ECLI:NL:GHARL:2026:5188

ECLI:NL:GHARL:2026:5188

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer 25/618 t/m 25/621
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2020:5908

Samenvatting

Uitspraak na verwijzing. IB/PVV. Afgezonderd particulier vermogen (APV).

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 25/618 tot en met 25/621

uitspraakdatum: 4 augustus 2026

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

in het hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Breda (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 26 november 2020, nummers BRE 17/1364 tot en met 17/1367, ECLI:NL:RBZWB:2020:5908, in het geding tussen

[belanghebbende1] (hierna: [belanghebbende1] ) en

[belanghebbende2] te [woonplaats] (hierna: [belanghebbende2] ) (hierna tezamen: belanghebbenden)

en de Inspecteur,

alsmede de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de Staat)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbenden zijn voor de jaren 2011 en 2012 de volgende aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd:

Belanghebbende

Aanslag

Belastbaar inkomen

Rente

Box 1

Box 2

Box 3

[belanghebbende1]

IB/PVV 2011

nihil

€ 509.200

€ 177.072

€ 16.202

[belanghebbende1]

IB/PVV 2012

nihil

€ 264.029

€ 175.712

€ 11.221

[belanghebbende2]

IB/PVV 2011

€ 38.256

€ 509.200

€ 234.602

€ 16.341

[belanghebbende2]

IB/PVV 2012

€ 6.774

€ 264.029

€ 233.759

€ 11.458

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 13 januari 2017 voornoemde aanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 26 november 2020, nummers BRE 17/1364 tot en met 17/1367, ECLI:NL:RBZWB:2020:5908, de beroepen gegrond verklaard en de aanslagen en rentebeschikkingen als volgt – overeenkomstig de aangiften – verminderd:

Belanghebbende

Aanslag

Belastbaar inkomen

Rente

Box 1

Box 2

Box 3

[belanghebbende1]

IB/PVV 2011

nihil

nihil

nihil

conform

[belanghebbende1]

IB/PVV 2012

nihil

nihil

nihil

conform

[belanghebbende2]

IB/PVV 2011

€ 38.256

nihil

€ 57.530

conform

[belanghebbende2]

IB/PVV 2012

€ 6.774

nihil

€ 56.355

conform

Verder heeft de Rechtbank vergoedingen toegekend voor griffierechten, proceskosten en immateriële schade van respectievelijk tweemaal € 46, tweemaal € 1.376 en € 4.000.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: Hof Den Bosch) heeft bij uitspraak van 7 december 2022, nummers 20/00738 tot en met 20/00741, ECLI:NL:GHSHE:2022:4440, het hoger beroep gegrond verklaard en de aanslagen als volgt vastgesteld:

Belanghebbende

Aanslag

Belastbaar inkomen

Rente

Box 1

Box 2

Box 3

[belanghebbende1]

IB/PVV 2011

nihil

€ 115.200

€ 177.072

conform

[belanghebbende1]

IB/PVV 2012

nihil

€ 264.029

€ 175.712

€ 11.221

[belanghebbende2]

IB/PVV 2011

€ 38.256

€ 115.200

€ 234.602

conform

[belanghebbende2]

IB/PVV 2012

€ 5.345

€ 264.029

€ 233.759

conform

Verder heeft Hof Den Bosch de beslissing van de Rechtbank over de toegekende vergoedingen in stand gelaten.

Belanghebbenden hebben tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 februari 2025, nummer 23/00153, ECLI:NL:HR:2025:241 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van Hof Den Bosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

De Inspecteur heeft bij brieven van 30 april 2025 gereageerd op het verwijzingsarrest. Daarbij heeft de Inspecteur de zogenoemde oude stukken (zie 2.18 hierna) ingebracht. Hij heeft ook de zogenoemde nieuwe stukken ingebracht en daarbij verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb.

Belanghebbenden hebben bij brief met dagtekening 6 juni 2025 gereageerd op het verwijzingsarrest. Zij hebben daarin met een beroep op artikel 8:42 Awb gesteld dat bij de oude stukken een op de zaak betrekking hebbend stuk ontbreekt.

Het Hof heeft bij tussenuitspraak van 18 november 2025 het verzoek van de Inspecteur tot beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedeeltelijk toegewezen en een verzoek op de voet van artikel 8:42 van de Awb van belanghebbenden om overlegging van op de zaak betrekking hebbende stukken afgewezen. De Inspecteur heeft vervolgens gelakte stukken overgelegd. Belanghebbenden hebben de hoofdkamer die deze zaken inhoudelijk gaat behandelen toestemming verleend voor kennisneming van de delen waarvoor het verzoek is toegewezen.

Belanghebbenden hebben op 19 juni 2026 een nader stuk ingediend.

De Inspecteur heeft op 29 juni 2026 een pleitnota ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. [belanghebbende1] is verschenen, bijgestaan door haar zoon [naam1] en de advocaten mr. D.G. Barmentlo, mr. drs. A.G. Haasnoot en mr. N. ten Donkelaar. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] , [naam3] , [naam4] en [naam5] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Feiten

Belanghebbenden zijn met elkaar gehuwd en zijn beiden woonachtig in Nederland.

[belanghebbende2] heeft op 22 juli 1987 naar het recht van de Nederlandse Antillen de naamloze vennootschap [onderneming1] N.V. (hierna: de NV) opgericht. Op 30 oktober 1987 is de naam van de NV gewijzigd in [onderneming2] N.V. De NV had een belang van 49 procent van de aandelen in de eveneens naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte en in Curaçao gevestigde naamloze vennootschap [onderneming3] N.V. (hierna: International NV), die op haar beurt alle aandelen hield in de naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde besloten vennootschap [onderneming4] B.V. (hierna: de BV). De overige 51 procent van de aandelen in International NV werd middellijk gehouden door een zakenpartner van [belanghebbende2] .

In de brief van 8 december 2019 van [belanghebbende2] aan International NV staat:

“Refereer aan de telefoongesprekken van deze week

Hierbij fax ik u de gevraagde documenten voor het doen laten oprichten van een Private Foundation conform VOORBEELD 1.

(Wat zijn eigenlijk de wezenlijke verschillen tussen de voorbeelden 1, 2 en 3.)??

Ik ga er vanuit dat mijn naam in de statuten en/of oprichtingsakte niet voorkomt.

Verzoek aan u om de gefaxte documenten te controleren en mij even te laten weten of er nog iets veranderd moet worden en/of nog een aanvulling nodig is. Daarna zal ik de originelen per courier toesturen en de usd. 6.000.- overmaken.”

Op 31 december 1999 is naar het recht van de Nederlandse Antillen de [stichting1] (hierna: de SPF) opgericht door [onderneming5] N.V. (hierna: [onderneming5] ). Het bestuur van de SPF werd gevoerd door [onderneming6] N.V. (hierna: [onderneming6] ), nadien gewijzigd in [onderneming7] (hierna: [onderneming7] ). In de ‘Articles of Incorporation’ is onder meer het volgende bepaald:

"PURPOSE

Article 2

1. The purpose of the foundation (Hof: de SPF) is to preserve and manage assets [...] for the ultimate benefit of the members of the family who are beneficiaries.

(…)

MANAGEMENT

Article 3

(…)

3. Any vacancies and/or additions to the Board of Directors shall be filled by the beneficiaries.

(…)

TERMINATION OF DIRECTOR’S TERM OF OFFICE

Article 7

A director ceases to be one:

a. by death or, if a legal person, by its dissolution;

b. by resignation of his own accord;

c. by reason of a guardian having been appointed over him or by his having been adjudicated bankrupt;

d. upon his dismissal by the Board of Directors, after its consultation with the beneficiaries.

e. if he is a director appointed by the President-judge – in the case contemplated in paragraph 2 of article 4;

AMENDMENT OF THE ARTICLES OF ASSOCIATION AND DISSOLUTION OF THE FOUNDATION

Article 9

(…)

3. Liquidation shall be effected by the Board of Directors. The liquidation surplus, if any, shall be applied in accordance with a resolution of the Board of Directors and within the scope of the foundation’s objects.

FINAL STATEMENT

The first director shall be: [onderneming6] N.V., established in Curaçao”.

Op 24 februari 2000 hebben [onderneming5] als “Assignor” en belanghebbenden als “Assignee” een Agreement and Deed of Assignment gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:

“WHEREAS, the Assignor has Incorporated [stichting1] , a foundation established in Curaçao as a privade foundation under article 1 B of the 1967 Ordinance on Foundations, as amended (the “Foundation)

WHEREAS, upon the incorporation of the Foundation, Assignor has acquired the Founder’s authority (oprichtingsbevoegdheid) as laid down in the Articles of Incorporation of the Foundation;

WHEREAS, in accordance with article 7.2 of the Articles of Incorporation of the Foundation, the Founder wishes to transfer his authorities to the Assignee, including the authority to substitute a subsequent person or corporation as person with founder’s authority,

HEREBY AGREE AS FOLLOWS:

The Assignor hereby, pursuant to article 7 of the Articles of Incorporation of the Foundation, assigns his founder’s authority to the Assignee including the authority to substitute a subsequent person or corporation as person with founder’s authority, which founder’s authority is hereby accepted by the Assignee.

The transfer of the founder’s authority will take effect as from the date that this Assignment was made known to the Board of Directors of the Foundation.

It is explicitly understood that the founder’s authority is personal and cannot be exercised by any other person (even in the event of the bankruptcy of the person with founder’s authority), and does not devolve on the successors in inheritance. In the event that the founder’s authority ceases or cannot be exercised, the authority devolves on to the Board of Directors of the Foundation.

The founder’s authority can only be exercised by two persons acting jointly.”

In februari 2000 hebben [onderneming6] als “manager” en belanghebbenden als “Founder” een managementovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:

“Duties

Article II

(…)

4. In the execution of its duties the manager shall take care of the interests of the Foundation and the wishes of the Founder to the best of its abilities.

(…)

Liability

Article III

Neither the manager nor any of its directors, officers or employees shall be liable towards the Foundation (Hof: de SPF) for any action lawfully taken or omitted to be taken by it or them thereunder or in connection herewith, except for its own or their own gross negligence or misconduct.

Indemnity

Article IV

The Founder shall safeguard the manager, its directors, officers and employees and keep them harmless from any claim, which -rightly or wrongly- may be made against the manager, its directors, officers or employees arising from or connected with the manager’s performance under this agreement, unless in the event of gross negligence or willful misconduct of the manager, or any of its directors, officers or employees.

The Foundation (Hof: de SPF) will reimburse the management for any costs and expenses, including lawyer’s fees in connection with such a claim.

Termination

Article V

1. Both the manager and the Founder may terminate this agreement, without any obligation to state any reason therefor, on three months notice by way of registered letter to the Mailing Address of the other party.

(…)

4. In the event of termination of this agreement the Founder shall instruct the manager to whom the management of the Foundation will be transferred. In absence of such instructions the manager shall inform those parties it deems useful, including but not limited to the local authorities in the Netherlands Antilles, about the termination of this agreement, and notify them the new Mailing Address of the Foundation for all purposes. The Founder, the Foundation after its incorporation and the manager agree or will agree that upon termination of the agreement the files of the Foundation will be transferred to the new director only if and when all amounts due by the Foundation to the manager has been paid.”.

Op 26 april 2000 hebben de SPF en [bank] N.V. een “indemnity letter” getekend. Belanghebbenden hebben namens de SPF getekend.

In april 2000 heeft [onderneming6] als bestuurder volmacht verleend aan [belanghebbende2] met betrekking tot de bankrekening van de SPF. In die volmacht heeft de bestuurder aan [belanghebbende2] het recht verleend om, zonder enige beperking, in naam van de SPF alle rechten als houder van de bankrekening ten name van de SPF uit te oefenen, tot maximaal het bedrag van de eventueel op die rekening geoorloofde debetstand.

Op 2 november 2000 heeft [belanghebbende2] de aandelen in de NV geschonken aan de SPF. De NV is op 20 april 2001 ontbonden. Het vermogen van de SPF omvatte sindsdien het belang van 49 procent van de aandelen in International NV, effecten en bankrekeningen.

Bij brief van 29 mei 2002 hebben belanghebbenden aan [onderneming6] betreffende “ [stichting1] List of wishes nr. 1 ” het volgende verzocht:

“U vormt het bestuur van de Stichting die op ons verzoek op 31/12/1999 ingesteld. In de oprichtingsakte zijn de voorwaarden opgenomen waaraan u bij het beheer van de reeds door u ontvangen en nog te ontvangen goederen gehouden bent.

Alhoewel wij accepteren dat met het instellen van de Stichting het beheer en de zeggenschap over de in de Stichting ingebrachte en nog in te brengen goederen aan u hebben overgedragen, zenden wij u hierbij onze wensen ten aanzien van het beheer en de bestemming van het kapitaal. Wij vertrouwen erop dat u uw zeggenschap en discretie overeenkomstig onze wensen zult uitoefenen, ofschoon wij weten dat u hiertoe niet juridisch gebonden bent.

1. Begunstigden

We zouden het op prijs stellen indien de volgende personen, na overlijden van de founders, tot eerste Begunstigden worden benoemd:

1. [voornaam1] [familienaam belanghebbende2] , geboren op [geboortedatum1] 1979 te [woonplaats] .

2. [voornaam2] [familienaam belanghebbende2] , geboren op [geboortedatum2] 1981 te [woonplaats] .

3. [voornaam3] [familienaam belanghebbende2] , geboren op [geboortedatum3] 1983 te [plaats] .”

Op 25 november 2003 heeft de zakenpartner van [belanghebbende2] de bestuurder namens International NV geïnformeerd over een door [belanghebbende2] en hemzelf voorgenomen herstructurering van International NV. Deze herstructurering heeft plaatsgevonden op 11 december 2003. Daarbij zijn de bestaande aandelen ingetrokken en zijn letteraandelen uitgegeven. De SPF houdt na de herstructurering nog een belang van 24% in International NV, , bestaande uit gewone aandelen A. Een belang van 25% bestaande uit letteraandelen D is verkregen door [onderneming8] N.V., een dochtermaatschappij van [onderneming9] B.V., waarvan [belanghebbende2] de enig aandeelhouder en bestuurder is. In 2007 heeft International NV de aandelen in de BV verkocht aan een derde.

Bij brief van 5 december 2003 hebben belanghebbenden aan [onderneming6] betreffende “ [stichting1] List of Wishes ” het volgende verzocht:

“U vormt het bestuur van de Stichting die op ons verzoek op 31/1 7/1 999 ingesteld. In de oprichtingsakte zijn de voorwaarden opgenomen waaraan u bij het beheer van de reeds door u ontvangen en nog te ontvangen goederen gehouden bent.

Alhoewel wij accepteren dat met het instellen van de Stichting het beheer en de zeggenschap over de in de Stichting ingebrachte en nog in te brengen goederen aan u hebben overgedragen, zenden wij u hierbij onze wensen ten aanzien van het beheer en de bestemming van het kapitaal. Wij vertrouwen erop dat u uw zeggenschap en discretie overeenkomstig onze wensen zult uitoefenen, ofschoon wij weten dat u hiertoe niet juridisch gebonden bent.

Wish 1

Zodra de door [onderneming3] N.V. uitgekeerde dividenden in December door U ontvangen zijn, verzoeken wij U om het netto bedrag (na aftrek van bankkosten) geheel op basis van een achtergestelde lening uit te lenen aan [onderneming3] N.V. conform de bijgesloten concept leenovereenkomst en het bedrag direct op de rekening van [onderneming3] N.V. te Curacao over te maken.

Wish 2

Nadat Wish 1 is uitgevoerd, verzoeken wij u om een lening te versterken aan [onderneming8] N.V., conform de bijgesloten concept leenovereenkomst en het bedrag direct op de rekening van [onderneming8] N.V. te Curacao over te maken.”

[belanghebbende2] heeft [onderneming7] , de opvolger van [onderneming6] , bij brief van 15 juni 2008 het volgende verzocht:

“Geachte bestuurders,

Hierbij verzoeken wij u om de [stichting1] een rekening te laten openen bij [bank2] LUXEMBOURG te Luxembourg. De aanvraag formulieren zijn hierbij toegevoegd en met de gele stickers is aangegeven waar de aanvrager moet tekenen. De contactpersoon bij [bank2] is [naam6] ( [telefoonnummer] ).

Naast het bovengenoemde verzoeken wij u tevens de volgende documenten aan [bank2] te overleggen te weten:

1. Statuten van [stichting1] .

2. Benoeming van de administrator.

3. Procesverbaal van de laatste vergadering.

4. Letter of Wishes.

5. Volmacht van de huidige bestuurders aan de volgende personen:

- [voornaam4] [familienaam belanghebbende2] , geb. [geboortedatum4] 1950, [paspoortnummer1] .

- [voornaam5] [familienaam belanghebbende2] – [belanghebbende1] , geb. [geboortedatum5] 1951, [paspoortnummer2]

Mocht u nog vragen hebben betreffende de aanvraag dan verzoek ik u die rechtstreeks te richten aan [naam6] .

Verzoeken u om de aanvraag formulieren en de gevraagde documenten rechtstreeks per koerier te zenden aan [naam6] bij [bank2] LUXEMBOURG, [adres bank] .

Bij voorbaat dank voor uw medewerking.”

De voormalige adviseur van belanghebbenden heeft bij brief van 23 december 2009 de Inspecteur bericht dat [belanghebbende2] gebruik wenst te maken van de inkeerregeling. [belanghebbende2] heeft de Inspecteur onder meer op de hoogte gesteld van de hiervoor in 2.9 bedoelde schenking en daarbij vermeld dat de waarde van de aandelen in de NV op dat moment fl. 4.200.000 bedroeg.

In juni 2012 hebben belanghebbenden met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten over de toerekening van (het vermogen van) de SPF aan belanghebbenden over de jaren 2001 tot en met 2009, hetgeen heeft geresulteerd in de afspraak dat een bedrag van € 2.300.000 aan enkelvoudige IB/PVV wordt geheven in één navorderingsaanslag IB/PVV 2004 ten name van [belanghebbende2] . In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer:

“In geschil is of en in hoeverre de boven genoemde betrokkenheid voor belanghebbenden kan worden geduid als het gerechtigd zijn tot het zich in de SPF [stichting1] bevindende vermogen. Indien sprake is van gerechtigd zijn tot het vermogen van SPF [stichting1] hadden belanghebbenden over de jaren 2001 tot en met 2009 dit vermogen en/of de inkomsten daaruit in de verschillende op genoemde jaren betrekking hebbende aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen moeten verantwoorden.

Partijen willen thans overeenstemming bereiken omtrent de wijze waarop de vermeende gerechtigdheid van belanghebbenden in SPF [stichting1] in de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2009 fiscaal in aanmerking had moeten worden genomen.”

In de jaren 2011 en 2012 heeft International NV dividenden uitgekeerd aan de SPF van respectievelijk € 230.400 en € 321.600. De SPF heeft in 2011 een verlies geleden van NAf 607.872. Op 31 mei 2012 heeft de SPF haar aandelen in International NV verkocht aan een vennootschap waarvan [belanghebbende2] middellijk enig aandeelhouder en bestuurder is. Uiteindelijk, bij haar hierna in 2.18 bedoelde vereffening, heeft de SPF over het jaar 2012 een winst behaald van NAf 463.855. Het verlies van 2011 is verrekend met die winst.

In de e-mail van de adviseur van [belanghebbende2] van 8 mei 2012 aan [onderneming7] staat:

“Ik heb vanochtend een bespreking met [belanghebbende2] en [belanghebbende1] gehad. Zij gaan definitief akkoord met het compromisvoorstel en met het liquideren van de SPF. Zou jij in dit kader de voorbereidingen voor de liquidatie in gang willen zetten. (…) Vanuit een Nederlands fiscaal perspectief is het, zoals gezegd, eigenlijk alleen van belang dat er maar 1 uitkering aan de heer [belanghebbende2] kan plaatsvinden.”

Op 12 juni 2012 is de SPF ontbonden. Belanghebbenden hebben een liquidatie-uitkering ontvangen die bestaat uit effecten en liquide middelen. De liquidatiebalans van de SPF luidt als volgt:

Effecten € 7.910.337 Bestemmingsreserve € 9.388.285

Overlopende activa € 71.354 Batig saldo € 202.592

Liquide middelen € 1.615.800 Overige schulden € 6.614

€ 9.597.491 € 9.597.491

In de e-mail van 15 juni 2012 van adviseur van belanghebbenden staat:

“Woensdag gesproken met [naam7] inzake SPF [stichting1] . Gevraagd naar de status van de liquidatie. Zij meldde dat zij de liquidatie dinsdag in gang heeft gezet. Nogmaals benadrukt dat er in totaal maar 1 (liquidatie)uitkering mag zijn. Zij heeft bevestigd dat dit het geval is. Opgemerkt dat de vaststellingsovk nu door alle partijen is ondertekend zodat het nu wachten is op de oplegging van de navorderingsaanslag waarna [belanghebbende2] 4 weken de tijd heeft om te betalen. De liquidatie zou volgens [naam7] ruim op tijd afgerond zijn.”

Bij de aanslagregeling IB/PVV 2011 en 2012 heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat voor de heffing van inkomstenbelasting het vermogen van de SPF aan belanghebbenden moet worden toegerekend. Hij heeft daarom de door belanghebbenden voor die jaren aangegeven belastbare inkomens gecorrigeerd en de onderhavige aanslagen opgelegd. Belanghebbenden hebben daartegen bezwaar en beroep ingesteld.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van zwevend vermogen dat bij geen enkel persoon in de belastingheffing wordt betrokken, dat daarvoor de regeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 (afgezonderd particulier vermogen (APV)) in het leven is geroepen, dat zelfs als belanghebbenden de beschikkingsmacht over het vermogen van de SPF zouden hebben behouden dit toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 niet uitsluit, dat de belastingheffing van de SPF op Curaçao kwalificeert als een reële heffing, en dat dit meebrengt dat een toerekening op grond van artikel 2.14a, lid 1, Wet IB 2001 van het vermogen van de SPF aan belanghebbenden achterwege dient te blijven. De Rechtbank heeft daarom de correcties laten vervallen en de aanslagen verminderd overeenkomstig de ingediende aangiften.

Hof Den Bosch heeft aannemelijk geacht dat [belanghebbende2] is blijven beschikken over het vermogen van de SPF als ware het zijn eigen vermogen, dat een vermogensafzondering niet aan de orde is en de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 dus evenmin. Hof Den Bosch heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de aanslagen en rentebeschikkingen, overeenkomstig het gelijkluidende standpunt van partijen, vastgesteld zoals hiervoor vermeld in 1.4. Het ter zitting gedane verzoek van belanghebbenden op de voet van artikel 8:42 Awb om overlegging van interne stukken van de Belastingdienst, waaronder een e-mailwisseling tussen de Inspecteur en de ‘Kennisgroep 10a Vpb’, heeft Hof Den Bosch tardief verklaard.

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest overwogen dat Hof Den Bosch is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting dat indien komt vast te staan dat de belastingplichtige over een bij een derde, zoals een SPF, ondergebracht vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, dat vermogen niet een afgezonderd vermogen is als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001. De Hoge Raad heeft de hofuitspraak vernietigd omdat Hof Den Bosch het ter zitting gedane verzoek om overlegging van interne stukken van de Belastingdienst, niet tardief had mogen verklaren. De Hoge Raad heeft het geding naar het Hof verwezen om, nadat de desbetreffende stukken alsnog in het geding zijn gebracht, opnieuw te beoordelen of [belanghebbende2] over het vermogen van de SPF kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

Wat betreft het verzoek om overlegging van stukken, heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest onderscheid gemaakt tussen zogenoemde oude en nieuwe stukken. De oude stukken betreffen de stukken die de Inspecteur eerder aan de Rechtbank had overgelegd, en die met een – door de geheimhoudingskamer van de Rechtbank gehonoreerd – beroep op artikel 8:29 Awb waren geheimgehouden. De nieuwe stukken hebben betrekking op een verzoek van de Inspecteur aan een kennisgroep dat is gedaan na de uitspraak van de Rechtbank en dat heeft geresulteerd in een overleg en een memo. De in dat memo neergelegde bevindingen heeft de Inspecteur verwerkt in zijn nadere stuk voor Hof Den Bosch. Volgens de Hoge Raad moet daarom worden aangenomen dat de nieuwe stukken van belang konden zijn voor de beslechting van een nog bestaand geschilpunt. Dergelijke stukken behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb die de Inspecteur uit eigen beweging aan de rechter over moet leggen, aldus de Hoge Raad.

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de zaak verwezen om ‘opnieuw te beoordelen of [belanghebbende2] over het vermogen van de SPF kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen’.

In zijn reactie op het verwijzingsarrest heeft de Inspecteur de oude stukken alsnog ingebracht. Belanghebbenden betwijfelen of alle oude stukken zijn ingebracht en beroepen zich in zoverre op artikel 8:42 Awb. Verder heeft de Inspecteur opgemerkt dat (i) de nieuwe stukken niet hoeven te worden overgelegd omdat deze niet op de zaak betrekking hebben in de zin van artikel 8:42 Awb, nu deze stukken uitsluitend zien op de vraag of aan de voorwaarden van artikel 2.14a, lid 7, Wet IB 2001 is voldaan en die kwestie bij Hof Den Bosch niet aan de orde is geweest, en dat (ii) voor zover wel sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken, wordt verzocht om beperkte kennisneming daarvan als bedoeld in artikel 8:29 Awb. Ter zitting van de geheimhoudingskamer van 2 oktober 2025 heeft de Inspecteur zijn stelling (i) inzake artikel 8:42 Awb ingetrokken, zodat niet langer in geschil is dat de Inspecteur de zogenoemde nieuwe stukken in het geding moet brengen omdat deze op de zaak betrekking hebben.

De geheimhoudingskamer heeft het verzoek (ii) inzake de beperkte kennisneming gedeeltelijk toegewezen. De Inspecteur heeft in dat verband nieuwe stukken overgelegd. Belanghebbenden hebben de hoofdkamer vervolgens toestemming verleend voor kennisneming van de delen waarvoor het verzoek is toegewezen.

3. Geschil

Na verwijzing komen ook de door Hof Den Bosch niet behandelde geschilpunten aan de orde. Dit brengt mee dat na verwijzing de volgende punten in geschil zijn:

Heeft [belanghebbende2] kunnen beschikken over het vermogen van de SPF als ware het zijn eigen vermogen?

Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord: is artikel 2.14a, lid 7, Wet IB 2001 van toepassing?

Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: is sprake van een fictieve vervreemding van de aandelen [onderneming10] N.V. als bedoeld in art. 4.16 lid 1 sub f of g, Wet IB 2001?

Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord: is sprake van fraus legis?

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbenden concluderen tot bevestiging van die uitspraak.

Tussen partijen is niet in geschil dat, indien het hoger beroep van de Inspecteur gegrond wordt verklaard, het Hof de cijfermatige conclusies van de Inspecteur kan volgen zoals weergegeven in bijlagen 48 en 49 van de motivering van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Tussenuitspraak

Het Hof zal slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een uitzonderlijk geval is in dit geval niet gebleken, zodat de in de tussenuitspraak gegeven oordelen als eindbeslissing kunnen worden opgevat.

Verwijzingsopdracht

Het Hof is, anders dan de Inspecteur, van oordeel dat het eerste geschilpunt integraal moet worden beoordelen. Het Hof leidt dit af uit rechtsoverweging 4.4 van het verwijzingsarrest, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat verwijzing moet volgen om, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverwegingen 4.1.3 en 4.1.4 is overwogen, opnieuw te beoordelen of [belanghebbende2] over het vermogen van de SPF kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen (zie 2.25). Het Hof zal zich bij de beoordeling van het eerste geschilpunt dus niet beperken tot de (marginale) beoordeling of de na verwijzing ingebrachte stukken leiden tot een andere beslissing dan Hof Den Bosch.

Beschikkingsmacht vermogen SPF

Het Hof is van oordeel dat [belanghebbende2] in de jaren 2011 en 2012 over het vermogen van de SPF kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen. In dat verband acht het Hof aannemelijk dat [onderneming6] / [onderneming7] als bestuurder van de SPF niet onafhankelijk heeft kunnen handelen. Zo is een maand na oprichting van de SPF de oprichtingsbevoegdheid aan [belanghebbende2] overgedragen (zie 2.5), waardoor hij bevoegd werd de management-overeenkomst tussen de SPF en de aangewezen bestuurder te allen tijde en zonder opgaaf van redenen op te zeggen en te bepalen aan wie het bestuur van de SPF dan moet worden overgedragen (zie 2.6). Daardoor was [belanghebbende2] steeds in de positie om een hem onwelgevallig bestuur te vervangen, te bepalen wie het bestuur van de SPF dan zou vormen en was hij daarmee in staat het beleid van de SPF te bepalen.

Aan de omstandigheid dat [onderneming7] als bestuurder van de SPF formeel bevoegd was besluiten te nemen, kent het Hof slechts een geringe bewijskracht toe. Uit de overgelegde stukken volgt namelijk dat de substantiële handelingen en beslissingen in de SPF zijn genomen op initiatief van [belanghebbende2] . Zo kan worden gewezen op zijn verzoek om de door International NV aan de SPF uitgekeerde dividenden uit te lenen aan International NV en [onderneming8] N.V. (zie 2.12).

Ook de voorbereidingen om de SPF te liquideren, hebben pas plaatsgevonden nadat [belanghebbende2] daartoe een verzoek had gedaan. Volgens de conclusie van repliek in de procedure bij de Rechtbank is het liquidatieverzoek gedaan omdat geld moest worden vrijgemaakt om de Nederlandse belastingschuld van [belanghebbende2] te kunnen betalen zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst (zie 2.15). Anders dan belanghebbenden hebben gesteld, valt niet in te zien waarom [onderneming7] zonder enig kenbaar bezwaar heeft meegewerkt aan de liquidatie van de SPF en op welke wijze daarmee sprake zou zijn van het beschermen en beheren van de bezittingen van de SPF (“to preserve and manage assets”, zie 2.4) ter behartiging van de belangen van de (toekomstige) begunstigden. Bovendien is [onderneming7] tegemoetgekomen aan het verzoek van belanghebbenden om slechts één liquidatie-uitkering te laten plaatsvinden, namelijk aan [belanghebbende2] .

Verder heeft ook de herstructurering bij International NV op initiatief van [belanghebbende2] en zijn zakenpartner plaatsgevonden, waarbij alle aandelen van de SPF in International NV (met een belang van 49%) zijn ingetrokken waarna aan de SPF vervolgens aandelen met een minder groot belang (van 24%) zijn uitgereikt (zie 2.11). Het resterende aandelenbelang van 25% is verkregen door [onderneming8] N.V., een vennootschap waarvan de aandelen middellijk werden gehouden door [belanghebbende2] . Niet is gebleken dat de SPF zich tegen deze herstructurering heeft verzet. Het komt het Hof niet aannemelijk voor dat een onafhankelijke derde zonder meer zou accepteren dat zijn aandelenbelang met 25% afneemt. De meest aannemelijke verklaring waarom de SPF zich niet tegen daartegen heeft verzet, is dat [belanghebbende2] dat feitelijk heeft bepaald.

Gelet op het vorenstaande acht het Hof aannemelijk dat [belanghebbende2] is blijven beschikken over het vermogen van de SPF als ware het zijn eigen vermogen, en dus ook in 2011 en 2012. De stukken die na verwijzing door de Hoge Raad in de procedure zijn gebracht, leiden niet tot een ander oordeel, nu die stukken betrekking hebben op een ander geschilpunt, waaraan het Hof niet toekomt, namelijk over de toepassing van artikel 2.14a, lid 7, Wet IB 2001. Ook de enkele omstandigheid dat op enig moment geen uitvoering is gegeven aan het verzoek van [belanghebbende2] om voor de SPF een bankrekening bij [bank2] te openen (zie 2.14), maakt dit oordeel niet anders, reeds omdat niet is gebleken, bijvoorbeeld aan de hand van een bestuursbesluit, waarom geen uitvoering aan dat verzoek is gegeven.

Vergoeding van immateriële schade

Tussen partijen is niet in geschil het oordeel van Hof Den Bosch om de beslissing van de Rechtbank over de vergoeding van immateriële schade in stand te laten. Het Hof sluit zich daarom bij dat oordeel aan.

Belanghebbenden hebben nog wel verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn na verwijzing. Het verwijzingsarrest is van 14 februari 2025. Het Hof doet afgerond een jaar en zes maanden nadien uitspraak, terwijl als uitgangspunt geldt dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad. De overschrijding van de redelijke termijn in de verwijzingsprocedure bedraagt dus afgerond een half jaar. De voormelde vergoeding bedraagt daarom € 500 en komt geheel ten laste van de Staat.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. Hij ziet wel aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 233,50 vanwege het verzoek om een vergoeding van immateriële schade.

6. Beslissing

Het Hof:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. R. Zeldenrust als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

De griffier, De voorzitter,

(R. Zeldenrust) (A.J.H. van Suilen)

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026090203
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand