GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.565/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 11349412
arrest van 11 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ,
die woont in [gemeentenaam] ,
die hoger beroep heeft ingesteld
en die bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. M.J. Blokzijl
en
Gemeente Westerwolde,
die zetelt in Sellingen,
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en die bij de kantonrechter optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna: de Gemeente,
advocaat: mr. S. Veenema-Bruinsma.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 15 april 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties)
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
• een akte overlegging producties 13 tot en met 15 van de zijde van de Gemeente
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 30 juni 2026 is gehouden (het proces-verbaal).
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2. Waar gaat de zaak over?
Na het overlijden van zijn vader is [appellant] in de woning blijven wonen die door zijn vader werd gehuurd van de Gemeente. Hij wil daar graag blijven wonen, maar de Gemeente is het daar niet mee eens.
De Gemeente heeft bij de rechtbank gevorderd:
I. voor recht te verklaren dat [appellant] zonder recht of titel in de woning en op een daarnaast gelegen strook grond verblijft dan wel deze in gebruik heeft;
II. [appellant] te veroordelen om tot ontruiming over te gaan van de woning en de strook grond, en deze geheel ter beschikking van de Gemeente te stellen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de ontruiming, nader te specificeren door de gerechtsdeurwaarder indien hij verzuimt vrijwillig en tijdig aan zijn ontruimingsverplichting te voldoen;
III. [appellant] te veroordelen om aan de Gemeente als gebruiksvergoeding te betalen € 54,26 per maand vanaf 1 november 2024 tot aan de datum van ontruiming van de woning, voor iedere maand of gedeelte van een maand dat [appellant] de woning onrechtmatig in bezit houdt;
IV. [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
[appellant] heeft in voorwaardelijke reconventie gevorderd (voor zover de Gemeente ontvankelijk is in haar vordering):
primair:
te bepalen dat de huurovereenkomst die tussen de Gemeente en de ouders van [appellant] bestond, op basis van artikel 7:268 BW door [appellant] mag worden voortgezet;
subsidiair:
voor recht te verklaren dat tussen [appellant] en de Gemeente een (huur)overeenkomst bestaat en de Gemeente te gelasten deze overeenkomst te respecteren;
meer subsidiair:
de Gemeente te veroordelen met [appellant] een huurovereenkomst aan te gaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom per dag dat niet aan het vonnis zal worden voldaan;
meer subsidiair:
de Gemeente te bevelen de aanwezigheid van [appellant] in de woning te gedogen, tegen betaling van de gebruikelijke huursom, tot het moment dat een voor alle partijen bevredigende oplossing is gevonden,
en de Gemeente te veroordelen in de kosten van de procedure.
De kantonrechter heeft de vorderingen van de Gemeente in conventie grotendeels toegewezen. [appellant] is daarbij veroordeeld om uiterlijk 1 augustus 2025 de woning te ontruimen. De veroordeling tot ontruiming is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de kosten van ontruiming (zie de vordering onder II) is afgewezen, omdat nog niet vaststond of die kosten gemaakt zouden worden en de kantonrechter dit deel van de vordering overigens te onbepaald vond. In reconventie is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn primaire vordering en zijn de overige vorderingen afgewezen.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] (het principaal hoger beroep) is dat de toegewezen vorderingen van de Gemeente alsnog worden afgewezen en de afgewezen vorderingen van hemzelf alsnog worden toegewezen.
De bedoeling van het hoger beroep van de Gemeente (het incidenteel hoger beroep) is dat het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de kosten van ontruiming, alsnog wordt toegewezen. Daartoe heeft de Gemeente haar eis gewijzigd in die zin dat zij nu op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad heeft gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld € 17.003,85 te betalen in verband met de kosten van de gedwongen ontruiming. Tegen deze eiswijziging, voor zover dit een vermeerdering van eis dan wel wijziging van de grondslag betreft, is geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten, zodat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
Het hof zal beslissen dat het principaal hoger beroep van [appellant] niet slaagt en dat de gewijzigde vordering van De Gemeente over de ontruimingskosten zal worden toegewezen. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter grotendeels in stand en beslist voor de vordering aangaande de ontruimingskosten anders. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten
De Gemeente is eigenaar van de woning aan de [adres] in [gemeentenaam] . Die woning is lang geleden verhuurd aan de ouders van [appellant] . [appellant] is daar in 1966 geboren en heeft er tot 1990 gewoond. Sinds 2000 woonde hij daar weer. Na het overlijden van zijn moeder zette de vader van [appellant] de huur voort. De huur bedroeg € 54,26 per maand. In april 2022 is ook de vader overleden. Tijdens het leven van zijn ouders is niet verzocht [appellant] medehuurder te maken.
De vader gebruikte ook een stuk grond dat grenst aan de woning. De vader was onder meer duivenmelker en onderhield dit omliggende terrein. De Gemeente is ook eigenaar van deze strook grond. De strook maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel waarop de woning staat (en wordt hierna tevens ook wel begrepen onder ‘de woning’). Voor deze strook grond heeft de Gemeente in 2018 een gebruiksovereenkomst met de vader gesloten. In de akte waarin die gebruiksovereenkomst is vastgelegd, is onder meer bepaald:
‘ Artikel 1 Looptijd ingebruikgeving
Het gebruik van de grond gaat in op datum van ondertekening van deze overeenkomst en eindigt wanneer de huurovereenkomst tussen eigenaar en gebruiker van de woning aan de [adres] te [gemeentenaam] eindigt.’
De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat tussen haar en [appellant] geen huurovereenkomst bestaat en dat [appellant] (daarom) de woning moet ontruimen. Op 19 september 2023 heeft de Gemeente in een gesprek met [appellant] , die toen werd bijgestaan door mr. [naam1] , notaris te [plaats] , aangeboden om voor een jaar een gebruiksovereenkomst met [appellant] te sluiten, zonder dat daarvoor een gebruiksvergoeding in rekening zou worden gebracht. Ook heeft de Gemeente aangeboden om [appellant] te ondersteunen bij het vinden van vervangende woonruimte. De Gemeente heeft een en ander op verzoek van [appellant] in een brief van 3 januari 2024 bevestigd. [appellant] heeft op het in de brief geformuleerde voorstel niet gereageerd. Hij heeft persoonlijke problematiek en kreeg daarvoor hulp, maar weigerde hulp bij het zoeken naar andere huisvesting. In april 2024 heeft de Gemeente [appellant] gesommeerd om de woning te ontruimen. [appellant] heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven.
Na het vonnis van 15 april 2025 heeft de Gemeente in een e-mail van 29 april 2025 [appellant] verzocht de woning tijdig te verlaten. Op 18 juni 2025 heeft [appellant] een executie-kort geding aanhangig gemaakt waarmee hij ontruiming tegen de aangezegde datum van 6 augustus 2025 wenste te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft de vordering op 7 juli 2025 afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. In een arrest van 29 juli 2025 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
Op 6 augustus 2025 is op verzoek van de Gemeente overgegaan tot gedwongen ontruiming van de woning.
Voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW?
[appellant] heeft weliswaar erkend dat hij zijn vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst later dan de wettelijke termijn van zes maanden na het overlijden van zijn vader heeft ingesteld, maar heeft aangevoerd dat het beroep van de Gemeente op de termijnoverschrijding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Het hof gaat hier niet in mee. Uit artikel 7:268 lid 2 BW volgt dat het recht om de huur voort te zetten na de eerste zes maanden na het overlijden van de huurder door een persoon die in de woning verblijft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, afhankelijk is van een tijdig, binnen die zes maanden ingediende vordering tot langere voortzetting. Van een tijdig ingediende vordering is geen sprake geweest, zodat in beginsel de vordering tot voortzetting van de huur op grond van artikel 7:268 lid 2 BW moet worden afgewezen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een beroep door de Gemeente op de termijn van zes maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof echter onvoldoende gebleken.
[appellant] heeft onder meer aangevoerd dat hij kort na het overlijden van zijn vader telefonisch contact heeft opgenomen met de Gemeente om te vragen of hij het huurcontract kon overnemen. De Gemeente heeft dit betwist. Een dergelijk rechtstreeks telefonisch contact zou niet hebben plaatsgevonden: in een e-mail van 12 mei 2022 heeft de heer [naam2] (van Administratiekantoor [naam2] , boekhouder van de familie) zich namens de familie tot de Gemeente gewend om onder meer het rekeningnummer waarvan de huur geïncasseerd moest worden te wijzigen in het rekeningnummer van [appellant] . De Gemeente heeft daarop in 2022 over een mogelijke koop van de woning gesproken met de zus van [appellant] , die daarbij werd bijgestaan door [naam2] . In verband met het Didam-arrest heeft de Gemeente niet kunnen vertellen wat er precies met de woning zou gebeuren, maar wel uitgelegd dat de woning niet opnieuw zou worden verhuurd. Dat is met de familie gedeeld. In overleg met de familie is besloten [appellant] vanwege zijn kwetsbare positie direct na het overlijden ‘even met rust te laten’. Het eerste contact met [appellant] zelf, die daarbij werd bijgestaan door notaris mr. [naam1] , heeft op initiatief van de Gemeente in de zomer van 2023 plaatsgevonden, aldus nog steeds de Gemeente. De heer [naam3] , met wie [appellant] namens de Gemeente toen onder andere contact heeft gehad en met wie [appellant] meent in 2022 telefonisch (ook) te hebben gesproken, werkte in 2022 nog niet bij de Gemeente.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof kon geen opheldering worden gegeven over de vraag of, en zo ja, met wie [appellant] telefonisch contact heeft gehad. Het hof gaat aan deze stelling dan ook in het licht van het verweer van de Gemeente verder voorbij.
[appellant] heeft verder gesteld dat de Gemeente hem niet tijdig heeft gewezen op de mogelijkheid en noodzaak om binnen zes maanden een vordering in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW in te stellen. Volgens [appellant] had dat van de Gemeente verwacht mogen worden, gelet op het feit dat hij ‘een sociaal zwakker persoon’ is. Daargelaten of de Gemeente heeft geweten dat [appellant] mogelijk een gemeenschappelijke huishouding met zijn vader voerde - de Gemeente betwist dat -, rustte op de Gemeente volgens vaste jurisprudentie nog geen waarschuwings- of rechtsinformatieplicht. Redengevende feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn onvoldoende gesteld. Dat [appellant] een sociaal zwakker persoon is, is daartoe zonder nadere toelichting in ieder geval onvoldoende. Dat de Gemeente gedurende langere tijd na het verstrijken van de zes maanden geen juridische stappen heeft ondernomen en huurbetalingen van [appellant] heeft aanvaard en behouden, maakt evenmin dat het beroep van de Gemeente op de termijnoverschrijding in dit geval onaanvaardbaar is. De Gemeente heeft in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof uitvoerig toegelicht waarom zij meende zorgvuldig te handelen door [appellant] in overleg met zijn familie aanvankelijk rust te gunnen, hem daarna in de zomer van 2023 een aanbod te doen om een overeenkomst van bruikleen van één jaar te sluiten en hem hulp aan te bieden bij het vinden van nieuwe woonruimte. Toen [appellant] hierop niet inging en vervolgens, na de brief van 3 januari 2024, niets van zich liet horen, kan het feit dat de Gemeente in tussentijd de relatief lage huursom van € 54,26 per maand heeft behouden en ‘pas’ op 24 april 2024 tot sommatie is overgegaan de woning te ontruimen, haar niet worden tegengeworpen. Dat de Gemeente geen plannen heeft met de woning, althans dat die nog niet zijn geconcretiseerd, wordt gemotiveerd betwist: de Gemeente heeft in de stukken en ter zitting onderbouwd dat de woning deel uitmaakt van het Strategisch Vastgoedplan en heeft daarbij ook onderbouwd wat de betekenis van dat plan is. De verdere ontwikkeling van het gebied wachtte op ontruiming ervan. Zo worden/zijn inmiddels verschillende onderzoeken uitgevoerd betreffende de bodem, flora & fauna, stikstof en voor het omgevingsplan. Ook heeft inmiddels asbestsanering, sloop en afvoer van de bijgebouwen plaatsgevonden. Uitgangspunt is daarbij dat de woning, die is aangemerkt als karakteristiek, behouden zal blijven en - binnen het nieuwe plan dat mede afhankelijk is van de uitkomsten van het onderzoek - een nader te bepalen bestemming zal krijgen.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een verschoonbare overschrijding van de termijn van zes maanden, gerekend vanaf het overlijden van zijn vader in april 2022, waarin hij voortzetting van de huur had kunnen vragen. Dat heeft hij pas op 10 december 2024 gedaan als tegenvordering na een door de Gemeente gevorderde ontruiming, hoewel al in september 2023 met hem is besproken dat hij geen huurrecht had, zoals onbetwist is aangevoerd. De vordering tot voortzetting van de huur op grond van artikel 7:268 lid 2 BW zal worden afgewezen. De kantonrechter heeft weliswaar [appellant] niet ontvankelijk verklaard in deze vordering, maar het hof verstaat dit als een afwijzing ervan. De eerste grief van [appellant] in principaal hoger beroep faalt.
Of [appellant] met zijn vader een ‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ voerde in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW, hoeft vanwege de termijnoverschrijding niet meer beoordeeld te worden. Bovendien heeft de Gemeente dit betwist en heeft [appellant] er geen nadere concrete onderbouwing van gegeven, bijvoorbeeld door overlegging van bankafschriften, schriftelijk getuigenverklaringen of anderszins. Ook de tweede grief van [appellant] in principaal hoger beroep slaagt niet.
Is een (nieuwe) huurovereenkomst tot stand gekomen?
[appellant] heeft verder gesteld dat uit de feitelijke gedragingen van partijen kan worden afgeleid dat een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen, althans dat de Gemeente de bestaande huurovereenkomst stilzwijgend met [appellant] heeft voortgezet. Hij wijst erop dat hij na het overlijden van zijn vader in de woning is blijven wonen, met medeweten van de Gemeente, en dat hij maandelijks de huurprijs heeft betaald. De Gemeente heeft deze betalingen aanvaard en behouden, en heeft gedurende lange tijd geen actie ondernomen om [appellant] uit de Woning te zetten.
Het hof volgt [appellant] niet in zijn stellingen. Hij heeft onvoldoende betwist dat de Gemeente al voor het overlijden van zijn vader, en in ieder geval ook in de contacten met de familie daarna, aan de familie kenbaar heeft gemaakt dat aan de bestaande huur door het overlijden van de vader een einde zou komen, dat [appellant] na het overlijden van de vader niet in de woning kon blijven, en dat de Gemeente juist geen huurovereenkomst meer wenste aan te gaan. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij niet op de hoogte was van het feit dat zijn zus in 2022 met de Gemeente sprak en dat zij noch [naam2] bevoegd waren namens hem op te treden, maar hij heeft onvoldoende gesteld dat hij niet bekend was met de wens van de Gemeente de huur na het overlijden van de vader niet te continueren. Dat komt het hof ook onaannemelijk voor, omdat [naam2] klaarblijkelijk namens hem wel heeft doorgegeven van welk rekeningnummer de huur geïncasseerd moest worden (vergelijk rechtsoverweging 3.8 dat niet is weersproken) en er dus wel contact was tussen [appellant] en [naam2] . Dat [appellant] maandelijks de huurprijs van € 54,26 heeft betaald en dat deze betalingen door de Gemeente zijn behouden, maakt tegen de achtergrond van het voorgaande niet dat daarmee [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Gemeente de wil heeft gehad met hem een nieuwe huurovereenkomst te sluiten tegen de oude huursom, althans dat de Gemeente de wil had de bestaande huurovereenkomst met hem stilzwijgend voort te zetten. Redengevende feiten die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn onvoldoende gesteld. Dat de Gemeente de nodige tijd aan [appellant] heeft gegund door aanvankelijk geen juridische stappen te ondernemen, maakt in de gegeven omstandigheden dit oordeel niet anders, mede gelet op het aanbod dat hem is gedaan in het gesprek op 19 september 2023, dat is herhaald in de brief van 3 januari 2024. Ook de derde grief van [appellant] in principaal hoger beroep slaagt niet.
Moet de Gemeente het gebruik gedogen?
[appellant] heeft gesteld dat de Gemeente moet gedogen dat hij in de woning blijft tot het moment dat een voor alle partijen bevredigende oplossing is gevonden. Dit omdat de Gemeente publiekrechtelijke en privaatrechtelijke belangen dient te behartigen, geen concrete plannen heeft met de woning, anders dan een maatschappelijke bestemming of verkoop, terwijl [appellant] een zwaarwegend belang heeft bij voortzetting van de bewoning omdat hij daar al zijn hele leven woont en een sterke emotionele binding met de woning heeft en geen alternatieve huisvesting.
Het hof heeft begrip voor de sterke emotionele binding die [appellant] met de woning heeft, mede omdat hij daar geboren is en een groot deel van zijn leven heeft gewoond. Ook kan het hof uit de stukken opmaken dat [appellant] het in sociaal opzicht moeilijk heeft. Dat brengt evenwel nog niet met zich dat de Gemeente, die de ontwikkeling van de woning met het omliggende terrein ter hand heeft genomen, gehouden is langer te gedogen dat [appellant] de woning blijft gebruiken totdat een bevredigende oplossing is bereikt. [appellant] heeft ook niet aangegeven wat die oplossing dan moet zijn, terwijl hij niet is ingegaan op het aanbod van de Gemeente hem te helpen bij het zoeken naar alternatieve huisvesting. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft hij juist verklaard niet bereid te zijn de woning te verlaten. [appellant] is zonder opgave van redenen vervolgens niet aanwezig geweest bij de mondelinge behandeling bij het hof, zodat hij niet van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt om aan te geven wat hem dan wel voor ogen staat. Het hof tast wat dat aangaat dan ook in het duister. [appellant] lijkt, zo bleek althans tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, iedere hulp af te wijzen. Die houding komt voor zijn rekening en risico. De vijfde grief van [appellant] in principaal hoger beroep slaagt dan ook niet.
Het bezwaar tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring
[appellant] heeft gegriefd tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren door de kantonrechter van de veroordeling tot ontruiming. Hij heeft gesteld dat deze beslissing in strijd is met artikel 7:268 lid 2 BW, laatste zinsnede, waar is bepaald dat de voortzetting van de huur ook plaatsvindt ‘zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist’. [appellant] heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie en de daarin genoemde wetsgeschiedenis.
Het hof constateert dat [appellant] tegen deze beslissing in het (executie) kort geding in twee instanties verweer heeft gevoerd, dat hij in beide gevallen in het ongelijk is gesteld, en dat de ontruiming daarna op 6 augustus 2025 heeft plaatsgevonden. Tegen die achtergrond heeft [appellant] geen belang bij de opgeworpen grief, althans dat belang blijkt onvoldoende uit de stukken. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de raadsman geen antwoord kunnen geven op de vraag naar dat belang. Als het hof tot vernietiging van het vonnis zou overgaan en tot het oordeel zou komen dat er geen grond is voor ontruiming, komt de grondslag voor de ontruiming te vervallen. De ontruiming is dan achteraf gezien onrechtmatig, ongeacht de op dit punt bestreden beslissing. Maar ook in het geval dat voldoende grond bestaat voor de veroordeling tot ontruiming en de ontruiming rechtmatig heeft plaatsgevonden, heeft [appellant] niet aangegeven welk belang hij heeft met deze grief, dan wel wat hij ermee wil bereiken. De vierde grief van [appellant] in principaal hoger beroep slaagt dan ook niet.
De kosten van ontruiming
Tegen de afwijzing van de vordering [appellant] te veroordelen in de kosten van een eventuele gerechtelijke ontruiming heeft de Gemeente onder aanvoering van één grief incidenteel hoger beroep ingesteld. Met die grief beoogt de Gemeente te bewerkstellingen dat de vordering tot vergoeding van de ontruimingskosten alsnog wordt toegewezen. De Gemeente heeft haar vordering, nu de ontruiming een feit is, gewijzigd in die zin dat zij thans betaling vordert van de door haar daadwerkelijk gemaakte ontruimingskosten, groot € 17.003,85, omdat [appellant] maar beperkt uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling tot ontruiming, uiterlijk op 1 augustus 2025. De Gemeente heeft deze vordering onderbouwd met het bevelexploot, facturen van de deurwaarder, van de firma [naam4] die containers heeft afgevoerd, betalingsbewijzen, het proces-verbaal van ontruiming, twee verklaringen van de deurwaarder met de strekking dat verschillende ruimtes ‘van onder tot boven’ vol lagen met een bovengemiddelde hoeveelheid spullen, en foto’s waarop het een en ander is te zien.
[appellant] heeft gesteld dat voor deze vordering een afzonderlijke procedure dient te worden gevoerd, omdat de Gemeente met de proceskostenveroordeling in het vonnis al een executoriale titel voor de ontruimingskosten heeft. Onder de proceskosten vallen de nakosten en daaronder vallen de kosten die gepaard gaan met een gedwongen ontruiming. De Gemeente moet niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus [appellant] .
Dit bezwaar van [appellant] kan niet worden gehonoreerd. Het betreft hier een wijziging van eis die door de Gemeente bij de eerst mogelijke gelegenheid bij memorie van antwoord, en dus tijdig is genomen. Anders dan [appellant] meent, kan de Gemeente worden ontvangen in deze vordering. [appellant] was op grond van het vonnis van de kantonrechter veroordeeld de woning te verlaten en te ontruimen. [appellant] heeft hieraan niet binnen de daaraan gestelde termijn voldaan, terwijl het vonnis wel aan hem op 22 juli 2025 is betekend. Dat hij bezig was met de ontruiming en door de Gemeente ‘opzij is gezet’ en niet meer de gelegenheid heeft gehad om zelf goederen te verplaatsen, laat onverlet dat de ontruimingstermijn is verstreken en volledige ontruiming is uitgebleven. Hierdoor is [appellant] in de nakoming van zijn verplichtingen jegens de Gemeente tekortgeschoten. Die verplichtingen zijn het noodzakelijke gevolg van het systeem van de executoriale titel ex artikel 3:297 BW, in samenhang met artikel 6:74 lid 1 BW. Artikel 555 en verder Rv regelen vervolgens de wijze van executie indien een gedwongen ontruiming is uitgesproken. De met de gedwongen ontruiming gepaard gaande kosten vallen onder artikel 237 lid 3 Rv, nu deze niet op voorhand waren te begroten. Dat dit niet met zoveel woorden in het ontruimingsvonnis is bepaald en het deel van de vordering dat zag op de mogelijk te maken toekomstige ontruimingskosten was afgewezen, is niet relevant, nu het voorgaande voortvloeit uit de wet. De kantonrechter is, zoals dit hof eerder heeft overwogen, verder geenszins gehouden alle consequenties die de wet aan een executoriale titel verbindt in het dictum op te nemen. Door het ontruimingsvonnis niet vrijwillig na te leven, is [appellant] schadeplichtig jegens de Gemeente. De schade bestaat uit de kosten die de Gemeente heeft moeten maken om de woning te laten ontruimen. Die executiekosten komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Voor deze ontruimingskosten is geen ‘liquidatietarief’ vastgesteld. Vereist is slechts dat in de gegeven omstandigheden de kosten redelijk zijn. Daarnaast heeft de Gemeente de kosten gevorderd voor de afvoer van de zaken in containers, die als schade een rechtstreeks gevolg zijn van de toerekenbare niet-nakoming door [appellant] van zijn verplichtingen jegens de Gemeente.
[appellant] heeft de hoogte van de gevorderde kosten betwist. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de kosten onvoldoende gespecificeerd zijn en het gevorderde bedrag fors is in vergelijking met andere ontruimingsprocedures.
De Gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof uitvoerig toegelicht hoe zij tot de gevorderde kosten is gekomen. De ontruimingswerkzaamheden die meer dan een week in beslag hebben genomen, zijn in opdracht van de deurwaarder uitgevoerd door [naam5] B.V. en aan de deurwaarder in rekening gebracht. In totaal betrof dit 156,65 manuren maal een uurtarief van € 45,50 exclusief btw. Dat verklaart het in de nota van de deurwaarder genoemde bedrag van € 8.940,03, aldus de Gemeente. De factuur van de deurwaarder betrof uiteindelijk in totaal met onder meer deurwaarderskosten en ontruimersloon, € 11.851,82. Verder heeft de Gemeente gewezen op de werkzaamheden van [naam4] , die vier containers van 10 m3 en vier containers van 20m3 aan spullen heeft afgevoerd (in totaal 120 m3), wat € 5.152,03 heeft gekost. Kosten van € 1.778,70 voor de opslag van een beperkt aantal persoonlijke spullen van [appellant] heeft de Gemeente niet in rekening gebracht, maar wel aan derden betaald. De aanwezige duiven zijn ook ondergebracht bij derden. De kosten van ontruiming van de bijgebouwen heeft de Gemeente € 45.000,- gekost, maar ook die kosten zijn in de vordering niet meegenomen, aldus nog steeds de Gemeente. Tijdens de mondelinge behandeling is een en ander niet meer betwist.
Gelet op de onderbouwing van de vordering van de Gemeente, waaronder de in het geding gebrachte foto’s, komt het hof het gevorderde bedrag aan executiekosten ten bedrage van € 11.851,82 niet onredelijk voor. Aan de hand van het proces-verbaal van ontruiming, de verklaringen van de deurwaarder en de overgelegde foto’s moet worden vastgesteld dat de ontruiming van de woning met het omliggende perceel een arbeidsintensieve gelegenheid is geweest. Daarbij komt dat [appellant] niet gemotiveerd heeft betwist dat 156,65 uur een redelijk aantal uren is geweest voor de ontruiming van de woning.
De Gemeente is evenwel met meer kosten geconfronteerd dan de enkele executiekosten. Zij heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij kosten heeft gemaakt voor het afvoeren van de inboedel met containers en vordert vergoeding daarvan ten bedrage € 5.152,03 als kosten die het directe gevolg zijn van de wanprestatie door [appellant] . Dat is ook niet betwist, zodat het hof ook dit deel van de vordering zal toewijzen.
Voor matiging ziet het hof geen aanleiding. [appellant] wist dat hij de woning op enig moment zou moeten verlaten. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft hij nog verklaard dat hij niet bereid was dat te doen. [appellant] heeft vervolgens vanaf de uitspraak van de kantonrechter op 15 april 2025 er rekening mee moeten houden dat hij uiterlijk op 1 augustus 2025 de woning ontruimd ter beschikking moest stellen. Het ontbreken van alternatieve woonruimte en de afwezigheid van alternatieve opslag komen in de gegeven omstandigheden voor zijn eigen rekening. Dat geldt uiteindelijk ook voor zijn persoonlijke problematiek, waar de Gemeente steeds oog voor heeft gehad. Dat klemt te meer nu hij iedere vorm van hulp heeft afgewezen. Feiten en omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn niet dan wel onvoldoende gesteld of gebleken. Dat in het door hem gestarte executiegeschil op 29 juli 2025 arrest is gewezen en niet heeft geleid tot de door hem gewenste schorsing van de executie, is iets waar [appellant] rekening mee had moeten houden, en maakt niet dat de Gemeente onnodig snel tot executie is overgegaan door op 6 augustus 2025 te starten met de gedwongen ontruiming.
Van misbruik van bevoegdheid is evenmin sprake. Ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Weliswaar meent [appellant] dat hiervan sprake is, maar het hof gaat daar niet in mee.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de Gemeente uitvoerig toegelicht waarom zij [appellant] na het overlijden van de vader nog ruim twee jaar de gelegenheid heeft gegeven in de woning te blijven, totdat zij in april 2024 [appellant] heeft gesommeerd de woning te ontruimen, gevolgd door de dagvaarding op 7 oktober 2024 toen ontruiming uitbleef. De Gemeente heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling vervolgens ook uitvoerig aangegeven wat haar belang is bij ontruiming. Het gaat om de verdere ontwikkeling van het gebied (de woning met het omliggende terrein) voor onder meer woningbouw. Het onderzoek dat daarvoor nodig is, wachtte op ontruiming en is/wordt inmiddels uitgevoerd (zie ook rechtsoverweging 3.10). Asbestsanering, sloop en afvoer van de bijgebouwen had men evenmin ongestoord kunnen uitvoeren als [appellant] de woning met het omliggende terrein nog in gebruik zou hebben gehad. Met deze activiteiten is ook pas aangevangen na de ontruiming. Tegelijkertijd heeft de Gemeente oog gehad voor de belangen van [appellant] door hem hulp aan te bieden bij het zoeken naar alternatieve huisvesting, maar die hulp is door hem afgewezen. Een beperkt aantal persoonlijke spullen en de duiven zijn door de Gemeente veilig gesteld. De Gemeente heeft [appellant] na 6 augustus 2025 op haar kosten voor veertien dagen ondergebracht in een pension, waar hij, voor zover aan de Gemeente bekend is, op eigen kosten nog steeds verblijft. Wanneer het belang van de Gemeente wordt afgezet tegen de belangen van [appellant] (tijd om alternatieve woonruimte te zoeken, dakloosheid te voorkomen en verlies van persoonlijke bezittingen) weegt het belang van de Gemeente in de gegeven omstandigheden zwaarder. Van een onevenredige wanverhouding tussen de belangen van partijen is geen sprake, zodat van misbruik van bevoegdheid ook geen sprake is.
Het vorenstaande voert tot de conclusie dat gevorderde executiekosten niet onredelijk zijn en dat verder onvoldoende is betwist dat de gevorderde vergoeding voor de afvoer van de inboedel, als schade het gevolg is van de wanprestatie van [appellant] waarvoor hij aansprakelijk is. De gevorderde kosten zullen worden toegewezen, nu andere bezwaren tegen het gevorderde bedrag niet zijn opgeworpen.
De conclusie
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in principaal hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
Het incidenteel hoger beroep van de Gemeente slaagt wel. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in incidenteel hoger beroep veroordelen.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 15 april 2025, behalve de beslissing onder 5.6 die hierbij wordt vernietigd en beslist als volgt;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 17.003,85, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, en bepaalt voor het geval voldoening niet plaatsvindt binnen die termijn, het bedrag wordt verhoogd met de wettelijke rente, die is verschuldigd met ingang van de bedoelde termijn tot aan de dag van de algehele voldoening,
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van de Gemeente in principaal hoger beroep:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van de Gemeente (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290,-)
bepaalt dat de proceskosten in principaal hoger beroep moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van de Gemeente in incidenteel hoger beroep:
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van de Gemeente (0,5 x (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290,-))
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, M.W. Zandbergen en H.R. Bos, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.