ECLI:NL:GHARL:2026:5267

ECLI:NL:GHARL:2026:5267

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer Wahv 200.362.989/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Roodlichtgedraging. Evenredigheidsbeginsel. De hoogte van het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag staat in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 13 oktober 2025, betreffende

wonende te [woonplaats] .

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 140,63

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Daarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.

Op 28 en 29 juli 2026 zijn nog e-mails van betrokken ontvangen.

De zaak is behandeld op de zitting van 29 juli 2026. De betrokkene is verschenen.

De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 november 2022 om 14:30 uur op de Johannes Geradtsweg kruising Jacob van Campenlaan richting Larenseweg in Hilversum met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie tweemaal gematigd met 25 procent wegens de schending van de hoorplicht door de officier van justitie en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.

3. De betrokkene voert aan dat hij slechts een oranje (het hof begrijpt: geel) verkeerslicht heeft gezien en geen rood licht. Op de eerste foto bevindt de bestuurderspositie van het voertuig zich al voorbij het verkeerslicht. De betrokkene is van mening dat pas sprake is van door rood licht rijden als kan worden vastgesteld dat de bestuurder het rode licht ook heeft kunnen zien. Dat was hier niet het geval. Verder voert de betrokkene aan dat het door geel licht rijden mede werd veroorzaakt door de slechte afstelling van het verkeerslicht, dat later opnieuw is afgesteld na een klacht bij de gemeente. De betrokkene heeft dit ter zitting onderbouwd door het tonen van filmopnames. Tot slot voert de betrokkene aan dat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging onevenredig hoog is, hetgeen in strijd is met artikel 49, derde lid, van EU-Handvest. Door slechts te overwegen dat de sanctietarieven landelijk door de wetgever zijn vastgesteld en niet door de rechter kunnen worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, is de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd op deze grond ingegaan. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de betrokkene het op 29 januari 2026 gepubliceerde rapport van het WODC betreffende de evaluatie van de Wahv overgelegd. Ook heeft hij gewezen op het rapport ‘Boetestelsels in balans’, verschillende wetenschappelijke artikelen en de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707, ECLI:NL:RBMNE:2026:3708 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3889).

4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.

Foto 1: Het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,9 seconden.

Foto 2: Circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.

De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd met een goedgekeurd snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een flitspaal.”

6. Verder bevinden zich in het dossier de foto’s waarmee de gedraging is vastgelegd. Hierop is te zien dat het verkeerslicht rood licht uitstraalt. Op de eerste foto bevindt het voertuig zich met de achterwielen ter hoogte van de stopstreep. De neus van het voertuig bevindt zich ter hoogte van het verkeerslicht. Op de tweede foto is het voertuig verder gereden en bevindt het zich voorbij het verkeerslicht. Uit de gegevens in de databalk onder de foto’s blijkt dat het verkeerslicht 0,9 seconden rood licht uitstraalde toen de eerste foto werd genomen en 1,8 seconden toen de tweede foto werd genomen. De geeltijd bedroeg 2,9 seconden.

7. De onderhavige gedraging kan worden vastgesteld als de stopstreep wordt gepasseerd, terwijl het verkeerslicht rood licht uitstraalt (vgl. het arrest van het hof van 30 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:516). Het is het hof ambtshalve bekend dat de lusdetector door inductielussen in het wegdek wordt geactiveerd wanneer met een voertuig de stopstreep wordt gepasseerd bij een rood uitstralend verkeerslicht.

8. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep is gepasseerd, terwijl het verkeerslicht rood uitstraalde. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging verricht.

9. De stelling van de betrokkene dat pas sprake is van door rood licht rijden als kan worden vastgesteld dat de bestuurder het rode licht ook heeft kunnen zien, vindt overigens geen steun in het recht. Ook indien het voertuig de stopstreep al is gepasseerd op het moment dat het verkeerslicht rood licht begon uit te stralen, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Wanneer op het moment waarop een bestuurder een stopstreep voorbijrijdt, het op enige afstand van die streep zich bevindende voor hem geldende verkeerslicht nog géén rood licht uitstraalt, kan namelijk worden gezegd dat die bestuurder “door rood licht rijdt” wanneer hij het verkeerslicht voorbijrijdt als het inmiddels rood licht uitstraalt (vgl. HR 1 juli 1982, NJ 1983, 312).

10. Gelet op wat is aangevoerd dient het hof vervolgens te beoordelen of er andere redenen zijn om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Dat de betrokkene slechts heeft gezien dat het verkeerslicht geel licht uitstraalde en niet dat het rood was, geeft hiertoe geen aanleiding. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij zodanig anticipeert op de aanwezigheid van een verkeerslicht dat hij in staat is tijdig daarvoor te stoppen. Voordat het verkeerslicht rood licht begon uit te stralen heeft het 2,9 seconden geel licht uitgestraald. Gelet op artikel 62 juncto artikel 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 moet voor een geel verkeerslicht worden gestopt, tenzij dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Aangenomen mag worden dat de geeltijd van het verkeerslicht in het algemeen voldoende lang is om daarbinnen een voertuig veilig voor het verkeerslicht tot stilstand te brengen. Dat de geeltijd dit geval te kort was, is niet aannemelijk geworden. Indien de betrokkene niet tijdig heeft kunnen stoppen, heeft hij kennelijk in onvoldoende mate geanticipeerd op de aanwezigheid van het verkeerslicht. Dit betreft een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening dienen te komen. Dat het verkeerslicht later opnieuw is afgesteld maakt dit niet anders.

11. Met betrekking tot de grond van de betrokkene dat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging onevenredig hoog is, stelt het hof met de betrokkene vast dat de kantonrechter hierop onvoldoende gemotiveerd is ingegaan. De kantonrechter had, gelet op wat is aangevoerd, de hoogte van het sanctiebedrag moeten toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719). Het hof zal dit alsnog doen.

12. Voor zover de betrokkene heeft verzocht om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad, overweegt het hof dat het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad in procedures als de onderhavige niet mogelijk is, zodat het hof reeds hierom daartoe niet zal overgaan.

13. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze bijlage wordt elk jaar opnieuw vastgesteld. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Naar het oordeel van het hof is een sanctiebedrag van € 250,- voor het negeren van een rood verkeerslicht niet onevenredig. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. De veiligheid van het verkeer wordt met deze gedraging rechtstreeks in gevaar gebracht.

14. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden vanwege het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Starreveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand