GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.266
zaaknummer rechtbank Overijssel 343006
beschikking van 6 augustus 2026
over de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige]
in de zaak van
[de moeder]
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. M. van der Burg
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI)
die is gevestigd in Hengelo (O)
en
[de vader] die woont in [woonplaats]advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
als adviseur van het gerechtshof
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] gewijzigd en bepaald dat het contact tussen [de minderjarige] en vader volledig begeleid één keer in de twee weken op donderdag van 15.30 tot 17.30 uur plaatsvindt. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en bepaalt dat er geen omgangsregeling zal zijn tussen de vader en [de minderjarige] . Het hof legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren op [geboortedatum] .
[de minderjarige] woont bij de moeder. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] staat sinds 24 september 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en loopt nog tot 24 september 2026.
Bij beschikking van 4 november 2024 heeft de kinderrechter als omgangsregeling vastgesteld dat er iedere donderdag gedurende twee uur onder begeleiding (van Curess) contact plaats zal vinden tussen de vader en [de minderjarige] .
3. De procedure bij de kinderrechter
De GI heeft de kinderrechter, na een wijziging van het oorspronkelijke verzoek, verzocht om de omgangsregeling te wijzigen en te bepalen dat er geen omgangsregeling is tussen [de minderjarige] en de vader. De vader en de moeder hebben allebei verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en zelfstandige verzoeken ingediend over de omgangsregeling.
De kinderrechter heeft de omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat het contact tussen [de minderjarige] en vader volledig wordt begeleid door Curess, dan wel door een andere door de GI geschikt geachte instantie, en één keer in de twee weken op donderdag plaatsvindt, waarbij de contactduur twee uur (15.30-17.30 uur) is.
Die beslissing is uitgesproken op 20 maart 2026 en is schriftelijk vastgelegd op 23 maart 2026.
4. De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en bepaalt dat de vader en [de minderjarige] eenmaal per maand, op de tweede zaterdag of zondag, van 10.00 tot 12.00 uur onder begeleiding van Curess contact hebben.
De GI is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter en het verzoek van de moeder in hoger beroep. De GI wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de moeder afwijst. De GI verzoekt het hof, zo is tijdens de zitting verduidelijkt, te bepalen dat er geen omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader zal zijn.
De vader heeft schriftelijk laten weten dat hij geen verweer voert in deze procedure.
De moeder refereert zich, ten aanzien van het verzoek van de GI, aan het oordeel van het hof.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ontvangen op 9 april 2026
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de GI
het bericht namens de vader van 26 mei 2026
het bericht namens de moeder van 29 mei 2026
de brief van de raad van 3 juni 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
De zitting bij het hof was op 9 juli 2026. Aanwezig waren:
de moeder met haar advocaat
twee vertegenwoordigers van de GI
De ambulant begeleidster van de moeder heeft de zitting met bijzondere toegang als toehoorder bijgewoond.
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan, op verzoek van de gecertificeerde instelling, voor de duur van de ondertoezichtstelling een regeling over de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de kinderen noodzakelijk is.Het recht op omgang kan ook worden ontzegd.
Hoe oordeelt het hof?
Uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de vader niet meewerkt aan de uitvoering van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, omdat die regeling niet aan zijn wensen voldoet. Sinds eind februari 2026 heeft de vader geen omgang meer gehad met [de minderjarige] . In een e-mail van 7 mei jl. heeft de vader aan de GI laten weten dat hij de omgang stopzet. De vader schrijft in die e-mail verder dat hij als gevolg van de situatie rond de omgang veel stress ervaart en dat hij, als dit zo doorgaat, niet voor zichzelf in kan staan. Hij schrijft ook dat hij niet wil dat de situatie uit de hand gaat lopen. De vader wil, zo begrijpt het hof uit zijn e-mail, dat de omgang een keer per week plaatsvindt met perspectief op uitbreiding en dat daarbij wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI benadrukt dat de vader een onbegeleide omgangsregeling wil. De GI heeft ook uitgelegd dat begeleiding naar haar mening noodzakelijk is, omdat de vader zijn emoties “niet kan weghouden” bij [de minderjarige] . Begeleiding is dus nodig voor zijn emotionele veiligheid. De kinderrechter heeft overwogen dat de vader onvoorspelbaar is in zijn gedrag, dat hij erg boos kan worden en dan dreigend overkomt, zodat de begeleiding van een professionele instantie noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de omgang voor [de minderjarige] veilig en prettig verloopt. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter dit op juiste gronden heeft overwogen. De vader weigert echter mee te werken aan de vastgestelde begeleide omgangsregeling.
Van belang is verder dat er regelmatig omgangsmomenten niet zijn doorgegaan en/of afgezegd, waarbij de moeder pas kort van tevoren hoorde dat het niet door zou gaan. De GI heeft benadrukt dat [de minderjarige] spanning ervaart op de momenten dat hij onduidelijkheid heeft over de omgang, wat niet in zijn belang is. Omdat de bestaande omgangsregeling niet langer wordt nagekomen, heeft [de minderjarige] op dit moment geen duidelijkheid over het contact met zijn vader en blijft de daarmee samenhangende ontwikkelingsbedreiging in stand. Het hof is het, gelet op het voorgaande, met de GI eens dat het helemaal stopzetten van de omgangsregeling op dit moment minder schadelijk is voor [de minderjarige] dan het laten voortduren van de huidige, onduidelijke situatie.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het op dit moment in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat er geen omgangsregeling geldt tussen hem en de vader. Het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] onder de huidige omstandigheden is in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige]. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dan ook ongedaan maken (vernietigen) en bepalen dat er geen omgangsregeling is tussen de vader en [de minderjarige] .
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de moeder en de GI laten weten contact tussen vader en [de minderjarige] belangrijk te vinden. De GI heeft laten weten dat zij, ongeacht het oordeel van het hof over de omgangsregeling, een verlenging van de ondertoezichtstelling gaat vragen en dat zij hoopt dat er in de toekomst een ommekeer komt bij de vader. Het hof benadrukt dat het van belang is dat de vader stappen gaat zetten, zodat er in de toekomt op een voor [de minderjarige] voorspelbare en veilige manier contact kan zijn tussen hem en zijn vader.
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 20 maart 2026, voor zover daarbij de omgangsregeling is gewijzigd en een andere omgangsregeling is bepaald;
wijzigt de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 4 november 2024 door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, en bepaalt dat er geen omgangsregeling is tussen de vader en [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, en is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.