mede gebaseerd op deze beweerdelijke fout.

slotsom ten aanzien van onrechtmatig handelen en toerekenbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur/afwikkelingsbewindvoerder

De slotsom van het vorenstaande is dat de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en niet de zorg van een goed executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder heeft betracht en daarom schadeplichtig is, wordt verworpen.

Bestaat er aanleiding om het in de akte van verdeling opgenomen erfdeel/vordering uit onderbedeling voor ieder kind aan te passen.

Het hof komt daarom toe aan de (feitelijk) subsidiaire vordering van [appellanten] om de verdeling anders vast te stellen dan in de akte van verdeling is gedaan.

Zoals hiervoor is overwogen zijn in de verdeling zoals de notaris die heeft opgesteld ten onrechte niet opgenomen de huurinkomsten van de winkelpanden in [plaats3] en (voor de helft) van [plaats2] over de periode vanaf het overlijden van moeder tot aan de door de notaris opgestelde akte van verdeling.

De vraag is of dit aanleiding geeft om de verdeling door de notaris aan te passen.Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich hierover gemotiveerd uit te laten.

Verder zal het hof [appellanten] in de gelegenheid stellen om hun broer [naam2] en hun zus [naam1] op te roepen in dit geding op de voet van artikel 118 Rv. en zich uit te laten over de hiervoor onder 6.21 en 6.22 opgenomen vragen. Er ligt namelijk de vraag voor of de verdeling nog moet worden aangepast vanwege de huurinkomsten. Bij dat aspect van de verdeling dienen alle rechthebbenden te worden betrokken. Daarbij geldt dat de rol van [geïntimeerde] als executeur en afwikkelingsbewindvoerder, en als zodanig ook vertegenwoordiger van [naam2] en [naam1] , is beëindigd na de akte van verdeling. Weliswaar hebben [naam2] en [naam1] zich klaarblijkelijk geschaard achter de standpunten van [geïntimeerde] in dit geschil, maar de vraag ligt op dit moment nog open of dat ook zal gelden voor de nu nog resterende kwestie.

De conclusie

Het hoger beroep faalt voor zover [appellanten] hun vorderingen hebben gebaseerd op onrechtmatig/tekortschietend handelen van [geïntimeerde] . Voor zover hun vorderingen zijn gebaseerd op een aanpassing van de verdeling zoals die heeft plaatsgevonden in de notariële akte van verdeling, worden de stellingen van [appellanten] die ten grondslag liggen aan hun vordering tot aanpassing van die verdeling grotendeels verworpen. Over de wel aanvaarde stelling over ontvangen huurinkomsten zullen partijen, en [naam2] en [naam1] , zich mogen uitlaten wat de (eventuele) gevolgen daarvan zijn voor verdeling.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7. De beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen een akte kunnen nemen als bedoeld onder 6.21 en 6.22

draagt [appellanten] op om hun broer [naam2] en zus [naam1] op te roepen in dit geding op de voet van het bepaalde in artikel 118 Rv. teneinde ook hen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten als bedoeld in 6.21 en 6.22;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 september 2026 voor akte uitlating als hiervoor bedoeld:

houdt iedere verder beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, A.P. de Jong-de Goede en M.J.P. Schipper, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JERF Actueel 2026/207
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand