GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 18 april 2025, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 907,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “R395 - voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op
4 november 2022 om 13.56 uur op het Stadhuisplein in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de motorfiets stuk ging waardoor deze niet verder kon rijden. De betrokkene heeft dit gemeld bij een agent die ter plaatse was. Deze gaf aan dat het goed was als de betrokkene snel heen en weer zou gaan om een onderdeel te kopen en om de motor zo lang te laten staan. Waarschijnlijk is sprake van een miscommunicatie tussen de politie en de parkeerwacht, want bij terugkomst om 14.05 uur zag de betrokkene dat een boete was opgelegd. Daarnaast is feitcode R315b van toepassing, waarbij hinder centraal staat. Daar komt bij dat niet met een grote boog om de motor gelopen hoefde te worden. Te zien is duidelijk dat het spatbord op het achterwiel rust, wat dus niet een normale situatie is. Er is daarnaast ook geen sprake van een trottoir. Er is geen stoeprand en het daadwerkelijk trottoir is aan de andere zijde van de rijbaan. Voor een gemiddelde weggebruiker lijkt het op een parkeervak.
3. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), dat luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond waardoor hinder werd dan wel kon worden veroorzaakt. De situatie was als volgt: motor op de stoep geparkeerd waar voetgangers moeten lopen. De (mogelijke) hinder bestond uit dat er hierdoor geen invalide gebruikers met een rolstoel langs kunnen en de voetgangers op de rijbaan moeten lopen of met een grote boog eromheen wat voor gevaar zorgt voor de andere weggebruikers.”
6. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer:“Ik, verbalisant, heb de betrokkene ter plaatse niet rondom het voertuig of in de nabije omgeving gezien of persoonlijk gesproken. In Amersfoort is het parkeren van een motorvoertuig op de stoep toegestaan ‘mits’ dit geen hinder zorgt voor het overige verkeer.Ik, verbalisant, zag namelijk dat het motorvoertuig zorgde voor hinder bij voetgangers omdat de doorgang werd geblokkeerd waardoor men geïrriteerd reageerde. De voetgangers moesten vervolgens met een boog om het motorvoertuig lopen over de openbare weg wat zorgt voor gevaarlijke situaties met het overige verkeer.”
7. In het dossier bevinden zich daarnaast foto’s van de gedraging. Hierop is te zien dat er aan het Stadhuisplein meerdere parkeervakken zijn. De parkeervakken zijn met witte klinkers aangegeven. Naast het laatste parkeervak in een rij staat de motorfiets van de betrokkene op een met rode klinkers bestraatte ondergrond. Daarnaast is een met gele klinkers bestraatte rijbaan te zien. Tussen de rode klinkers en gele rijbaan loopt een zwarte band. De motor staat precies in het midden tussen de geparkeerde auto in het parkeervak en de rijbaan.
8. De gemachtigde stelt dat het voertuig van de betrokkene ter plaatste stond geparkeerd met toestemming van een agent. Hij doet in feite een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het is aan (de gemachtigde van) de betrokkene om de feiten die hij aan het beroep op het vertrouwensbeginsel ten grondslag legt aannemelijk te maken. Daar is de gemachtigde niet in geslaagd. Niet is gebleken dat de betrokkene met iemand gesproken heeft die het vertrouwen kon wekken dat hij zijn motor ter plaatse mocht parkeren. Er is ook niet aangetoond dat de betrokkene maar even weg was om een onderdeel voor zijn motor te kopen. De gemachtigde schrijft dat de betrokkene rond het tijdstip van de gedraging bij een garage is geweest, maar onderbouwt dit niet met bijvoorbeeld een factuur en/of betalingsbewijs. Daarom slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
9. Het beroep op overmacht slaagt ook niet, nu niet aannemelijk is gemaakt dat het voertuig van de betrokkene niet meer kon rijden. Daarnaast is ook niet uitgelegd waarom het voertuig niet ergens anders kon staan. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat uit de foto’s van de gedraging blijkt dat het voertuig naast de vakken van een parkeerterrein is gezet. Niet gesteld of gebleken is dat daar niet in een parkeervak kon worden geparkeerd. Derhalve kan niet worden gezegd dat er een reden is die maakt dat een sanctie achterwege moet blijven.
10. Het hof ziet wel aanleiding om de feitcode te wijzigen in R315b. Dit betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeerregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikellid schrijft voor dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad. De gemachtigde stelt weliswaar dat de plek waar de motor stond zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet als een parkeervak, maar naar het oordeel van het hof is de plek waar de motor stond aan te merken als een trottoir. Dit verweer is ook tegenstrijdig met het beroep op het vertrouwensbeginsel. Als de betrokkene immers werkelijk in de veronderstelling verkeerde zijn motorfiets in een parkeervak te hebben neergezet, was er geen aanleiding om hiervan melding te doen bij een agent. Nu uit het dossier niet blijkt dat sprake is van meer hinder die of gevaar dat al is verdisconteerd in de feitcode R315b, stond het de ambtenaar niet vrij om een sanctie voor de feitcode R395 op te leggen. Het sanctiebedrag bij feitcode R315b was ten tijde van de gedraging € 110,-.
11. Nu de kantonrechter het bedrag van de sanctie heeft gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof het hiervoor genoemde sanctiebedrag ook verminderen met
25 procent.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift, een nadere toelichting daarop en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal 4,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 666,- en voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.442,13 (= (1 x € 666,- x 0,5) + (2 x € 934,- x 0,5) + (1,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in “R315b - als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad” en € 82,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.442,13.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.