GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.367.537
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 416276
beschikking van 11 augustus 2026
in de zaak van
1. [appellant1] B.V.
2. [appellant2] B.V.
3. [appellant3] B.V.
4. [appellant4] B.V.
5. [appellant5] B.V.
6. [appellant6] B.V.
7. [appellant7]
8. [appellant8]
die alle gevestigd zijn in [vestigingsplaats1]
die is gevestigd in [vestigingsplaats2]
die is gevestigd in [vestigingsplaats3]
hierna gezamenlijk: [appellanten]
allen vertegenwoordigd door advocaat: mr. L.M. Ravestijn
en
de griffier van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (de griffier)
die is gevestigd in Arnhem
1. De kern van de zaak
In deze verzetprocedure gaat het om de vraag of de griffier bij het bepalen van de hoogte van het griffierecht had moeten uitgaan van een vordering van onbepaalde waarde in plaats van een vordering van bepaalde waarde. Volgens [appellanten] had de griffier het griffierecht moeten vaststellen op € 851,- in plaats van € 14.007,-. Het gerechtshof (hierna: het hof) is het daar niet mee eens en zal het verzet van [appellanten] ongegrond verklaren.
2. De achtergrond van de procedure en het ingestelde verzet
[appellanten] is een procedure gestart tegen [naam] (hierna: [naam] ) bij de rechtbank Gelderland. Partijen hebben in die procedure over en weer (in conventie en reconventie) verschillende verklaringen voor recht gevorderd. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat:
[appellant1] B.V. een bedrag van € 2.179.028.- aan [naam] verschuldigd is,
[appellant5] B.V. een bedrag van € 10.689.098,- aan [naam] verschuldigd is en
[appellant1] B.V. en [appellant5] B.V. naast ieder voor zich de hiervoor genoemde bedragen, hoofdelijk een bedrag van € 119.332,76, verschuldigd zijn aan [naam] .
[appellanten] is het niet eens met die beslissing en heeft hoger beroep ingesteld bij dit hof. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer: 200.366.895.
De griffier van het hof heeft het griffierecht in de hiervoor genoemde zaak vastgesteld op € 14.007,-.
Het hof heeft op 14 april 2026 een verzoekschrift ontvangen waarin [appellanten] op grond van artikel 29 lid 1 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) in verzet komt tegen het door de griffier geheven griffierecht (hierna: het verzetschrift). Volgens [appellanten] heeft de griffier het griffierecht ten onrechte vastgesteld op een bedrag van € 14.007,-, omdat volgens [appellanten] wordt geprocedeerd over vorderingen van onbepaalde waarde. Daarbij hoort een griffierecht van € 851,-.
De griffier heeft schriftelijk verweer gevoerd en verzocht het verzet tegen het geheven griffierecht ongegrond te verklaren.
Het hof heeft vervolgens een mondelinge behandeling gepland. Door omstandigheden was het hof genoodzaakt de mondelinge behandeling te annuleren. Op verzoek van mr. Ravestijn heeft het hof [appellanten] vervolgens in de gelegenheid gesteld een akte van repliek te nemen. De griffier heeft daarop gereageerd bij akte van dupliek. Partijen hebben ermee ingestemd dat een mondelinge behandeling achterwege blijft en dat het hof de zaak zal beslissen aan de hand van de schriftelijke stukken.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Het verzet is tijdig ingesteld
Wanneer - zoals in deze zaak het geval is - een rekening-courantovereenkomst bestaat tussen het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (de Rechtspraak) en het kantoor waaraan de advocaat van de partij waarvan griffierecht wordt geheven is verbonden, dan wordt op grond van artikel 7 van de op die overeenkomst van toepassing zijnde voorwaarden het van de rekeninghouder geheven griffierecht als onmiddellijk betaald beschouwd en kunnen de zaken in behandeling worden genomen. De termijn van één maand voor het indienen van verzet, zoals beschreven in artikel 29 lid 1 Wgbz, vangt op dat moment aan. In deze zaak was dat op 31 maart 2026. Het hof heeft het verzetschrift op 14 april 2026 ontvangen. Het verzet is dus tijdig ingesteld.
Juridisch kader
Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding (in hoger beroep: aan de hand van de vordering(en) in de dagvaarding in hoger beroep). De hoogte van het griffierecht wordt volgens artikel 3 lid 5 Wgbz bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.
De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat voor de berekening van het griffierecht in een bij dagvaarding aangebrachte cassatiezaak moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep in cassatie is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd. In hoger beroep brengt dit mee dat voor de berekening van het griffierecht moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het hoger beroep is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd. Dat is anders wanneer het hoger beroep zich beperkt tot een deel van de oorspronkelijke vordering. In dat geval moet in de regel worden aangeknoopt bij dat deel van de vordering.
Als hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis, waarin zowel een uitspraak in conventie als een uitspraak in reconventie wordt gedaan, gelden de volgende uitgangspunten. Betreft het hoger beroep expliciet - dit moet ondubbelzinnig blijken uit de dagvaarding in hoger beroep - alleen de uitspraak over de conventionele dan wel de reconventionele vordering, dan is deze vordering bepalend voor de hoogte van het griffierecht. Betreft het hoger beroep zowel de uitspraak over de conventionele als de reconventionele vordering, dan zijn beide vorderingen (bij elkaar opgeteld) bepalend voor de vaststelling van de hoogte van het griffierecht.
Het verzet is ongegrond
Uit de dagvaarding in hoger beroep volgt dat [appellanten] wil dat haar vorderingen in conventie alsnog worden toegewezen en de vorderingen in reconventie alsnog worden afgewezen. Bij het bepalen van het griffierecht worden de waardes van de vorderingen in conventie en reconventie in dit geval dus bij elkaar opgeteld, nu het hoger beroep zich tegen beide beslissingen van de rechtbank richt, zowel die in conventie als die in reconventie.
In de onderhavige zaak zijn in conventie meerdere verklaringen voor recht gevorderd die niet zijn gerelateerd aan een financiële waarde. In zoverre vertegenwoordigen deze vorderingen een ‘onbepaalde waarde’. Echter, in reconventie zijn meerdere verklaringen voor recht gevorderd die wél een financiële waarde vertegenwoordigen. [appellanten] heeft onder meer hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank toegewezen verklaringen voor recht (1) dat [appellant1] B.V. een bedrag van € 2.179.028.- aan [naam] verschuldigd is, (2) dat [appellant5] B.V. een bedrag van € 10.689.098,- aan [naam] verschuldigd is en (3) [appellant1] B.V. en [appellant5] B.V. – naast ieder voor zich de hiervoor genoemde bedragen – hoofdelijk een bedrag van € 119.332,76, verschuldigd zijn aan [naam] . Het hoger beroep gaat dus niet alleen over vorderingen van onbepaalde waarde, maar ook om vorderingen die een financiële waarde vertegenwoordigen: te weten een bedrag van in totaal meer dan € 100.000,- (de hoogste categorie uit de tabel behorend bij artikel 3 lid 5 Wgbz). Bij die categorie hoort een griffierecht van € 14.007,-, zijnde het bedrag dat de griffier heeft vastgesteld.
4. De beslissing
Het hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, D.M.I. De Waele en S.C.P. Giesen, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.