GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.368.232
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland locatie Assen 11947826
beschikking van 17 augustus 2026
in de zaak van
[werknemer] ( [werknemer] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J. Scholtens
en
Stichting Treant Care (Treant)
die is gevestigd in Hoogeveen
advocaat: mr. A.C. Beijderwellen-Wittekoek
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[werknemer] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 16 januari 2026 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
2. De kern van de zaak
[werknemer] is door zijn werkgever Treant op staande voet ontslagen. Daarmee is hij het niet eens.
[werknemer] heeft de kantonrechter verzocht het ontslag te vernietigen en Treant te veroordelen hem weer toe te laten tot zijn werk en zijn loon door te betalen vanaf de ontslagdatum. Voor het geval hij niet meer terug wil, vraagt hij om betaling van de transitievergoeding, een vergoeding voor onregelmatig ontslag en een billijke vergoeding.
Treant heeft, voor het geval het ontslag wordt vernietigd en [werknemer] weer bij haar wil werken, ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en de verzoeken van [werknemer] afgewezen. Aan het voorwaardelijke verzoek van Treant kwam de kantonrechter daarom niet toe.
De bedoeling van het hoger beroep van [werknemer] is dat de afgewezen verzoeken alsnog worden toegewezen, met dien verstande dat in plaats van vernietiging van het ontslag is gevraagd de arbeidsovereenkomst te herstellen.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep moet worden verworpen en licht dat hierna toe, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
de feiten
[werknemer] is op 1 februari 2025 in dienst gekomen bij Treant als verzorgende in opleiding op basis van een leer-/arbeidsovereenkomst. Die overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van de opleiding maar eindigt uiterlijk op 31 augustus 2027.
[werknemer] werkte op [locatie] van Treant in [plaats] . Daar worden verschillende vormen van zorg geleverd, waaronder dementiezorg.
Op zaterdag 30 augustus 2025 had [werknemer] avonddienst en hij was toen de enige mannelijke medewerker die op [locatie] werkte. De medewerkers van Treant dragen een blauw/groen jasje van Treant.
[werknemer] was werkzaam op de tweede verdieping, in het rechterdeel (de B-kant). Dat deel is via een met glas afgeschermde gang verbonden met het linkerdeel van de tweede verdieping (de A-kant). Op de A-kant werkten die avond twee medewerksters, [werknemer1] en [werknemer2] . [werknemer2] heeft [werknemer] tijdens die dienst gebeld om te vragen of hij na het avondeten met een bewoner van de A-kant mee naar buiten wilde te gaan om te roken. [werknemer] heeft daarmee ingestemd.
Tussen 18 en 19 uur die zaterdagavond stond X, een bewoner van de B-kant op de tweede verdieping, in de hiervoor bedoelde verbindingsgang en hij maakte veel lawaai door te roepen en tegen de reling van de gang te slaan en te schoppen. Dat werd gezien en gehoord door [bezoekster] die rond 18 uur gekomen was met haar dochter om haar moeder op de eerste verdieping te bezoeken en X al vanaf de begane grond zag.
[bezoekster] heeft verklaard dat haar dochter bang was dat X het glas stuk zou slaan en door het raam zou vallen. Haar dochter is naar een medewerker op de eerste verdieping gelopen om dit te melden en kwam met die medewerker (hierna: Y) terug, die vervolgens uitlegde dat X niet door het veiligheidsglas kon vallen, dat X dement is en wel vaker op de reling klopt. [bezoekster] verklaart verder dat even later een mannelijke collega aan kwam lopen die langs X liep en hem toen een harde klap gaf. Daarna gromde X en dat was waarschijnlijk vrij luid want [bezoekster] hoort niet goed. Haar dochter heeft de klap niet gezien maar de klap en de grom goed gehoord. De mannelijke collega liep door en [bezoekster] riep in paniek en vol verbazing: “Hij slaat hem, hij slaat hem”. Daarna draaide Y zich om en [bezoekster] vertelde wat zij gezien had. Terwijl zij daar stonden zagen haar dochter en Y de bewuste mannelijke medewerker met twee andere mensen op de begane grond lopen en een van hen zei dat die medewerker nu naar buiten liep.
Op verzoek van Y heeft [bezoekster] die avond nogmaals verteld wat er gebeurd was aan een collega van Y. Volgens [bezoekster] durft haar dochter uit angst voor mogelijke gevolgen geen verklaring af te leggen.
De dochter heeft later in een mail van 19 november 2025 aan [locatiehoofd1] , het locatiehoofd van [locatie] , laten weten dat zij de verklaring van haar moeder heeft gelezen en dat die klopt. Zij voegt daaraan toe dat de verpleger en de oudere man de enige twee mensen waren die op dat moment boven waren. Zij hoorde een harde klap en direct daarna hoorde zij de oudere man boos worden en duidelijke geluiden maken. Later zag zij dezelfde verpleger met andere mensen naar buiten lopen.
Y, die anoniem wil blijven, heeft per mail van 30 augustus 2025 kort verslag gedaan aan het locatiehoofd en daarin aangegeven dat zij door de familie erbij werd gehaald en daarna uitleg gaf. Zij wilde net weglopen toen de dochter zich rot schrok en riep:
“Hij slaat! Hij slaat! Hij slaat!”. Daarna werd Y gelijk door haar teruggeroepen en vertelde zij dat ‘die jongen bij het langslopen X een tik uitdeelde/sloeg”. De familie was zeer geschrokken en vroeg of dat normaal was. Y voegt nog toe dat X goed zichtbaar was vanaf de plek waar de familie stond.
Op 19 november 2025 heeft Y, nogmaals anoniem, in een door haar ondertekend stuk over de gebeurtenissen die avond verklaard dat zij tijdens haar uitleg aan de familie eerst zag dat een vrouwelijke collega X aansprak en daarna doorliep. Even later zag Y dat [werknemer] richting X liep en toen draaide Y zich om om weer naar haar kantoor te lopen, in de verwachting dat X nu werd meegenomen en gerustgesteld. Maar toen hoorde zij de bezoekers roepen: “Hij slaat hem, hij slaat hem”. Zij liep terug naar de bezoekers die in paniek en onthutst waren. Boven zag zij toen alleen nog X staan die geen lawaai meer maakte. Terwijl de bezoekers hun verhaal vertelden zagen zij en Y dat [werknemer] op de begane grond met twee bewoners naar buiten liep. Dit alles moet zich hebben afgespeeld tussen 18 en 18:15 uur, omdat Y om 18:15 naar [werknemer2] belde om het gebeuren met haar te bespreken.
[werknemer2] meldde in een mail van 31 augustus 2025 aan het locatiehoofd dat zijzelf met een bewoner bezig was en dat haar collega [werknemer1] per telefoon werd ingelicht over het incident met X door de lager gelegen afdeling. Verzoek aan [werknemer1] was of [werknemer2] wilde terugbellen en dat heeft [werknemer2] gedaan. Daarna is zij naar de bezoekers gegaan die nogmaals vertelden wat zij gezien en gehoord hadden. De bezoekers waren erg ontdaan maar blij dat [werknemer2] aangaf dat zij direct haar leidinggevende ging informeren.
In haar schriftelijke verklaring van 17 november 2025 voegt [werknemer2] nog toe dat zij op die zaterdag [werknemer] belde met het verzoek na het eten naar beneden te gaan met een bewoonster van afdeling A die rookt maar in verband met personeelstekort niet door haar of [werknemer1] mee naar buiten genomen kon worden. [werknemer] ging akkoord. Daarna ging zijzelf een andere bewoner verzorgen en terwijl zij daarmee bezig was hoorde ze veel lawaai op de gang tussen beide afdelingen. Met een andere bewoner aan de arm zag ze dat X hard op de leuning sloeg en aan het roepen was. Vervolgens zag zij [werknemer] aan komen lopen op de gang. Zij nam aan dat [werknemer] X verder zou helpen omdat hij aan de B-kant werkt waar X woont. Nadat zij met haar bewoner klaar was, zag zij X rond 18:15 uur op haar afdeling rondlopen. Hij vertoonde ander gedrag, wat zij opmerkte voordat zij wist wat er gebeurd was.
Op 31 augustus 2025 heeft het locatiehoofd in aanwezigheid van een ander locatiehoofd, [locatiehoofd2] , met [werknemer] gesproken over het incident met X waarover zij de avond ervoor was geïnformeerd. In het verslag staat dat [werknemer] aangeeft dat hij de bewoner niet geslagen heeft en dat hij op het moment van de gestelde klap niet op de bewuste gang was. Na dit gesprek heeft het locatiehoofd meegedeeld dat zij nader onderzoek ging doen. [werknemer] is per direct vrijgesteld van werkzaamheden.
Op 1 september 2025 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen het locatiehoofd met [werknemer] , nu in aanwezigheid van de toenmalige HR business partner die een verslag maakte van dit gesprek. In dit gesprek is [werknemer] op staande voet ontslagen. In de schriftelijke bevestiging daarvan van 3 september 2025, waarbij het verslag is gevoegd van de gesprekken op 31 augustus en 1 september 2025, staat dat [werknemer] is ontslagen
“omdat je liegt en niet de waarheid spreekt. Getuigen hebben gezien dat jij op zaterdag 30 augustus jl. een bewoner A [door het hof aangeduid als X] een klap hebt gegeven. Jij ontkent dat en beweert dat je op dat je op dat moment helemaal niet in de corridor geweest bent en dat je heel ergens anders was. Twee collega's bevestigen dat zij jou in de corridor en in de buurt van de corridor hebben gezien. Het feit dat je liegt, en niet je verantwoordelijkheid neemt en zelfs probeert de schuld bij anderen te leggen, maakt jou onbetrouwbaar.
Ook jouw ontkenning dat je afgelopen dinsdag geen opdracht hebt geweigerd terwijl dat
wel degelijk zo was toont aan dat je liegt.”
Die gedragingen zijn ieder afzonderlijk maar ook in onderling verband de dringende reden voor het ontslag op staande voet, aldus de brief.
In het bijgevoegde verslag staat dat [werknemer] in het gesprek op 1 september 2025 blijft bij zijn ontkenning dat hij X die zaterdag heeft gezien en dat hij langs X over de gang heeft gelopen en hem een klap heeft gegeven.
Na de beslissing van de kantonrechter heeft [werknemer] een ‘bijstandsuitkering’ gekregen. Met ingang van 7 september 2026 kan hij op een nieuwe stageplaats aan de slag in het kader van zijn opleiding.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft van Treant een te late (niet onverwijlde) melding gekregen van geweld in de zorgrelatie. Na rapportage van Treant heeft de IGJ op 30 april 2026 meegedeeld het onderzoek te sluiten, geen boete op te leggen en een suggestie gedaan voor betere borging en aanpassing van het sanctiebeleid.
De IGJ heeft [werknemer] op 11 mei 2026 bericht dat op basis van de melding van Treant en de reactie van [werknemer] van 8 april 2026 sprake is van tegenstrijdigheden over wat er gebeurd zou zijn. De inspectie kan daarom niet vaststellen of uitsluiten dat [werknemer] een bewoner een klap heeft gegeven, ziet op dit moment geen risico, neemt geen handhavende maatregelen en sluit de melding.
de reden voor ontslag is slaan van een bewoner en daarover liegen
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat [werknemer] is ontslagen wegens het slaan van een bewoner en het daarover liegen, én voor zijn weigering een opdracht uit te voeren. Volgens [werknemer] is in de brief waarmee het ontslag werd bevestigd het slaan van een bewoner niet als dringende reden genoemd en mag dit dus ook niet in de oordeelsvorming worden betrokken.
Hoewel de bewoordingen van bevestigingsbrief de suggestie kunnen wekken dat Treant het liegen over de klap ernstiger vindt dan de klap zelf, heeft [werknemer] van het begin af aan begrepen dat hij zich had te verantwoorden voor de klap. Daarover werd hij bevraagd op 31 augustus en nogmaals op 1 september 2025, waarna hij is ontslagen. Dat [werknemer] heeft begrepen dat dit ook vanwege de klap was, blijkt uit de protestbrief van zijn advocaat. Dat was de eerste reactie van [werknemer] op het ontslag. Ook zijn verzoekschrift gaat in de nummers 7 en 23 uit van de klap als reden voor ontslag.
Het hof concludeert dat het [werknemer] duidelijk was waarom hij werd ontslagen. Aan de mededelingseis is voldaan.
slaan en liegen als redenen voor ontslag zijn onverwijld meegedeeld, ontslag was snel genoeg
[werknemer] vindt dat van een onverwijld gegeven ontslag en onverwijlde mededeling geen sprake is. Voor zover het gaat om het slaan en liegen daarover oordeelt het hof dat de werkgever voldoende snel heeft gehandeld doordat het locatiehoofd, dat bevoegd is om ontslag te verlenen, meteen de dag die volgde op de melding in de avond ervoor [werknemer] heeft gesproken en verder onderzoek heeft gedaan, waarna [werknemer] een dag later met de bevindingen werd geconfronteerd, daarover werd gehoord en vervolgens werd ontslagen.
Het hof komt onder 3.28 terug op de andere reden die aan het ontslag ten grondslag is gelegd.
slaan en liegen staan voldoende vast en vormen dringende reden voor ontslag
[werknemer] erkent dat het slaan van een bewoner ontslag op staande voet rechtvaardigt, maar hij betwist X te hebben geslagen. Hij vindt dat het daarvoor aangedragen bewijs onjuist is gewaardeerd en verwijst naar zijn geloofsovertuiging. Ook had de kantonrechter een bewijsopdracht moeten geven.
Volgens [werknemer] is hij omstreeks 18:15 uur niet op de bewuste gang geweest en heeft hij X die dag niet gezien. Hij werkte ook niet met X want die wordt onrustig van mannen. Hij vermoedt dat sprake is van een persoonsverwisseling met zijn vrouwelijke collega [medewerker3] . Hij is wel met de bewoner die rookt van afdeling A en een andere bewoner naar beneden en naar buiten gegaan.
De kantonrechter had geen waarde mogen toekennen aan de anonieme verklaringen van Y.
Wel wijst hij erop dat in de laatste verklaring van Y staat dat zij zag dat een vrouwelijke collega X aansprak. Daaruit blijkt dat er meerdere personen op de gang rondliepen toen X daar onrustig was.
De kantonrechter had er ook rekening mee moeten houden dat sommige verklaringen pas in november 2025 zijn opgesteld. Bovendien zet [werknemer] vraagtekens bij de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen, gelet op lay-out en taalgebruik, en wijst hij op de afhankelijkheidsrelatie tussen werknemers en de werkgever. Niet kan worden geverifieerd of de e-mail, bedoeld aan het slot van 3.5, werkelijk van de dochter van [bezoekster] is of van [bezoekster] zelf.
[werknemer] vindt het ook onjuist dat de kantonrechter informatie heeft meegewogen over gebruik van zijn personeelspas om 18:24 voor toegang tot de herenkleedkamer op de begane grond, omdat dit pas op de zitting bij de kantonrechter naar voren kwam en hij daarop niet adequaat kon reageren.
Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van [bezoekster] en de bevestiging van haar dochter, bezoekers die toevallig aanwezig waren op het moment dat X de aandacht trok. [bezoekster] heeft gezien dat een mannelijke medewerker X heeft geslagen en daarna doorliep. Zij heeft ook het gegrom van X gehoord, terwijl haar dochter zowel de klap als het gegrom heeft gehoord en daaraan voorafgaand een mannelijke verpleger en X op de gang had gezien, waar toen geen andere mensen aanwezig waren. [bezoekster] heeft uitgeroepen dat ‘hij slaat!’ en dat was voor Y, die op weg terug naar haar werkplek was, reden zich weer om te draaien. Zij zag dat [bezoekster] en haar dochter onthutst waren en heeft aangehoord wat zij vertelden over wat zij gezien en/of gehoord hadden.
Kort daarna hebben [bezoekster] en haar dochter [werknemer] naar buiten zien lopen en hij is, in aanwezigheid van Y, aangewezen als de persoon die X geslagen heeft.
Het hof kan zich voorstellen dat [werknemer] moeite heeft met anonieme verklaringen. Het hof heeft echter geen reden om te twijfelen aan het bestaan van Y, die immers door de dochter van [bezoekster] werd gewaarschuwd voor mogelijk gevaar voor X en in de buurt van de familie was ten tijde van het incident. De verklaring van Y over wat zij van de familie hoorde over dat incident wordt ondersteund door [werknemer2] , die later die avond met de familie sprak.
Dat het incident met X zich heeft voorgedaan tussen ongeveer 18:00 en en 18:15 uur volgt uit het tijdstip waarop [bezoekster] en haar dochter aankwamen om de moeder van [bezoekster] te bezoeken (ongeveer 18:00 uur) en het tijdstip waarop Y na het incident probeerde [werknemer2] te bellen. Dat tijdstip heeft zij op verzoek van het locatiehoofd gecheckt. Ook omstreeks 18:15 uur zag [werknemer2] de zich anders gedragende X op afdeling A zag rondlopen, zoals zij heeft verklaard. [werknemer2] heeft ook bevestigd dat zij daarna de boodschap van haar collega [werknemer1] doorkreeg om Y terug te bellen. Na het contact met Y heeft [werknemer2] zelf met [bezoekster] en haar dochter gesproken over wat zij gezien en gehoord hadden.
[werknemer] ontkent dat hij degene is die X heeft geslagen en ook dat hij op dat moment op de gang aanwezig was. Tegenover de kantonrechter verklaarde hij dat hij op dat moment aan het pauzeren was tot 18:30 uur met zijn (vrouwelijke) collega [medewerker3] . Hij plaatst het tijdstip waarop hij de roker(s) ging halen om met hen naar te gaan op 19:00 uur of 19:05. Daartoe moest hij over de bewuste gang lopen.
De verklaring van [werknemer] over wat hij deed en waar hij was omstreeks 18:15 klopt niet met de tijdlijn die volgt uit de verklaringen van de familie [bezoekster] , Y en [werknemer2] . Daarnaast hebben Y en [werknemer2] allebei verklaard dat zij [werknemer] op de gang in de richting van X zagen lopen terwijl X daar lawaai maakte. Zij gingen er allebei van uit dat [werknemer] X ging helpen.
Dat sprake zou zijn van een persoonsverwisseling is bijzonder onaannemelijk, omdat [werknemer] de enige mannelijke medewerker die avond was en herkenbaar was aan het jasje van Treant. Bovendien heeft hij niet betwist dat hij de roker van afdeling A heeft opgehaald, waartoe hij over de gang moest, en daarna met twee bewoners naar buiten is gegaan.
Hier komt nog bij dat de verklaring van [werknemer] zelf niet spoort met het tijdstip waarop zijn toegangspas werd gebruikt voor toegang tot de herenkleedkamer op de begane grond. Daarover heeft hij ook een bijzonder onaannemelijke verklaring gegeven, te weten dat [medewerker3] zijn pas had geleend, maar [werknemer] heeft niet kunnen toelichten wat zij in de herenkleedkamer te zoeken had. Evenmin is toegelicht hoe [werknemer] zonder pas weer het gebouw in kon komen nadat hij de bewoners naar buiten had gebracht om te roken.
Het hof kan zich voorstellen dat [werknemer] zich overvallen heeft gevoeld met de gegevens over zijn pas waarover hij pas op de zitting bij de kantonrechter hoorde, maar ook in hoger beroep heeft hij geen plausibele verklaring hierover kunnen geven.
[werknemer] wijst nog op een vrouwelijke collega die ook door Y op de gang was gezien terwijl X daar stond, maar dat komt overeen met de verklaring van [werknemer2] die daar was maar wegging toen zij [werknemer] aan zag komen en werpt geen ander licht op wat in de vorige overweging staat.
De advocaat die Treant in de kantonprocedure bijstond heeft aan de kantonrechter uitgelegd hoe de verklaringen tot stand zijn gekomen die in november 2025 op schrift zijn gesteld. Dat gaf de kantonrechter en geeft ook het hof geen reden om aan de betrouwbaarheid van de inhoud te twijfelen. Voor zover [werknemer] erover klaagt dat die verklaringen niet beschikbaar waren ten tijde van het ontslag, overweegt het hof dat de werkgever bij bewijslevering van de dringende reden niet is beperkt tot bewijs waarover hij al bij het geven van ontslag beschikte. Dat bewijs kan ook later geleverd worden wanneer de werknemer in een procedure de dringende reden betwist.
[werknemer] heeft nog aangevoerd dat hij de vraag die het locatiehoofd hem op 31 augustus 2025 stelde over zijn aanwezigheid op de gang heeft opgevat in die zin, dat het ging om het moment waarop X een klap van iemand zou hebben gekregen. Hij heeft dus niet willen stellen dat hij de hele dienst niet op die gang is geweest.
Maar ook als het hof daarmee in het voordeel van [werknemer] rekening houdt, blijft staan [werknemer] tijdens dit gesprek en de het gesprek op 1 september 2025 (zie 3.8 en 3.9) heeft ontkend dat hij op de bewuste zaterdagavond in de corridor in de buurt van X is geweest.
Het hof oordeelt dat Treant met wat hiervoor is overwogen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [werknemer] op de gang wel X heeft aangetroffen, X heeft geslagen en daarover, en over waar hij was, heeft gelogen. Het hof heeft daarbij met name gelet op de feiten over de tijdlijn waarin het gebeuren zich heeft afgespeeld en de geloofwaardigheid van de door Treant overgelegde verklaringen. De daartegen ingebrachte bezwaren van [werknemer] ontkrachten die verklaringen niet. Sterker: [werknemer] heeft standpunten ingenomen die ongeloofwaardig zijn toegelicht en niet gestaafd worden door feiten. Aan de beslissing van de inspectie over het gedrag van [werknemer] kent het hof geen betekenis toe voor de vragen die aan het hof zijn voorgelegd. [werknemer] heeft zijn brief aan de inspectie van 8 april 2026, die Treant zegt niet te kennen, ook niet in deze procedure ingebracht, zodat Treant daarop niet heeft kunnen reageren.
Het gebeuren levert een dringende reden op voor ontslag op staande voet en tussen partijen is ook niet in geschil dat het slaan van een bewoner daarvoor al genoeg is.
De persoonlijke gevolgen die het ontslag voor [werknemer] heeft, staan niet aan de kwalificatie van een dringende reden in de weg. Dat [werknemer] (tot voor kort, nu hij elders stage kan gaan lopen) niet verder kon met zijn opleiding en daarmee een levensvervulling doorkruist zag, is het gevolg van een incident als het onderhavige, in ieder geval wanneer daarvoor door een leerling niet de verantwoordelijkheid wordt genomen, geen uitleg over de achterliggende omstandigheden wordt gegeven en over de gang van zaken wordt gelogen.
Voor het eerst in hoger beroep is door [werknemer] nog een ander belang aangevoerd. De familie van X heeft bij de politie aangifte gedaan van de door [werknemer] gegeven klap en [werknemer] vreest voor de gevolgen die dat kan hebben voor zijn naturalisatieprocedure.
Het hof begrijpt deze zorg, maar dit is een persoonlijke omstandigheid die helemaal in de privésfeer van [werknemer] ligt en niet arbeidsgerelateerd is. De aangifte is het gevolg van de klap, niet van de arbeidsrechtelijke sanctie op de klap. Alleen al om die reden komt daaraan niet zoveel gewicht toe dat het in de weg staat aan de rechtsgeldigheid van het ontslag.
inhoudelijke bespreking van de tweede ontslaggrond kan achterwege blijven
Omdat de eerste ontslaggrond al voldoende is, kan bespreking van de tweede achterwege blijven. Het hof merkt nog wel op dat het bij die grond, zoals weergegeven in de ontslagbrief, niet gaat om het weigeren van een opdracht een paar dagen daarvoor (wat tot vragen leidde in verband met de onverwijldheid van het ontslag) maar om het gestelde liegen daarover, volgens het gespreksverslag van 31 augustus 2025 op die dag. Ontslag om die reden zou dan wel tijdig zijn, maar dát [werknemer] een opdracht heeft geweigerd, heeft hij betwist en zou dus nog onderzocht moeten worden als de eerste grond voor ontslag niet al voldoende was.
het hof passeert het bewijsaanbod van [werknemer]
[werknemer] heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel moeten leiden over de rechtsgeldigheid van het ontslag. Het gaat hem om de bewijswaardering, specifiek om de geloofwaardigheid. Daarover heeft het hof zich hiervoor al uitgelaten.
geen grond voor vergoedingen
Omdat het ontslag op staande voet terecht gegeven is, is er geen grond voor een vergoeding voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn of een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door Treant.
Voor een transitievergoeding kan ook bij ontslag op staande voet plaats zijn wanneer ernstige verwijtbaarheid van de werknemer ontbreekt. Het hof is echter van oordeel dat [werknemer] wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Zijn verzoeken worden dus afgewezen. Bespreking van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van Treant kan ook achterwege blijven.
de conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [werknemer] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof hem veroordelen tot betaling van de proceskosten van Treant bij het hof.
De procesveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
verwerpt het hoger beroep tegen de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 16 januari 2026;
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de volgende proceskosten van Treant:
€ 851,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Treant (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, O.E. Mulder en A. Elgersma, en is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.