ECLI:NL:GHARL:2026:5234

ECLI:NL:GHARL:2026:5234

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer 200.371.640
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Voorzieningenrechter heeft toestemming gegeven voor een vakantie in het buitenland voor de duur van zes weken. Belangen van het kind staan voorop maar ook die van de ouders spelen een rol. Bekrachtiging en kosten veroordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.371.640

zaaknummer rechtbank 611038

arrest van 11 augustus 2026

in de zaak van

[appellant] (de vader)

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. T.C. Cooman

en

[geïntimeerde] (de moeder)

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. C.A.H. Boom

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 2 juli 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

de spoedappeldagvaarding in hoger beroep met daarin een grief en een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad met producties

de memorie van antwoord, zowel in de hoofdzaak als in het incident met producties

de afmelding van de Raad voor de kinderbescherming

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 augustus 2026 is gehouden

De vader heeft in de spoedappeldagvaarding van 5 juli 2026 tegen de zitting van 21 juli 2026 één grief gericht tegen het vonnis en heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter zal vernietigen en de vordering van de moeder alsnog zal afwijzen maar ook, in een incident, dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal worden geschorst en de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis zal worden verboden. De moeder heeft in haar memorie van antwoord verweer gevoerd in zowel het hoger beroep als het incident. De zitting is bepaald op 3 augustus 2026 en het hof heeft de advocaten op 28 juli 2026 laten weten dat op die zitting zowel het incident als de hoofdzaak behandeld zal worden.

Op de zitting zijn partijen verschenen samen met hun advocaten, waarbij mr. K.G.I.M. Schröder mr. Boom heeft vervangen. De advocaat van de man heeft meegedeeld dat zij op 30 juli 2026 een aanvullende memorie van grieven heeft genomen. Deze memorie is nog niet aan het dossier toegevoegd en is niet bij het hof bekend. Partijen hebben ingestemd met het voorstel van het hof om de zaak op de zitting van 3 augustus 2026 inhoudelijk te behandelen zodat het hof tijdig in de hoofdzaak uitspraak kan doen. De aanvullende memorie van grieven wordt niet aan het dossier toegevoegd.

2. De kern van de zaak

Partijen zijn getrouwd. Zij zijn de gezaghebbende ouders van [de minderjarige], geboren [in] 2024. Sinds 19 augustus 2025 is tussen partijen een echtscheidingsprocedure aanhangig bij de rechtbank Midden-Nederland. In de beschikking van de rechtbank van 8 oktober 2025 is een voorlopige zorg- en contactregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] aan de moeder is toevertrouwd en [de minderjarige] iedere maandag en donderdag en één keer in de twee weken op zaterdag, van 10.00 uur tot 14.00 uur, bij de vader verblijft.

De moeder heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om van 1 september 2026 gedurende zes weken met [de minderjarige] met vakantie te gaan naar Marokko.

De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen. De eveneens gevorderde dwangsom en de proceskostenveroordeling zijn afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is om deze toestemming weer ongedaan te maken. De moeder voert verweer en vordert dat de vader wordt veroordeeld in de -werkelijke- proceskosten.

Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter in stand en licht dat hierna toe. Het hof beslist ook dat de vader de proceskosten van de moeder moet betalen.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

Het hof is van oordeel dat de moeder nog steeds een spoedeisend belang heeft bij de door haar bij de voorzieningenrechter gevorderde onmiddellijke voorzieningen bij voorraad, omdat zij een bodemprocedure over vervangende toestemming voor de vakantie met [de minderjarige] naar Marokko per 1 september 2026 niet kan afwachten.

Het is uiteraard in het belang van [de minderjarige] , en dat stelt het hof voorop, dat hij regelmatig contact heeft met beide ouders en dat ieder van hen voor hem zorgt op die contactmomenten. Die regelmaat zal onderbroken worden tijdens vakanties van een van beide ouders. Dat is de normale gang van zaken bij scheidende ouders die over het algemeen niet tot problemen leidt, ook niet bij jonge kinderen zoals [de minderjarige] . Een onderbreking voor een aantal weken kan dan ook niet zonder meer worden aangemerkt als strijdig met de belangen van [de minderjarige] . Bij een langere periode, zoals de hier in het geding zijnde zes weken, zou dat anders kunnen zijn. De kortgedingprocedure leent zich evenwel niet voor een uitgebreid debat over de vraag in hoeverre een onderbreking in het fysieke contact tussen de vader en [de minderjarige] van zes weken nu wel of niet nadelig is voor het hechtingsproces en in welke mate dat dan het geval is. Het hof weegt naast het belang van [de minderjarige] (dat gelet op artikel 3 lid 1 VRK een eerste overweging vormt) ook de belangen van de beide ouders mee en de maatregelen die getroffen kunnen worden om het contactverlies gedurende het verblijf van [de minderjarige] in Marokko op te vangen.

De moeder stelt dat zij toe is aan een langer verblijf in Marokko om haar familie te bezoeken, op adem te komen van inspannende periode sinds het uiteengaan van partijen waarin de zorg voor [de minderjarige] grotendeels op haar schouders terecht is gekomen. Haar werkgever heeft om die reden ingestemd met zes weken verlof en ook haar psycholoog is positief over een langer verblijf daar. Zij stelt ook dat de vader steeds nieuwe bezwaren aanvoert die zij als onredelijk ervaart en dat hij zelf met grote regelmaat, en op het laatste moment, de zorg- en contactmomenten afzegt omdat hij dan zelf weg is. De moeder heeft aangegeven dat zij ervoor zal zorgen dat de vader en [de minderjarige] regelmatig kunnen videobellen en dat het zelfs mogelijk is om in Marokko te zorgen voor fysiek contact als de vader op enig moment gedurende haar vakantie ook in Marokko is.

De vader voert aan dat hij weliswaar regelmatig weg is maar dat daar goede redenen voor zijn. Zijn hele familie woont in Marokko en zijn moeder is ernstig ziek. Bovendien is hij maximaal twee weken achter elkaar weg, een keer drie, maar nooit zes weken. Zes weken is een te lange periode voor het hechtingsproces tussen een kind van nog geen twee jaar oud en de vader. Videobellen is volgens de vader geen volwaardig alternatief voor fysiek contact. Bovendien Heeft [de minderjarige] niet alle vaccinaties gehad die hij moet hebben. Als het hof toch beslist dat de vrouw zes weken met [de minderjarige] naar Marokko mag, dan wil de man dat het hof bepaalt dat er in deze periode drie keer per week een videobelmoment is tussen hem en [de minderjarige] van 15 minuten.

Het belang van [de minderjarige] vormt in dit geval een eerste overweging (artikel 3 lid 1 VRK). Het hof is van oordeel dat het in zijn belang wenselijk is dat zijn moeder, aan wier zorg hij voor het allergrootste deel van de tijd is toevertrouwd, ook voor hem kan zorgen als zij op vakantie gaat naar Marokko. Het hof is verder van oordeel dat het in het belang van de moeder is dat zij op vakantie kan gaan naar Marokko en dat [de minderjarige] met haar mee mag. Volgens het hof wegen de belangen van de moeder om zes weken met [de minderjarige] naar Marokko te gaan zwaarder dan de belangen van de vader om in die periode fysiek contact met [de minderjarige] te hebben. Anders dan de vader is de moeder al lange tijd niet in Marokko geweest en het lijkt erop dat, mede gelet op het advies van de psycholoog en de medewerking van de werkgever van de moeder, een langer verblijf daar, waarbij zij de dagelijkse beslommeringen even achter zich kan laten, haar goed zal doen. En hoewel partijen van mening verschillen over de exacte omvang van de afwezigheid van de vader, staat het wel vast dat de vader in de afgelopen anderhalve jaar veelvuldig een aantal weken in het buitenland heeft verbleven. Gedurende die tijd is er ook geen fysieke omgang tussen [de minderjarige] en de vader geweest. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat die onderbrekingen voor [de minderjarige] problematisch zijn geweest. Het komt het hof voorshands voor dat videobellen een oplossing kan zijn voor het ontbreken van het fysieke contact in de periode dat de vrouw met [de minderjarige] in Marokko verblijft. Omdat de vrouw heeft aangeven dat zij hiertoe bereid is, gaat het hof ervan uit dat zij ervoor zal zorgen dat er tijdens het verblijf in Marokko minimaal één keer per week een videobelmoment zal zijn tussen [de minderjarige] en de vader.

Uit het dossier en hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken is verder gebleken dat [de minderjarige] wellicht niet alle vaccinaties heeft gehad die hij op zijn leeftijd had moeten hebben, maar in elk geval wel die vaccinaties die voorgeschreven zijn voor een verblijf in Marokko.

De conclusie

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat de vader in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem veroordelen tot betaling van de proceskosten van de moeder in hoger beroep.

De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 juli 2026 met nummer 611038;

veroordeelt de vader tot betaling van de volgende proceskosten van de moeder:

€ 373 aan griffierecht

€ 2.580 aan salaris van de advocaat (2 procespunten x tarief II, € 1.290)

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en L. Hamer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand