GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 25/1152 en 25/1153
uitspraakdatum: 4 augustus 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de erven van [erflater] te [woonplaats] (hierna: belanghebbenden)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 maart 2025, nummers ARN 23/6699 en 23/7055, in het geding tussen belanghebbenden en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbenden zijn voor de jaren 2020 en 2021 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij de aanslag IB/PVV 2020 is tevens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd. De Rechtbank heeft de aanslag IB/PVV 2020 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.556 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.102, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft voorts de aanslag IB/PVV 2021 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.954 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.924. De Inspecteur is door de Rechtbank veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden van € 2.461 en tot vergoeding van het griffierecht van (2x € 50) € 100.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R. Versteeg als de gemachtigde van belanghebbenden. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2. Vaststaande feiten
Op 27 februari 2021 en 28 februari 2022 is [erflater] (erflater) uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV 2020 en 2021. [erflater] is op 9 juni 2022 overleden. Zijn erfgenamen zijn belanghebbenden.
Belanghebbenden hebben op 30 september 2022 een aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.556 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.382.
Belanghebbenden hebben op 30 september 2022 een aangifte IB/PVV 2021 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.954 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.650.
Het in de aangiften IB/PVV 2020 en 2021 opgenomen forfaitaire rendement voor box 3 is berekend aan de hand van het Besluit rechtsherstel box 3.
De aanslag IB/PVV 2020 is op 23 december 2022 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbenden hebben op 19 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2020 en daarin aangegeven dat ze wensen te worden gehoord. In het bezwaarschrift is een mobiel telefoonnummer van gemachtigde Versteeg vermeld.
De aanslag IB/PVV 2021 is op 14 februari 2023 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.
Belanghebbenden hebben op 16 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2021 en daarin aangegeven dat ze wensen te worden gehoord. Ook in dit bezwaarschrift is een mobiel telefoonnummer van gemachtigde Versteeg vermeld.
Op 5 september 2023 heeft de Inspecteur ingebrekestellingen van de gemachtigde van belanghebbenden ontvangen in verband met het uitblijven van uitspraken op bezwaar betreffende de bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en IB/PVV 2021. De gemachtigde heeft voor de ingebrekestellingen het standaardformulier van de Belastingdienst gebruikt en daarin geen telefoonnummer vermeld. Hij heeft wel een e-mailadres opgegeven en in het formulier aangekruist dat hij toestemming geeft om over de ingebrekestelling te mailen. Het vermelde e-mailadres is [e-mailadres1].
De Inspecteur heeft op woensdag 6 september 2023 een e-mailbericht gestuurd naar het door de gemachtigde in de ingebrekestelling opgegeven e-mailadres en daarin vermeld dat hij die dag meermaals vergeefs heeft geprobeerd telefonisch in contact te komen met de gemachtigde. De Inspecteur heeft de gemachtigde in de e-mail verzocht om hem terug te bellen en heeft daarbij aangegeven op welke momenten van de daaropvolgende zes werkdagen hij bereikbaar is. Op donderdag 7 september 2023 heeft de Inspecteur nogmaals geprobeerd om telefonisch met de gemachtigde in contact te komen.
Op maandag 11 september 2023 heeft een collega van de gemachtigde, de heer [naam3] (hierna: [naam3] ), telefonisch contact opgenomen met de Inspecteur. [naam3] heeft aan de Inspecteur uitgelegd dat de gemachtigde een gehoorprobleem heeft en daarom de telefoon niet opneemt. Hij heeft de Inspecteur verzocht te mailen naar het adres [e-mailadres2], hetgeen de Inspecteur dezelfde dag heeft gedaan. De Inspecteur heeft in de e-mail uitgelegd dat er nog geen uitspraken op bezwaar zijn gedaan omdat de Belastingdienst in deze en vergelijkbare procedures in afwachting is van een arrest van de Hoge Raad over box 3. De Inspecteur heeft de gemachtigde gevraagd hoe hij verder wil gaan met de procedures; of hij de ingebrekestellingen wil intrekken, of dat hij die handhaaft. In het laatste geval zal worden overgegaan tot uitspraken op bezwaar. De Inspecteur heeft in het e-mailbericht verder geschreven:
“In uw bezwaren heeft u aangegeven dat u gebruik wilt maken van het hoorrecht. Aangezien u met de ingebrekestelling binnen 2 weken een uitspraak van de Belastingdienst verlangd, is het mogelijk om op korte termijn een hoorgesprek in te plannen. Een hoorgesprek kan op 3 manieren plaatsvinden, via telefoon, via webex (videobellen) of fysiek op locatie in Breda en is mogelijk op een van de volgende datums:
- 13 september 2023 om 11:00 uur of 14:00 uur,
- 14 september 2023 om 11:00 uur of 14:00 uur.
Mocht u besluiten om de ingebrekestelling in te trekken dan verzoek ik u om de intrekking aan mij te bevestigen. Dit kan middels een reply op deze email en het geven van uw akkoord.
Ik wil u vriendelijk verzoeken om vóór 13 september 2023 te reageren. Als ik geen reactie van u ontvang dan zal ik overgaan tot uitspraak.
U kunt reageren op deze mail en tevens ben ik bereikbaar op telefoonnummer 088 – (…).”
Op 12 september 2023 heeft de gemachtigde de Inspecteur een e-mailbericht gestuurd en daarin geschreven: “Naar aanleiding van uw e-mailbericht van 11 september (2023), verzoek ik u onderstaand bericht aan te merken als ‘pleitnota voorgelezen tijdens een telefonische hoorzitting op 13 of 14 september 2023’.” In dat ‘onderstaand bericht’ heeft hij onder de noemer ‘Pleitnota 13/14 september 2023’ gemotiveerd waarom belanghebbenden niet op het arrest van de Hoge Raad willen wachten. Voorts heeft de gemachtigde uitgelegd dat hij met opzet geen telefoonnummer in de formulieren ingebrekestelling heeft vermeld omdat hij een ernstige gehoorbeperking heeft, zodat een telefonische of digitale hoorzitting daarom afvalt. Een fysiek hoorgesprek binnen een paar dagen in Breda achtte hij in verband met de reisafstand onredelijk, de gestelde reactietermijn is te kort en hij heeft erover geklaagd dat de Inspecteur geen verhinderdata heeft opgevraagd. De gemachtigde heeft het stuk afgesloten met de opmerking dat de ingebrekestellingen niet worden ingetrokken en dat eventueel afgewezen bezwaren zullen worden voorgelegd aan de bestuursrechter.
Op 13 september 2023 heeft de Inspecteur voor beide jaren, in twee geschriften, uitspraken op bezwaar gedaan. De bezwaren zijn afgewezen. Er zijn geen dwangsommen toegekend.
Op 29 september 2023 (IB/PVV 2020) en 12 oktober 2023 (IB/PVV 2021) heeft de Rechtbank de beroepen van de gemachtigde ontvangen.
De Inspecteur heeft zich hangende het beroep, in een nader stuk van 21 februari 2025, voor het eerst op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen van het werkelijk rendement moet worden uitgegaan. Hij heeft het werkelijk rendement berekend op € 5.102 (IB/PVV 2020) en € 4.924 (IB/PVV 2021), namelijk als volgt:
2020
2021
€
€
Rente bankrekeningen
54
5
Rente vorderingen
+ 5.048
+ 4.919
Totaal werkelijk rendement
5.102
4.924
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de hoorplicht niet heeft geschonden. Voorts heeft de Rechtbank de beroepen gegrond verklaard voorzover het de belastbare inkomens uit sparen en beleggen betreft en die vastgesteld op de in 2.15 genoemde bedragen. De Rechtbank heeft een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld. Deze proceskostenvergoeding is voor de bezwaarfase berekend op € 647 (1 punt (bezwaarschrift) x € 647 x wegingsfactor 1) en voor de beroepsfase op € 1.814 (2 punten (beroepschrift, zitting) x € 907 x wegingfactor 1), derhalve in totaal op € 2.461.
Op 22 april 2025 heeft de Inspecteur verminderingsbeschikkingen IB/PVV 2020 en IB/PVV 2021 vastgesteld overeenkomstig de beslissingen van de Rechtbank.
3. Geschil
In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden en voorts, of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, na vermindering, te hoog is vastgesteld.
Belanghebbenden beantwoorden beide vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
4. Beoordeling van het geschil
Schending hoorplicht
Belanghebbenden hebben in de bezwaarschriften te kennen gegeven dat zij door de Inspecteur willen worden gehoord. De Inspecteur is dan gelet op artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 25, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen gehouden belanghebbenden daartoe in de gelegenheid te stellen, hetgeen kan gebeuren door belanghebbenden uit te nodigen op een door de Inspecteur vastgestelde tijdstip en plaats.
De Rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat een inspecteur bij een ingebrekestelling een korte termijn mag aanhouden voor het inplannen van een hoorzitting en verder, dat van een gemachtigde die op een uitspraak op bezwaar aandringt een proactieve houding mag worden verwacht. In dit geval heeft de Inspecteur volgens de Rechtbank gelet op die omstandigheden belanghebbenden voldoende gelegenheid geboden voor een hoorgesprek en heeft de gemachtigde te weinig medewerking verleend om het hoorgesprek tot stand te laten komen. De Rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat de hoorplicht niet is geschonden.
Belanghebbenden stellen dat de door de Inspecteur in zijn e-mailbericht van 11 september 2023 (zie 2.11) gestelde termijn voor een hoorgesprek te kort is. De Inspecteur stelt primair dat belanghebbenden met het bericht van hun gemachtigde van 12 september 2023 (zie 2.12) impliciet hebben afgezien van een hoorgesprek en voor het geval dat niet zo is, dat de gestelde termijn voor het houden van een hoorgesprek niet te kort is geweest.
Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn primaire opvatting dat belanghebbenden in het bericht van 12 september 2023 hebben afgezien van een hoorgesprek. Belanghebbenden klagen er in dat bericht over dat de Inspecteur te korte termijnen aanhoudt om een hoorgesprek te organiseren (zie 2.12). Uit de in het bericht opgenomen bewoordingen kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet worden opgemaakt dat de gemachtigde (impliciet) kenbaar heeft gemaakt dat belanghebbenden afzien van een hoorgesprek, nog daargelaten het antwoord op de vraag of het prijsgeven van een hoorgesprek niet expliciet zou moeten geschieden. Uit de begeleidende tekst van de ‘pleitnota’ waarin staat dat deze kan worden geacht te zijn voorgelezen tijdens een (telefonische) hoorzitting, kan evenmin worden afgeleid dat belanghebbenden hebben afgezien van het hoorgesprek waarom zij in de bezwaarschriften hebben verzocht.
Verder is het Hof van oordeel dat de Inspecteur belanghebbenden met zijn e-mail van 11 september 2023 een onaanvaardbaar korte termijn heeft gesteld om te worden gehoord. Daarmee is aan belanghebbenden onvoldoende gelegenheid geboden om naar aanleiding van de bezwaren te worden gehoord, zoals bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Door in dit geval uitspraken op bezwaar te doen voordat belanghebbenden waren gehoord, heeft de Inspecteur daarom zijn verplichting op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geschonden. De Rechtbank heeft dit met haar andersluidende oordeel miskend. De korte termijn kan niet worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de Inspecteur in de ingebrekestellingen werd gemaand binnen twee weken uitspraak op bezwaar te doen. Evenmin kan de korte termijn worden gerechtvaardigd door het geboden alternatief om het hoorgesprek via de telefoon of webex te houden, omdat het de Inspecteur op het moment dat hij de e-mail van 11 september 2023 stuurde, vanwege het daaraan voorafgaande telefoongesprek met [naam3] , duidelijk moest zijn dat de gemachtigde dermate ernstige gehoorproblemen had dat het voor hem niet mogelijk was om te (video-)bellen. Dit heeft de gemachtigde in de ‘pleitnota’ van 12 september 2023 nogmaals duidelijk gemaakt aan de Inspecteur. De Inspecteur moest er daarom vanuit gaan dat in dit geval enkel een fysiek hoorgesprek tot de mogelijkheden behoorde. De daarvoor gestelde termijn is te kort.
De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie het belang van het horen in bezwaar benadrukt en heeft geoordeeld dat, wanneer de hoorplicht is geschonden, de zaak onder omstandigheden moet worden teruggewezen naar het bestuursorgaan met de opdracht de belanghebbende alsnog volgens de regels te horen. Partijen hebben het Hof verzocht de zaak niet terug te wijzen naar de Inspecteur. Het Hof volgt partijen daarin, aangezien terugwijzing gelet op het (resterende) juridische geschil – de toepassing van het heffingvrije vermogen in relatie tot het werkelijke rendement – , slechts tot een herhaling van zetten zal leiden. Het Hof zal de zaak op dit punt zelf afdoen. Tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank leidt de geconstateerde schending niet, omdat de Rechtbank de beroepen op inhoudelijke gronden gegrond heeft verklaard en reeds daarom een proceskostenvergoeding (voor bezwaar en) beroep heeft toegekend. Die vergoeding zou bij een door de Rechtbank geconstateerde schending van de hoorplicht niet hoger zijn geweest. Het Hof zal vanwege de schending van de hoorplicht wel een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep toekennen.
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Artikel 5.1 van de Wet IB 2001 (teksten 2020 en 2021) bepaalt dat het belastbaar inkomen uit sparen gelijk is aan het voordeel uit sparen en beleggen, verminderd met de persoonsgebonden aftrek.
Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt het voordeel uit sparen en beleggen gesteld op het wettelijk bepaalde rendementspercentage vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag op de peildatum voorzover die meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.
In artikel 5.3 van de Wet IB 2001 staat dat de rendementsgrondslag wordt bepaald door de waarde van de bezittingen te verminderen met de waarde van de schulden.
In artikel 5.5 van de Wet IB 2001 is de hoogte van het heffingvrije vermogen bepaald. In 2020 bedroeg deze € 30.846 en in 2021 € 50.000.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan belanghebbenden een op rechtsherstel gerichte compensatie moet worden geboden omdat zij door het wettelijke forfaitaire stelsel van box 3 worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het door erflater behaalde werkelijke rendement. Voorts is niet in geschil dat het werkelijk rendement € 5.102 (IB/PVV 2020) en € 4.924 (IB/PVV 2021) bedraagt. In geschil of bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, dat hier gelijk is aan het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, rekening moet worden gehouden met het heffingvrije vermogen. Belanghebbenden vinden van wel en hebben het voordeel uit sparen en beleggen berekend op € 4.611 (IB/PVV 2020) respectievelijk € 4.195 (IB/PVV) 2021).
De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 als volgt geoordeeld:
“5.4.2. (…) Aangezien het voordeel uit sparen en beleggen op grond van artikel 5.2, lid 1, Wet IB 2001 in beide stelsels – forfaitair – wordt berekend op basis van het gehele vermogen in box 3, zal het daarmee te vergelijken werkelijke rendement ook betrekking moeten hebben op het gehele vermogen in box 3. Het gaat hierbij om het werkelijke rendement over de volledige in artikel 5.3 Wet IB 2001 bedoelde heffingsgrondslag, zonder aftrek van het bedrag van het heffingvrije vermogen."
Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat uit deze overweging van de Hoge Raad niet kan worden afgeleid dat bij de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen, als wordt uitgegaan van het werkelijke rendement, in het geheel geen rekening mag worden gehouden met het heffingvrije vermogen. Aangezien artikel 5.5 van de Wet IB 2001 voorschrijft wat het heffingvrije vermogen in het betreffende jaar moet zijn dient daarmee, aldus belanghebbenden, rekening te worden gehouden.
Het Hof volgt belanghebbenden hierin niet, omdat het standpunt op een onjuiste lezing van het arrest berust. De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 diverse uitgangspunten gegeven om – juist in afwijking van het wettelijke forfaitaire stelsel, wanneer die, zoals in de onderhavige zaak, een schending van het EVRM en EP oplevert – het werkelijke rendement te berekenen teneinde ten aanzien van deze schending rechtsherstel te bieden. Eén van deze afwijkingen, naast bijvoorbeeld de afwijking van het wettelijk rendementspercentage, betreft het niet in mindering brengen van het heffingvrije vermogen op het werkelijk rendement. Deze lezing van het arrest van 6 juni 2024 wordt bevestigd in het arrest van 14 juni 2024, waarin de Hoge Raad overweegt:
“4.3 In zijn incidentele beroep in cassatie klaagt belanghebbende erover dat het Hof (…) bij de berekening van de belasting in box 3 over het werkelijke rendement geen rekening heeft gehouden met heffingvrij vermogen. De klaagt faalt. De Hoge Raad verwijst naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 6 juni 2024.”
De Hoge Raad heeft de betreffende zaak afgedaan door het inkomen uit sparen en beleggen te berekenen op het bedrag van het werkelijke rendement, zonder rekening te houden met het heffingvrije vermogen. Het Hof ziet, gelet op deze arresten, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Het bieden van rechtsherstel in afwijking van het wettelijke stelsel levert, anders dan belanghebbenden stellen, ook geen schending op van artikel 1 EP en ook geen discriminatie ten opzichte van belastingplichtigen die niet vragen om dit rechtsherstel. De Inspecteur heeft in zijn berekeningen terecht geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbenden hebben hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom Het hoger beroep is ongegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet gelet op het in 4.6 overwogene aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbenden voor de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Het Hof ziet daarbij aanleiding om, met toepassing van het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, de wegingsfactor op 0,5 te stellen en berekent de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 0,5 € 934).
Het Hof zal de Inspecteur tevens veroordelen tot vergoeding van het griffierecht voor het hoger beroep.
6. Beslissing
Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 934, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbenden het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. M.L.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.