Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002662-25
Uitspraakdatum: 3 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 met parketnummer 05-325355-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in Penitentiaire Inrichting [locatie] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2025.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, en mr. R. van Maaren, de advocaat van [benadeelde 1] , en mr. L. van Sommeren, de advocaat van [benadeelde 2] , hebben aangevoerd.
Namens [benadeelde 1] heeft [naam] , zijn stiefvader, het spreekrecht uitgeoefend ter zitting van het hof.
Het vonnis
In het vonnis is bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Daarnaast heeft de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van drie jaren aan verdachte opgelegd, te weten een contactverbod met [benadeelde 2] en een locatieverbod voor [plaats] en de [gemeente] . In het geval verdachte niet aan deze maatregel voldoet, is de duur van de vervangende hechtenis bepaald op ten hoogste twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. De rechtbank heeft deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De vordering van [benadeelde 1] is volledig toegewezen door de rechtbank tot een bedrag van € 7.600,00 (bestaande uit € 100,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan smartengeld), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [benadeelde 2] , bestaande uit
€ 62,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan smartengeld, is niet-ontvankelijk verklaard.
De vordering van [benadeelde 1] is in hoger beroep gehandhaafd. De vordering van [benadeelde 2] is in hoger beroep naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden en op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis in zijn geheel bevestigen, met aanvulling van het bewijs zoals hierna vermeld. Het vonnis moet worden gelezen met inachtneming van die aanvulling. Dit betekent dat de in hoger beroep gevoerde bewijsverweren niet slagen. Het hof ziet in wat verder is aangevoerd ook geen reden om af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf en de beslissing op de vordering van [benadeelde 2] .
Aanvulling ten aanzien van de bewijsmiddelen
Het hof zal de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvullen met de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij het hof op de zitting van 20 januari 2026, te weten:
“Het klopt dat ik het eerste feit, zoals deze door de rechtbank is bewezenverklaard, beken.”
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. D.J. Stahlie, mr. F.A.M. Bakker en mr. K. Gilhuis, in aanwezigheid van de griffier mr. I.H. Scharrenberg en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 februari 2026.