GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.370.383
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 610662
beschikking van 13 augustus 2026
over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige]
in de zaak van
[appellante] (de moeder)
zonder bekende woon- of verblijfplaats
advocaat: mr. M. van Gemert
tegen
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (de GI)
die is gevestigd in Utrecht.
Het hof heeft als overige belanghebbenden aangemerkt:
[de pleegouders] (de pleegouders).
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 9 juni 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
[In] 2019 heeft de moeder een dochter gekregen: [minderjarige] .
De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 9 juni 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 30 januari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. Beide maatregelen zijn daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 9 juni 2026.
[minderjarige] woont sinds 30 januari 2024 in het gezin van de pleegouders, die voor haar bekend waren, omdat zij daar al eerder op vrijwillige basis verbleef.
3. De procedure bij de kinderrechter
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd tot 9 juni 2026.
Bij beschikking van 2 juni 2026 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 9 juni 2027.
4. De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij komt daarom in hoger beroep van de beschikkingen van de rechtbank van zowel 17 maart 2026 als van 2 juni 2026. Zij wil dat het hof die beslissingen ongedaan maakt dan wel de GI opdraagt alsnog een actueel en zorgvuldig onderzoek te verrichten naar de opvoedmogelijkheden van de moeder en naar de mogelijkheden van gezinshereniging.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ontvangen op 16 juni 2026
het verweerschrift van de GI
een journaalbericht namens de moeder met het verzoek om de moeder in verband met haar buitenlandverblijf online aan de zitting te laten deelnemen.
Het hof heeft het verzoek om de moeder online te laten deelnemen aan de zitting afgewezen.
De zitting bij het hof was op 16 juli 2026. Aanwezig waren:
Mr. Van Gemert, namens de moeder
een vertegenwoordiger van de GI
de pleegouders.
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken.
Wat is de mening van partijen?
De moeder is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en met de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Zij heeft gesteld dat haar persoonlijke situatie zodanig is verbeterd dat zij in de nabije toekomst met hulpverlening weer zelf voor [minderjarige] kan zorgen. Zij voert daartoe -kort samengevat- aan dat de GI niet voldoet aan haar inspanningsverplichting om toe te werken naar gezinshereniging, dat het aan de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing ten grondslag gelegde perspectiefbesluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de rechtbank onvoldoende haar actuele opvoedvaardigheden in de beoordeling heeft betrokken. Als het hof van oordeel is dat de verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog nodig zijn, dan verzoekt de moeder te bepalen dat de GI alsnog een onderzoek moet verrichten naar haar opvoedmogelijkheden.
De GI heeft -kort samengevat- aangevoerd dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing nog steeds in het belang zijn van [minderjarige] . De in de afgelopen jaren, zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader, ingezette hulpverlening kon steeds niet worden gestart of tot een succesvol einde worden gebracht wegens gebrek aan voldoende medewerking van de moeder. De GI krijgt van de moeder nog steeds niet de gelegenheid haar actuele situatie ten aanzien van huisvesting, inkomen en opvoedvaardigheden te beoordelen. Ook is onduidelijk of de moeder haar gokverslaving, waarvan in ieder geval in het verleden sprake was, heeft overwonnen. De moeder geeft nog steeds geen enkel inzicht in haar situatie zodat er niet eens een begin kan worden gemaakt met welk onderzoek dan ook.
Hoe oordeelt het hof?
Uit de stukken en wat tijdens de zitting van het hof is gezegd, is het volgende gebleken. De moeder heeft erkend dat er vroeger zorgen waren over haar opvoedsituatie en dat haar persoonlijke omstandigheden toen onvoldoende stabiel waren. [minderjarige] verbleef in een vervuilde omgeving en kreeg niet de verzorging en aandacht die zij nodig had. De moeder erkent ook dat er destijds redenen waren voor een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van [minderjarige] . In maart 2023 heeft de GI de moeder aangeboden Ambulante Spoedhulp (ASH) in haar gezin in te zetten. Deze hulp kwam vervolgens niet van de grond omdat de moeder weigerde om een hulpvraag te formuleren. Daarna heeft de GI eind 2023 begeleiding van Tien voor Toekomst aangeboden. Deze hulp kon in februari 2024 pas starten omdat de moeder niet eerder heeft meegewerkt aan een startgesprek. Deze hulp was voor ondersteuning van de moeder bij praktische zaken en bij de opvoeding, maar ook bij de begeleiding van de omgangsmomenten. Alleen het laatste doel daarvan, de begeleiding van de omgangsmomenten, is gelukt. De moeder weigerde de ondersteuning bij de praktische zaken en bij de opvoeding. In het eindverslag van Tien voor Toekomst is gemeld dat de moeder niet wilde meewerken aan het vervolgens aangeboden traject Herstart in Utrecht. De moeder is in juni 2025 naar Griekenland vertrokken om daar te gaan wonen en werken. Bij haar vertrek heeft zij beloofd iedere maand naar Nederland te komen voor een omgangsmoment met [minderjarige] . Die belofte is zij niet nagekomen. Zij is wel in november 2025 voor een periode van vijf weken naar Nederland gekomen. In die periode zijn er begeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] geweest, waarna de leerpunten met de moeder zijn besproken. Na het aanhoren van die leerpunten heeft de moeder volgens de GI aangevoerd dat zij er niets mee zou doen, omdat zij als moeder het beste wist wat goed was voor [minderjarige] . Daarna is de moeder naar Spanje vertrokken om daar te gaan wonen en werken. In maart 2026 bleek dat de moeder inmiddels in Marokko woonde en werkte. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep verbleef de moeder nog in het buitenland.
De bij [minderjarige] betrokken speltherapeute heeft gerapporteerd dat er eind 2025 meer onrust en een terugval in het spel van [minderjarige] te zien was.
[minderjarige] woont al enkele jaren in het gezin van de pleegouders, die ter zitting hebben verklaard dat [minderjarige] een goede ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat het nu naar omstandigheden goed met haar gaat, wat door de GI ter zitting is bevestigd.
De in de beschikking van 17 maart 2026 verlengde machtiging voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] liep tot 9 juni 2026 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of die machtiging wel mocht worden gegeven. Deze toets wordt een rechtmatigheidstoets genoemd en is gebaseerd op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In dat artikel staat het recht op eerbiediging van het gezinsleven.
Het hof is van oordeel de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in de beschikking van 17 maart 2026 terecht is verlengd. De moeder heeft haar stelling dat haar persoonlijke situatie op dat moment zodanig was verbeterd dat zij weer zelf voor [minderjarige] kon zorgen, op geen enkele manier onderbouwd. Gebleken is dat de moeder de afgelopen jaren niet of in ieder geval zeer beperkt heeft meegewerkt met de diverse door de GI aangeboden hulpverleningsinstanties. In de periode waarin zij in Nederland woonde, liet zij de hulpverleners niet toe in haar woning en tijdens haar buitenlandverblijf was de GI niet (steeds) op de hoogte van haar wisselende adressen in verschillende landen. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder niet aangetoond dat de gronden voor de uithuisplaatsing, die er -zoals de moeder heeft erkend- destijds waren, er ten tijde van de beschikking van 17 maart 2026 niet meer waren.
Voor de beoordeling van de door de moeder gerichte grief tegen het in laatstgenoemde beschikking genoemde perspectiefbesluit is in het kader van de eerder genoemde rechtmatigheidstoets geen plaats.
Voor de beoordeling van de in de beschikking van 2 juni 2026 verlengde machtiging uithuisplaatsing komt het hof tot dezelfde constatering. Het hof is van oordeel dat die machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] ook in die beschikking terecht is verlengd. De situatie was op dat moment niet gewijzigd ten opzichte van de situatie op 17 maart 2026. Ook op 2 juni 2026 heeft de moeder niet aangetoond dat de gronden voor de uithuisplaatsing er op dat moment niet meer waren. Zij heeft nog steeds geen inzicht in haar, volgens haar verbeterde, situatie gegeven. In dit hoger beroep is dit niet anders.
De moeder heeft in hoger beroep ook gesteld dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet nodig is. Uit het beroepschrift volgt dat ze vooral vindt dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling haar taken niet goed uitvoert, zonder dat er concrete grieven zijn aangevoerd tegen de (verlenging van de) ondertoezichtstelling als zodanig. De moeder grieft vooral tegen de verlengde machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat de uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] terecht is verlengd. Nu het volgens de wet niet mogelijk is een kind uit huis te plaatsen zonder dat er sprake is van een ondertoezichtstelling van dat kind, en het hof net als de rechtbank van oordeel is dat aan de gronden daarvoor is voldaan, kan het hof niet anders concluderen dan dat de ondertoezichtstelling in de beschikking van 2 juni 2026 terecht is verlengd.
Het hof zal het verzoek van de moeder om te bepalen dat de GI alsnog een onderzoek moet verrichten naar haar opvoedmogelijkheden afwijzen. Naast dat de grondslag voor dat verzoek ontbreekt is gebleken dat er door de GI in de afgelopen jaren diverse hupverleningstrajecten zijn aangeboden, die door de moeder zijn geweigerd of niet succesvol zijn gevolgd. De moeder, die al geruime tijd – en in ieder geval tot en met het moment van de behandeling van dit hoger beroep – in het buitenland woont, heeft geen, zelfs geen begin van inzicht verschaft in haar huidige situatie. Zij biedt de GI daardoor geen enkele mogelijkheid om haar actuele situatie en opvoedmogelijkheden te onderzoeken.
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikkingen zullen worden bekrachtigd.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 maart 2026 en van 2 juni 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier en is op 13 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.