ECLI:NL:GHARL:2026:5303

ECLI:NL:GHARL:2026:5303

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer 24/1959
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBGEL:2024:7860

Samenvatting

Wfsv. Verzekeringsplicht bestuurders

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 24/1959

uitspraakdatum: 11 augustus 2026

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 25 september 2024, nummer AWB 22/5292, ECLI:NL:RBGEL:2024:7860, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

De Inspecteur heeft bij beschikking op grond van artikel 59, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) beslist dat de bestuurders van belanghebbende verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] (radioloog) en [naam2] (de directeur van belanghebbende) namens belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende P.L.M. Kamphuis en zijn kantoorgenoot mr. P. Hek, bijgestaan door [naam3] en [naam4] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam5] en [naam6] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende is op 13 november 2014 opgericht en oefent een medisch specialistisch bedrijf uit op het gebied van radiologie en nucleaire geneeskunde. Alle aandeelhouders van belanghebbende zijn ook bestuurder van haar. Zij zijn daarnaast als radioloog in dienstbetrekking werkzaam bij belanghebbende. Zij hebben een dienstverband van verschillende omvang, variërend van 0,55 fte tot 1 fte.

De aandelen in belanghebbende zijn verdeeld op basis van de omvang van het dienstverband van de desbetreffende aandeelhouder. Op 31 december 2018 had belanghebbende 42 aandeelhouders. Het aandelenbelang varieert van 1,43% bij een dienstverband van 0,55 fte tot 2,60% bij een dienstverband van 1 fte. Alle aandeelhouders hebben één stem in de algemene vergadering van aandeelhouders (ava), ongeacht het aandelenbelang.

Voorafgaand aan de oprichting van belanghebbende waren haar aandeelhouders als radioloog werkzaam bij [maatschap1] . Over de herstructurering heeft overleg plaatsgevonden tussen (de gemachtigde van) belanghebbende en de Inspecteur.

Met dagtekening 7 mei 2014 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde – onder meer – het volgende geschreven:

‘Half december jl. spraken wij naar aanleiding van een verzoek uwerzijds telefonisch met elkaar over de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen van de radiologen werkzaam in de [maatschap1] in de situatie dat de maatschap zou worden omgezet in een besloten vennootschap.

U deelde mij desgevraagd het volgende mee:

- alle deelnemende radiologen hebben een gelijk aandelenbezit in de B.V. en een gelijk stemrecht in de aandeelhoudersvergadering;

- zij zijn allen statutair bestuurder; en

- de feitelijke omstandigheden waarin wordt (samen)gewerkt zijn dezelfde als die in de maatschap.

Ik heb u meegedeeld dat ik op grond van deze feiten van oordeel ben dat alle in de B.V. deelnemende radiologen moeten worden beschouwd als directeur-grootaandeelhouder en dat zij uit dien hoofde niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.

Ik heb uw vraag beantwoord op basis van de beperkte feiten en omstandigheden zoals u die in ons telefoongesprek in december hebt toegelicht. Mocht achteraf blijken dat de feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig zijn, dan is het antwoord onverbindend. Verder heb ik uw vraag beoordeeld aan de hand van de regelgeving zoals die op dat moment gold. Wijzigingen hierin kunnen van invloed zijn op de gegeven antwoorden. Deze vervallen daarom bij relevante wijzigingen in wet- en regelgeving, beleid en/of jurisprudentie.’

De Inspecteur en de gemachtigde hebben over voornoemde brief telefonisch contact gehad. De Inspecteur heeft vervolgens op 20 mei 2014 een brief gestuurd, waarin hij alleen heeft gewijzigd dat de deelnemende radiologen naar rato van hun aandelenbezit in de B.V. participeren. Deze brief luidt – onder meer – als volgt:

‘U deelde mij desgevraagd het volgende mee:

- de deelnemende radiologen participeren naar rato van hun aandelenbezit in de B.V., maar hebben allen een gelijke stem in de aandeelhoudersvergadering;

- zij zijn allen statutair bestuurder; en

- de feitelijke omstandigheden waarin wordt (samen)gewerkt zijn dezelfde als die in de maatschap.

Ik heb u meegedeeld dat ik op grond van deze feiten van oordeel ben dat alle in de B.V. deelnemende radiologen moeten worden beschouwd als directeur-grootaandeelhouder en dat zij uit dien hoofde niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.

Ik heb uw vraag beantwoord op basis van de beperkte feiten en omstandigheden zoals u die in ons telefoongesprek in december hebt toegelicht. Mocht achteraf blijken dat de feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig zijn, dan is het antwoord onverbindend. Verder heb ik uw vraag beoordeeld aan de hand van de regelgeving zoals die op dat moment gold. Wijzigingen hierin kunnen van invloed zijn op de gegeven antwoorden. Deze vervallen daarom bij relevante wijzigingen in wet- en regelgeving, beleid en/of jurisprudentie.’

Op 3 juli 2019 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende, de gemachtigde, en de Inspecteur. Tijdens deze bespreking heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de bestuurders van belanghebbende vanaf 1 januari 2016 verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.

Met dagtekening 31 juli 2019 heeft de Inspecteur de in geding zijnde beschikking genomen. Hierin staat dat de bestuurders van belanghebbende vanaf 1 januari 2016 niet (meer) kwalificeren als directeur-grootaandeelhouder (dga), dat de bestuurders vanaf die datum verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen en dat belanghebbende vanaf die datum premies werknemersverzekeringen voor hen had moeten betalen.

3. Geschil

In geschil is of de bestuurders van belanghebbende met ingang van 2016 zijn verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen. In het bijzonder is in geschil of de bestuurders zijn aan te merken als dga en, zo niet, of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de Inspecteur hen als zodanig zou aanmerken.

4. Beoordeling van het geschil

Op grond van de werknemersverzekeringen zijn verzekerd de werknemers. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van de dga. Wie dga is, volgt uit bij ministeriele regeling te stellen regels.

Tot en met 2015 gold de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (hierna: de Regeling 1997). Artikel 2, eerste lid, van die Regeling bepaalde onder meer dat ‘onder directeur-grootaandeelhouder (…) wordt verstaan: (…) c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen (…)’. Op grond van deze Regeling werden de bestuurders van belanghebbende aangemerkt als dga, zodat zij niet verzekerd waren op grond van de werknemersverzekeringen.

Met ingang van 2016 geldt de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 (hierna: de Regeling 2016). Artikel 2, derde lid, van deze Regeling bepaalt dat ‘onder de directeur-grootaandeelhouder (…) worden (…) verstaan bestuurders die samen alle aandelen van de vennootschap bezitten en als aandeelhouders een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen’.

De Regeling 2016 is – voor zover hier van belang – als volgt toegelicht:

1. Inleiding

(…) Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (hierna: Wet Flex-BV) met ingang van 1 oktober 2012 was het gewenst de oude regeling aan te passen. Ook is in deze regeling rekening gehouden met ontwikkelingen in de jurisprudentie. Daarbij is beoogd voor het merendeel van de bestuurders van vennootschappen de bestaande situatie te continueren zonder dat aanpassing van de statuten daarvoor nodig is. Bedoeld is om de bestaande praktijk te verduidelijken en alleen waar nodig aan te passen in verband met wetgeving en jurisprudentie. Ten behoeve van de leesbaarheid is er voor gekozen de oude regeling volledig te vervangen. (…)

2. Achtergrond oude regeling

(…) Uitgangspunt van de oude regeling was dat als de dga de feitelijke macht had in de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap, hij daaraan niet ondergeschikt was en er daarmee geen sprake was van een reële gezagsverhouding. Omdat er op die grond geen sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van de werknemersverzekeringen was werknemerschap niet aan de orde en daarmee ook geen verplichte verzekering voor de werknemersverzekeringen. De ondergeschiktheid werd in de oude regeling bepaald aan de hand van de omvang van het aandelenbezit of het aantal stemmen dat uitgebracht kon worden in de algemene vergadering van aandeelhouders.

3. Nieuwe regeling

Uitgangspunt

De nieuwe regeling bevat criteria voor de beoordeling van de verzekeringsplicht van de statutair bestuurder van een vennootschap. (…) Degene die een arbeidsovereenkomst heeft met de vennootschap, staat formeel onder gezag van de vennootschap en daarmee is voldaan aan de voorwaarden van verzekeringsplicht. Niet van belang is welke personen deel uitmaken van het orgaan van de vennootschap dat instructies kan geven aan die persoon. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is niet relevant. (…)

Indien de bestuurder een arbeidsovereenkomst heeft met de vennootschap en op grond daarvan de verplichting heeft persoonlijk arbeid te verrichten tegen een beloning en formeel onder gezag van de vennootschap staat, en daarmee in dienstbetrekking tot de vennootschap staat, is hij in beginsel verzekerd voor de werknemersverzekeringen (…). Dat is anders indien hij een dga is. Artikel 6 van de relevante werknemersverzekeringswetten bepaalt dat niet als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de dga en dat bij ministeriële regeling wordt geregeld wat onder dga moet worden verstaan. De regeling regelt voor welke gevallen er een uitzondering is op de normale regels voor de verzekeringsplicht, indien er sprake is van een bestuurder van een vennootschap. In die uitzonderingsgevallen is er dan geen sprake van een dienstbetrekking. (…)

Leidend beginsel is dat er geen sprake is van een ‘gezagsverhouding’, indien de bestuurder kan besluiten over zijn ontslag. (…)

Daarnaast wordt geen ondergeschiktheid aangenomen indien er sprake is van nevengeschiktheid. De nevengeschiktheid van de bestuurders blijkt in dat geval uit het gelijkwaardige economisch belang van de bestuurders als aandeelhouders. Dit wordt bepaald aan de hand van het aandeel in het kapitaal van de vennootschap. (…)

Wet Flex BV

Kern van de Wet Flex BV is de vrijheid tot inrichting van de besloten vennootschap, waaronder meer vrijheid in vormgeving en de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van bestuurders. (…) De oude regeling was op de Flex BV niet volledig toegesneden. In de praktijk leidde dit tot vragen over de verzekeringsplicht van de dga. Om meer duidelijkheid te creëren is deze nieuwe regeling vastgesteld.

ARTIKELSGEWIJS

(…)

Artikel 2, derde lid

Dit onderdeel ziet op de bestuurders die samen aandeelhouder zijn van een vennootschap en nevengeschikt zijn ten opzichte van elkaar. In dat geval is geen sprake van ondergeschiktheid. Bepalend is dat de bestuurders alles bij elkaar genomen een gelijkwaardig economisch belang hebben in de vennootschap en een positie innemen die zich laat vergelijken met de verhouding tussen gelijkgerechtigde mede-eigenaren van een onderneming. (…) Om dit economische belang te benadrukken gaat het niet om de stemmen, maar het aandeel in het kapitaal van de vennootschap, dat de bestuurders als aandeelhouders vertegenwoordigen. De bestuurders dienen dan tezamen alle aandelen te bezitten. (…) Er is met opzet gekozen voor de omschrijving ‘een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal’. Dit was ook het geval in de oude regeling. Het is mogelijk dat het geplaatste deel van het maatschappelijk kapitaal niet in gelijke mate deelbaar is door het aantal aandeelhouders. Wanneer in dat geval de verdeling zo klein mogelijk is, bijvoorbeeld 33-33-34 bij 100 aandelen, kan toch nevengeschiktheid worden aangenomen. (…)’

Belanghebbende stelt primair dat haar bestuurders niet zijn verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen, omdat zij zijn aan te merken als dga als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Regeling 2016. Uit de toelichting blijkt, aldus belanghebbende, dat de regelgever de voordien bestaande situatie zoveel mogelijk wilde continueren. Belanghebbende verdedigt dat materieel en niet formeel moet worden beoordeeld of bestuurders ‘een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen’. Volgens de toelichting gaat het erom ‘dat de bestuurders alles bij elkaar genomen een gelijkwaardig economisch belang hebben in de vennootschap en een positie innemen die zich laat vergelijken met de verhouding tussen gelijkgerechtigde mede-eigenaren van een onderneming’. Bij belanghebbende is sprake van een dergelijke nevengeschiktheid, nu de bestuurders op vergelijkbare wijze samenwerken als partners in een transparant samenwerkingsverband (bijvoorbeeld maten in een maatschap). De maten in een dergelijke maatschap zijn ook niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Belanghebbende is de voortzetting van een maatschap, waarin de arbeidsinzet (fte's) als verdeelsleutel werd en wordt aangehouden. De nevengeschiktheid van de bestuurders – ook in economische zin – volgt dan ook de toepassing van deze verdeelsleutel. De verschillen in aandeelhouderschap zijn beperkt en bovendien terug te voeren op het feit dat de ene radioloog een grotere aanstelling heeft dan de andere. Op grond daarvan vindt belanghebbende dat de bestuurders werkzaam zijn op basis van nevengeschiktheid en daarom (ook) op grond van de Regeling 2016 zijn aan te merken als dga.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bestuurders van belanghebbende op grond van de Regeling 2016 niet zijn aan te merken als dga, omdat zij niet een (nagenoeg) gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen. Daarom zijn zij met ingang van 1 januari 2016 verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen, aldus de Inspecteur.

Naar het oordeel van het Hof is het gelijk aan de Inspecteur. De bestuurders van belanghebbende hebben niet een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal, aangezien het bezit varieert van 1,43% tot 2,6%. Daarmee hebben de bestuurders met het grootste aandeel ruim 1,8 maal zoveel aandelen als de bestuurders met het kleinste aandeel. De achtergrond van deze verdeling van het aandelenbezit, de arbeidsinzet, is daarbij niet relevant. Dat de bestuurders samenwerken op basis van nevengeschiktheid, is ook niet van belang, nu de Regeling 2016 – ook blijkens de toelichting – uitdrukkelijk aanknoopt bij het door het aandelenbezit gerepresenteerde economische belang.

Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat haar op grond van het vertrouwensbeginsel een overgangstermijn moet worden gegund. De Rechtbank heeft geoordeeld:

‘24. De rechtbank stelt voorop dat de verzekeringsplicht werknemersverzekeringen voortvloeit uit de wet. Het vertrouwensbeginsel kan de verzekeringsplicht niet ter zijde schuiven. Wel kan een succesvol beroep daarop ertoe leiden dat de fiscale gevolgen van de verzekeringsplicht beperkt dienen te worden.

25. De vraag of in dit geval de fiscale gevolgen van de verzekeringsplicht beperkt dienen te worden, betreft een vraag die in het kader van de loonbelasting dient te worden beantwoord. (…)’

Dit oordeel van de Rechtbank is in hoger beroep niet betwist. Het Hof is het daarmee eens. Ter zitting hebben partijen het Hof verzocht toch een oordeel te geven over de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Zij hebben toegezegd zich te zullen neerleggen bij de uiteindelijke beslissing op dat punt in deze procedure en dit geschilpunt dus niet te betrekken in het kader van een eventuele procedure over de naheffingsaanslag(en). Het Hof zal dat doen.

Belanghebbende stelt dat zij aan de brief van 20 mei 2014 (zie hiervoor onder 2.5) het vertrouwen kan ontlenen dat haar bestuurders niet zijn verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen, althans – zo begrijpt het Hof – dat zij geen premie voor de werknemersverzekeringen is verschuldigd. Belanghebbende stelt dat de vervanging van de Regeling 1997 door de Regeling 2016 geen relevante inhoudelijke wijziging was, die het door de brief gewekte vertrouwen zou beëindigen. Zij stelt dat het haar in elk geval in redelijkheid niet duidelijk hoefde te zijn dat sprake was van een relevante inhoudelijke wijziging. Het gewekte vertrouwen is volgens belanghebbende pas beëindigd toen de Inspecteur op 31 juli 2019 met de in geding zijnde beschikking kenbaar maakte van oordeel te zijn dat de bestuurders van belanghebbende onder de Regeling 2016 niet zijn aan te merken als dga.

In de brief van 20 mei 2014 maakt de Inspecteur uitdrukkelijk het voorbehoud dat de gegeven antwoorden vervallen bij relevante wijzigingen in regelgeving. De invoering van de Regeling 2016 en het daarbij vervallen van de Regeling 1997 is naar het oordeel van het Hof een relevante wijziging in regelgeving die meebrengt dat belanghebbende niet meer kon vertrouwen op de in die brief gegeven antwoorden. Het in casu relevante criterium in de Regeling 1997 was immers een gelijk aantal stemmen in de ava. Dat de Inspecteur aan dat criterium heeft getoetst, heeft de Inspecteur ook uitdrukkelijk vermeld in gewijzigde tekst van de brief van 20 mei 2014. In de Regeling 2016 is dat criterium vervangen door een (nagenoeg) gelijk deel in het kapitaal van de vennootschap. Zoals het Hof hiervoor heeft geoordeeld voldeed belanghebbende niet aan dat criterium. Belanghebbende heeft dat ook moeten begrijpen. Zij heeft in elk geval moeten begrijpen dat daarover zoveel twijfel mogelijk was, dat zij niet – zonder dat bij de Inspecteur te verifiëren – mocht aannemen dat de in de brief van 20 mei 2014 gegeven antwoorden ook onder de Regeling 2016 zouden gelden. De door belanghebbende genoemde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, gewezen voor de Regeling 1997, maakt dit niet anders. Belanghebbende mocht op grond van die rechtspraak redelijkerwijs niet menen dat geen sprake was van een relevante wijziging in de regelgeving.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. R.R. van der Heide en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Meijnders als griffier.

De beslissing is op 11 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S.A.M. Meijnders) (J. van de Merwe)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026083106 NLF 2026/1787 V-N Vandaag 2026/1802
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand