[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment verblijvende in P.I. [instelling] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat
in de zaak met parketnummer 08-047296-23 (onderzoek Bruno) onder 1 en 2;
in de zaak met parketnummer 08-112445-23 (onderzoek Ghana/Egypte) onder 1 en 3;
in de zaak met parketnummer 08-068125-23 (Limburgs onderzoek) onder 1 en 2;
- verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd.
De omvang van het hoger beroep
Verdachte is door de rechtbank Overijssel vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 08-112445-23 onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Tegen een beslissing tot vrijspraak staat voor de verdachte geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.
Het vonnis
Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest voor het tenlastegelegde
Het hof komt in dit arrest tot andere beslissingen over het bewijs en over de op te leggen straf dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 08-047296-23 (onderzoek Bruno):1.hij op of omstreeks 22 december 2016 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning aan de [adres] , door een (op scherp staande) handgranaat, in elk geval een explosief, in de hal van die woning, in elk geval in die woning te gooien, waarbij/waarna die handgranaat/dat explosief tot ontploffing is gekomen, en daarvan gemeen gevaar voor
- ( delen van) die woning en/of (delen van) (een) omliggende woning(en)/pand(en) en/of voor de in die woning en/of in die/dat omliggende woning(en)/pand(en) aanwezige goederen en/of voor in de omgeving van die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar voor de in die woning aanwezige perso(o)n(en) en/of voor in (een) omliggende wonig(en)/pand(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor de in de omgeving van de woning aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige perso(o)n(en), en/of voor in (een) omliggende wonig(en)/pand(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor de in de omgeving van de woning aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2.hij op of omstreeks 22 december 2016 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten scherfhandgranaat (type M75P3), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.
Zaak met parketnummer 08-112445-23 (onderzoek Ghana/Egypte):1.hij in of omstreeks de periode 3 juli 2017 tot en met 5 juli 2017, te [plaats2] en/of [plaats] en/of te [plaats3] , in elk geval in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of zware mishandeling met voorbedachte rade op/van [slachtoffer] en/of [slachtoffer2] en/of een of meer andere personen aanwezig in café [naam] , althans op een of meer (andere) aan [motorclub1] en/of [motorclub2] gelieerde personen, en/of opzettelijke vernieling van gebouwen, te weten café [naam] gevestigd aan de [adres2] te [plaats] , althans een of meer woningen van aan [motorclub1] en/of [motorclub2] gelieerde personen en/of (andere) gebouwen gelieerd aan [motorclub1] en/of [motorclub2] , terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was (art. 170 Wetboek van Strafrecht), welk misdrijf zou worden begaan door op enig moment een of meer van die (genoemde) personen en/of gebouwen met een scherp (automatisch) vuurwapen te beschieten,
- opzettelijk een scherp vuurwapen (machinegeweer AK 47) en/of een grote hoeveelheid bijbehorende scherpe munitie en/of
- een (crypto)telefoon, met daarin (via IronChat) afgeschermde/versleutelde communicatie inhoudende (onder meer) (een) van mededader(s) afkomstige opdracht(en)/verzoek(en) tot het laten uitvoeren van (een) beschieting(en) en/of het in contact treden met (een) (andere) mededader(s), teneinde de vindplaats van (een) wapen(s) en/of (een) adres(sen) van doelwit(ten) te achterhalen en/of deze opdracht(en) en/of informatie te verstrekken aan degene(n) die het/de wapen(s) zou moeten ophalen en/of die de beschieting(en)zou (moeten) uitvoeren,
welke voorwerpen bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
3.hij in of omstreeks de periode 1 april 2017 tot en met 26 oktober 2018, te [plaats2] en/of [plaats] en/of [plaats3] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) (scherp(e)) vuurwapen(s) van categorie II en/of III en/of munitie van categorie III voorhanden heeft gehad, waaronder -een vuurwapen van het merk Crvena Zastava, Model 70 en/of 7, althans een of meer kogelpatronen van het kaliber 9x19mm en/of -een vuurwapen/machinepistool van het merk CZ type Scorpion en/of 23, althans een of meer kogelpatronen.
Zaak met parketnummer 08-068125-23 (Limburgs onderzoek):1.hij op of omstreeks 6 november 2021 te [plaats4] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk (een grote hoeveelheid) sigaretten en/of shag (met een waarde van ongeveer 14.500 euro) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 1072,65 euro, in elk geval enig goed en/of enig geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [naam1] (gevestigd aan de [adres3] te [plaats4] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) en/of welk geldbedrag verdachte en/of zijn mededader(s), uit hoofde van persoonlijke dienstbetrekking, te weten medewerker verkoop (van/in servicestation [naam1] ), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had/hadden, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;
2.hij op of omstreeks 30 juni 2022 te [plaats5] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een (groot) geldbedrag van (ongeveer) 28.415 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [naam2] (gevestigd aan de [adres4] te [plaats5] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van persoonlijke dienstbetrekking, te weten medewerker van/in voornoemde vestiging van [naam2] , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
In de periode van 22 december 2016 tot en met 11 november 2017 vond een reeks ernstige misdrijven plaats in de regio [regio] . Uit het dossier kan worden opgemaakt dat dit te maken had met de strijd tussen twee groepen. Het hof noemt deze groepen in het navolgende de groep rondom [naam5] (hierna: [naam5] )/ [motorclub1] en de groep rondom [naam6] (hierna: [naam6] ) en [naam7] (hierna: [naam7] ). Het onderzoek van de politie resulteerde in de aanhouding en veroordeling van meerdere personen. Dit arrest bevat een oordeel over de strafbare feiten die verdachte in verband met deze strijd verweten worden, te weten in de eerste plaats betrokkenheid bij het gooien van een handgranaat in een woning op 22 december 2016 alsmede het voorhanden hebben van een handgranaat (onderzoek Bruno) en in de tweede plaats voorbereidingshandelingen voor een aanslag op een café en/of aan een motorclub gelieerde personen en vuurwapenbezit (onderzoek Ghana/Egypte) in de periode van 3 tot en met 5 juli 2017. Daarnaast bevat het een oordeel over strafbare feiten die verdachte in Limburg gepleegd zou hebben in 2021 en 2022.
Zaak met parketnummer 08-047296-23 (onderzoek Bruno)
Verdachte wordt onder feiten 1 en 2 kortgezegd verweten dat hij een handgranaat voorhanden heeft gehad en dat hij daarmee opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning.
De vaststelling van relevante feiten en omstandigheden
- De aanslag op de woning aan de [adres] in [plaats]
Op 22 december 2016 is omstreeks 1:15 uur een handgranaat door de ruit van de voordeur van de woning aan de [adres] in [plaats] gegooid en tot ontploffing gebracht. In de woning waren op dat moment (in elk geval) drie personen aanwezig. Eén van hen, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), heeft ter plekke aan de politie verteld dat hij op beelden van de aanwezige camera’s rondom de woning heeft gezien ‘dat het om twee mannen ging.’ Het hof stelt op grond daarvan vast dat er tenminste twee personen betrokken waren bij het gooien en tot ontploffing brengen van de handgranaat.
- Forensisch onderzoek
Diezelfde nacht is forensisch onderzoek gedaan in de hal van de woning. De ruiten van de voordeur waren vernield. Op het trottoir buiten en op de vloer van de hal lagen glasscherven en -splinters. Aan het eind van de hal lag een aantal stukken van een trottoirtegel. In de laminaatvloer van de hal zat een gat van ongeveer 15 bij 15 centimeter. In de hal zaten oppervlakkige beschadigingen/perforaties in de muren, plafondplaten van het systeemplafond en in de deuren. Ook de convectieradiator in de hal had meerdere rondvormige perforaties en beschadigingen. Een aantal perforaties was rond van vorm met een diameter van ongeveer twee millimeter. Aan de hand van deze oppervlakkige beschadigingen en perforaties kwamen de forensisch onderzoekers tot de conclusie dat een handgranaat gevuld met kleine metalen kogeltjes in de hal tot ontploffing was gekomen.
Buiten op ongeveer 50 centimeter voor de voordeur van de [adres] werd een beugel van een handgranaat op de grond aangetroffen. Op de oprit voor de woning stond een voertuig geparkeerd en rechts voor dit voertuig werd een pin met een ring aangetroffen. Deze onderdelen van de handgranaat zijn overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) voor onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek. Uit de bemonstering van de gehele beugel is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen. Het DNA-profiel van verdachte is daarmee vergeleken en komt overeen met dit DNA-mengprofiel. Het aantreffen van dit DNA-mengprofiel is meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Het hof concludeert hieruit dat verdachte donor is van een deel van het celmateriaal op de beugel van de handgranaat. Dit is door of namens verdachte overigens ook niet betwist.
- Gevaarzetting
Het NFI heeft explosievenonderzoek gedaan naar aanleiding van de ontploffing van de handgranaat op 22 december 2016. Uit dat onderzoek komt onder meer naar voren dat op de plek waar de handgranaat in de hal van de woning is ontploft, de laminaatvloerdelen gedeeltelijk zijn vergruisd. Ook zijn er sporen van hittewerking en een zwarte aanslag zichtbaar. De glazen ruiten van de voordeur zijn gesneuveld. Tot helemaal achterin de hal zijn in beide zijmuren inslagen te zien. Ook in het door de ontploffing beschadigd geraakte plafond van de hal zijn meerdere inslagen te zien. Door de onderzoeker van het NFI wordt geconcludeerd dat een aantal (onderdelen) van de onderzoeksmaterialen passen bij de restanten die te verwachten zijn na de ontploffing van een scherfhandgranaat. Het schadebeeld aan de hal van de woning, zoals hiervoor weergegeven, past bij het schadebeeld dat te verwachten is wanneer een scherfhandgranaat van het type M75P3 (of een daarvan afgeleid model) in de hal tot ontploffing komt. Enkele seconden na het activeren van het ontstekingsmechanisme, zal de ontsteker de springstoflading tot ontploffing brengen. Hierbij treden hitte, brisantie (de alles vernietigende uitwerking van een springstof op zijn directe omgeving), een schokgolf en scherfwerking van de circa 2500 metalen kogeltjes en de kunststoffen buitenmantel op. Hierbij ontstaat, naast materiële schade, gevaar voor dodelijk letsel voor personen tot op een afstand in de orde van grootte van enkele meters (dus voor personen die zich ten tijde van de ontploffing in de hal bevinden) en gevaar voor ernstig lichamelijk letsel (irreversibele verwondingen, zoals doofheid en blindheid of verwondingen die zonder hulp leiden tot ernstige gevolgen) tot zeer ernstig lichamelijk letsel (blijvende verminkingen, die zonder hulp kunnen leiden tot de dood) tot op een afstand in de orde van grootte van tientallen meters.
Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat ten tijde van de ontploffing drie personen in de woning aanwezig waren. Gelet op de aard van het gebruikte middel, een scherfhandgranaat, moet het naar algemene ervaringsregels voor de daders voorzienbaar zijn geweest dat door hun handelen – het tot ontploffing brengen van die handgranaat in de hal van een tussenwoning – levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige personen te duchten was en dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen, te weten gemeen gevaar voor delen van de woning en de in die woning aanwezige goederen te duchten was. Het is algemeen bekend dat een (scherf)handgranaat een verwoestende kracht en werking heeft als die tot ontploffing wordt gebracht. Het verweer van de verdediging dat geen levensgevaar te duchten was, wordt verworpen.
De betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde
- Aangetroffen DNA op de beugel van de handgranaat
Zoals hiervoor vermeld is het DNA van verdachte aangetroffen op de beugel van de handgranaat. Dit DNA-materiaal van verdachte is op een – voor het teweegbrengen van een ontploffing – cruciaal onderdeel van de handgranaat aangetroffen. Immers, bij het verwijderen van de pin moet de hefboom met de hand op zijn plaats worden gehouden tot het moment dat men de granaat wil werpen. Verdachte heeft over het aantreffen van zijn DNA op de handgranaat verklaard dat dit op de handgranaat terecht moet zijn gekomen toen hij die handgranaat bij een vriend thuis in een lade zag liggen en hij besloot om van zichzelf met die handgranaat in de hand een foto te maken. Verdachte heeft zijn verklaring echter op geen enkele wijze onderbouwd. Hij heeft ter terechtzitting van de rechtbank geen naam van de vriend willen noemen in wiens woning hij die handgranaat vast zou hebben gehad. Ook weet hij het adres niet meer en weet hij niet meer wanneer hij de handgranaat vast zou hebben gehad en hoe die eruit zag. De foto’s die hij ervan zou hebben gemaakt, heeft hij niet kunnen overleggen. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte ook geen nadere, meer gedetailleerde toelichting op zijn verklaring gegeven
Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte voor het aantreffen van zijn DNA-materiaal op de beugel van de handgranaat niet verifieerbaar en (mede daardoor) niet geloofwaardig is. Het hof gaat dan ook voorbij aan de alternatieve lezing van de verdachte.
- De verklaringen van [getuige]
Het dossier bevat meerdere verklaringen die [getuige] in verschillende onderzoeken als getuige heeft afgelegd. Daarnaast bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen van 3 oktober 2017, waarin verbalisanten hebben gerelateerd wat zij van [getuige] hebben vernomen. Ook is [getuige] als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris.
De betrouwbaarheid van de verklaringen
De raadsman heeft, zakelijk weergegeven bepleit dat de verklaringen van [getuige] en de weergave van zijn mededelingen in het proces-verbaal van bevindingen niet onbetrouwbaar zijn maar ook weer niet dusdanig betrouwbaar dat alles uit zijn verklaringen overgenomen zou moeten worden. De raadsman heeft verzocht behoedzaam om te gaan met zijn verklaringen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
In strafzaken geldt als uitgangspunt dat aangiftes en andere verklaringen kritisch en zorgvuldig worden bezien. Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
Het hof is het eens met de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis ten aanzien van de betrouwbaarheid heeft opgenomen, waarbij aanvullingen door het hof niet-cursief worden weergegeven:
Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat hij beschikt over een brede kennissenkring bestaande uit personen die in het dossier voorkomen in verschillende min of meer vaste, maar ook wel van samenstelling of loyaliteit veranderende, groepen. Voorts blijkt uit die verklaringen dat [getuige] op min of meer vriendschappelijke voet stond met personen die een rol spelen in/bij de geweldsincidenten die plaatsvonden in 2016/2017 en te maken hadden met de hiervoor genoemde strijd tussen die groepen. Zo onderhield hij contacten met personen gelieerd aan of deel uitmakend van de groep rondom [naam6] en [naam7] . Daarnaast had hij contact met [naam5] en met een groep personen rondom [naam5] , al dan niet (ook) deel uitmakend van de motorclub [motorclub1] of de daarmee in verband gebrachte club [motorclub2] . De scheidslijnen tussen genoemde groeperingen – zo volgt eveneens uit de verklaringen van [getuige] - zijn diffuus. Het dossier bevat een veelheid aan verklaringen die [getuige] bij de politie, de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris in de periode van 24 april 2017 tot en met 5 april 2022 en op 18 september 2025 over onder meer voornoemde personen heeft afgelegd. Daarnaast heeft hij niet alleen verklaard over de feiten die betrekking hebben op deze zaak, maar ook over andere zaken met andere verdachten.
De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere positie die [getuige] innam, een plausibele reden van wetenschap oplevert en bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de uitvoerige en gedetailleerde verklaringen die hij heeft afgelegd. [getuige] geeft buitengewoon veel feitelijke informatie over uiteenlopende onderwerpen. Opvallend is dat hij daarbij feiten, vermoedens en zijn eigen ideeën over iets, goed uit elkaar lijkt te kunnen houden en pas soms veel later concretere duiding kan geven aan de feitelijke informatie die hij in eerdere verklaringen gegeven heeft, klaarblijkelijk omdat hij – met het verstrijken van de tijd – over (nog) meer informatie beschikt. Zijn antwoorden komen authentiek over. Dat wordt mede ingegeven door de wijze waarop hij antwoordt. Ook het feit dat hij verbalisanten bijvoorbeeld corrigeert in hun vraagstelling, soms antwoordt dat hij geen antwoord heeft op een vraag omdat hij die details niet gehoord heeft en hout snijdende duiding geeft aan gebeurtenissen die verbalisanten benoemen draagt bij aan voornoemde geloofwaardigheid. [getuige] lijkt zich ook zeer bewust van het veiligheidsrisico dat hij loopt door het bij herhaling afleggen van consistent belastende verklaringen over anderen.
Dat er verschillen te constateren zijn in de (vele) verklaringen die deze getuige in de loop der jaren heeft afgelegd is niet onbegrijpelijk. Het hof zal de verklaringen die [getuige] heeft afgelegd enkel gebruiken voor zover deze steun vinden in ander bewijsmateriaal. Die onderdelen van de verklaringen acht het hof betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
De inhoud van de verklaringen
Uit de verklaringen van [getuige] volgt dat verdachte weet had van de aanslag met de handgranaat op de woning van [naam5] aan de [adres] in [plaats] . Op 3 oktober 2017 heeft [getuige] aan verbalisanten verteld heeft dat [bijnaam] uit [plaats2] en [naam8] de handgranaat bij [slachtoffer] hebben gegooid. In een latere verklaring bij de rechter-commissaris geeft hij verdere invulling aan wie [naam8] is. Hij verklaart dan dat [naam8] de broer van [naam9] is en dat hij [naam8] kent, omdat ze allebei zijn opgegroeid in [plaats2] . Verder verklaart hij dat [naam8] te maken had met de handgranaat die in [naam5] huis is ‘gegaan’ en dat [naam8] een loopjongen was van [naam6] (het hof begrijpt uit het dossier: [naam6]), maar dat ze later ruzie kregen en dat [naam6] de opdracht heeft gegeven om de woning van de moeder van [naam9] en [naam8] in brand te steken.
Het hof stelt op grond hiervan vast dat verdachte [naam8] is dan wel wordt genoemd. Verdachte is inderdaad de broer van [naam9] en er heeft op 11 november 2017 een brandaanslag plaatsgevonden aan de [adres5] in [plaats2] , zijnde de woning van de ouders van verdachte.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook zelf bevestigd dat hij [naam8] werd genoemd en dat er een aanslag is gepleegd op de woning van zijn moeder.
Daar waar [getuige] of een ander in dit dossier dan ook spreekt over [naam8] stelt het hof vast dat daarmee verdachte bedoeld wordt.
Deze verklaringen van [getuige] vinden steun in wat hierboven is overwogen met betrekking tot het aantreffen van het DNA van verdachte op de handgranaat en in wat hieronder volgt.
- Een chatgesprek tussen ‘BM’ en ‘gf’
Uit het dossier volgt dat [naam10] de telefoon van verdachte onder ogen heeft gekregen, nadat die telefoon verdachte afhandig was gemaakt op 4 juli 2017. Een dag later heeft [naam10] daarin een chatgesprek gelezen tussen ‘BM’ en ‘gf’ en daarvan foto’s gemaakt. Die foto’s heeft hij vervolgens aan de politie overhandigd. De politie relateert dat met ‘gf’, [naam6] , die de bijnaam ‘ [bijnaam1] ’ heeft, bedoeld wordt.
Door de verdediging is betwist dat verdachte dit chatgesprek heeft gevoerd en is aangevoerd dat de authenticiteit van de chatgesprekken niet kan worden vastgesteld.
Naar aanleiding van deze chatconversatie is door de politie onderzoek gedaan naar onder andere de uitlatingen van de eigenaar van de telefoon (BM in de chatconversatie) dat hij ‘overmorgen naar cura gaat.’ Het vermoeden bestond dat daarmee Curaçao bedoeld werd. Uit informatie verkregen van de immigratiedienst op Curaçao kwam naar voren dat verdachte op 6 juli 2017 op Curaçao is aangekomen en het eiland op 8 augustus 2017 weer heeft verlaten. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat deze reis niet alleen een vakantie, maar deels ook een vlucht uit het criminele circuit betrof en dat hij kort na zijn terugkeer uit Curaçao naar Marokko is gegaan om afstand te nemen.
Gelet op deze concreet verifieerbare informatie, die leidt naar verdachte, in combinatie met het feit dat zijn telefoon met geweld afhandig is gemaakt, en dat de politie toen - naar aanleiding van een melding over een vechtpartij – met verdachte heeft gesproken, die toen verklaarde dat zijn Iphone was afgepakt door hem onbekende personen maar dat hij geen aangifte wilde doen, is het hof van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat het door [naam10] aangeleverde chatgesprek niet authentiek is.
Daar komt bij dat door verdachte in het chatgesprek wordt gezegd ‘ze denke ik ben [naam11] ’, terwijl op 29 november 2017 door [naam12] (hierna: [naam12] ) op het politiebureau in [plaats3] melding werd gemaakt van het feit dat hij door ene ‘ [naam11] ’ gedwongen was om een Volkswagen [type2] op naam te zetten. Deze ‘ [naam11] ’ zou in een Mercedes [type] , met het kenteken [kenteken] , rijden. Uit de politiesystemen blijkt dat verdachte in deze auto rijdt. Op 9 juli 2018 is [naam12] in het onderzoek Metaal nader door de politie gehoord. Tijdens dat verhoor noemt [naam12] de eerder door hem beschreven ‘ [naam11] ’ echter ‘ [naam13] ’. Door de politie wordt [naam12] een foto getoond van verdachte. Die herkent hij als de man die hij in zijn verklaring omschrijft als ‘ [naam13] .’ Door de verdediging is aangevoerd dat de bewoordingen ‘ze denke ik ben [naam11] ’ juist een aanwijzing vormen dat verdachte dit niet is geweest. Het hof is het daar niet mee eens, omdat de bewoordingen ook anders kunnen worden begrepen, bijvoorbeeld dat verdachte daarmee bedoeld heeft dat men zijn ware identiteit niet kent.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte een van de deelnemers aan het gesprek is geweest.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn relevante passages van het chatgesprek aan verdachte voorgehouden. Op de vraag of de woorden “appel torrie” kunnen worden geïnterpreteerd als iets doen met een granaat heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat het hof dat goed ziet. Aan verdachte is voorgehouden dat ‘gf’ in het chatgesprek zegt: “Toen stuurde ik jou en [naam14] en [naam15] .” Verdachte heeft hierop geen inhoudelijke verklaring gegeven. Het hof heeft verdachte voorgehouden dat deze passage erop lijkt te wijzen dat verdachte door ‘gf’ ergens naar toe is gestuurd en dat in de weergave van het chatgesprek een relatie zou kunnen worden gelegd met ‘appel torrie.’ Verdachte heeft desgevraagd geen andere interpretatie van het gesprek gegeven. In samenhang met de andere bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat zowel de opmerkingen van verdachte ‘ [getuige] zit jou naam te roepe. Bro (…) [naam6] heeft die appel torie gedaan’ als de opmerkingen van zijn gesprekspartner ‘gf’: ‘Dat is via [naam17] en die weer aan [getuige] . (…) En alleen via hem weten ze, Toen ik stuurde jou en [naam14] en [naam15] , Dus via [getuige] weer bij die club is dat gegaan’ betrekking hebben op het gooien van een handgranaat in de woning op 22 december 2016. .
- Een aangetroffen USB-stick
Op 6 november 2018 is een beveiligde USB-stick in beslag genomen onder [naam18] (hierna: [naam18] ). [naam18] was een werknemer van [bedrijfsnaam] in [plaats] , een bedrijf van [naam7] . Deze USB-stick is door de politie onderzocht. Hieruit komt naar voren dat de USB-stick een aantal bestanden bevat die duiden op leiderschap van [naam6] en [naam7] . Op het tabblad ‘MM Bonus’ uit het bestand ‘Draaien.ODS’ is onder andere een rood vak opgenomen waarop staat ‘GF’ en ‘IK’. Onder ‘IK’ staat onder meer opgenomen ‘2400 granaat [naam15] ’. Op het tabblad ‘ [naam19] ’, eveneens uit het bestand ‘Draaien.ODS’, is onder andere het volgende opgenomen:
[naam14] [naam8]
appel gooien 4500 2250 2250 naar [naam19]
De raadsman heeft bepleit dat hieruit geen betrokkenheid van verdachte kan worden afgeleid bij het gooien van de handgranaat op de [adres] . Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat ‘appel gooien’ betrekking heeft op het werpen van een granaat en dat met ‘ [naam8] ’ verdachte bedoeld wordt. Aan de verdediging kan worden toegegeven dat in het bestand geen datum is genoemd en dat er geen expliciete koppeling wordt gemaakt met een specifieke gebeurtenis. Dat doet er echter niet aan af dat verdachte in dit bestand in verband wordt gebracht met het gooien van een granaat en met kennelijk een geldbedrag dat daartegenover staat.
Slotsom
Het hof heeft in het voorgaande de bewijsmiddelen en de daarover gevoerde verweren afzonderlijk besproken. Het op de beugel van de handgranaat aangetroffen DNA-materiaal vormt naar het oordeel van het hof een objectief bewijsmiddel dat sterk in de richting wijst van betrokkenheid van verdachte bij het tot ontploffing brengen daarvan. Op de aangetroffen USB-stick is voor die betrokkenheid steun te vinden, nu verdachte daarop in verband wordt gebracht met het gooien van een granaat. Dat verdachte daartoe door een ander gestuurd is, volgt uit een chatgesprek dat verdachte met [naam6] heeft gevoerd en ten slotte wijst getuige [getuige] verdachte aan als degene die de granaat samen met ‘ [bijnaam] ’ heeft gegooid. Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander op 22 december 2016 in de woning aan de [adres] in [plaats] met een handgranaat een ontploffing teweeg heeft gebracht en daarmee een scherfhandgranaat voorhanden heeft gehad, zoals hem onder feiten 1 en 2 is tenlastegelegd.
Zaak met parketnummer 08-112445-23 (onderzoek Ghana/Egypte)
Met betrekking tot feit 1
Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij tezamen en in vereniging met anderen – kortgezegd - een aanslag heeft voorbereid op aan [motorclub1] / [motorclub2] gelieerde personen en/of gebouwen, door een AK-47 en munitie en een (crypto)telefoon voorhanden te hebben, terwijl die goederen bestemd waren tot het begaan van die aanslag.
Het hof stelt voorop dat voor voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk misdrijf de in die bepaling omschreven voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen waren gericht en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht (vgl. HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1258 en HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9030). Hierbij hoeft het weliswaar nog niet te gaan om een naar tijd en plaats gespecificeerd misdrijf, maar moet wel sprake zijn van een min of meer concreet strafbaar feit.
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat medeverdachte [naam15] in de nacht van 5 juli 2017 net over de Duitse grens is aangehouden en dat hij toen een AK-47 met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. Over de vraag waartoe [naam15] dit wapen met munitie voorhanden had, zijn verschillende verklaringen afgelegd. Zo heeft getuige [getuige] verklaard dat [naam15] onderweg was met een AK-47 om te schieten op café [naam] , maar dat hij niet wist of het daarbij ging om een aanslag op het leven van [slachtoffer] of dat van iemand anders, of dat het zou gaan om een waarschuwing waarbij enkel op het pand zelf geschoten moest worden. Getuige [naam10] heeft daarentegen verklaard dat [naam15] op weg was naar hem, [naam10] , en dat het daarbij om vergelding van een eerder incident zou gaan.
De advocaat-generaal ziet voor deze lezing van [naam10] steun in een chatgesprek dat een dag eerder, vanaf 3 juli 2017 tussen [naam6] en verdachte is gevoerd en waaruit, in de visie van het Openbaar Ministerie, blijkt van een voornemen om de gebroeders [naam10] aan te vallen.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld welk misdadig doel [naam15] met het voorhanden hebben van een AK-47 met bijbehorende munitie voor ogen had. De verklaringen van verschillende getuigen lopen daaromtrent uiteen. Het hof ziet in voornoemd chatgesprek tussen [naam6] en verdachte onvoldoende steun om daaruit af te leiden dat [naam15] de AK-47 met een duidelijke bestemming voorhanden had. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het dossier niet blijkt dat [naam15] op de hoogte is geraakt van het chatgesprek tussen verdachte en [naam6] , nu niet is gebleken van onderling contact tussen verdachte en/of [naam6] enerzijds en [naam15] anderzijds in de periode van 3 tot en met 5 juli 2017. Daar komt nog bij dat uit het chatgesprek tussen verdachte en [naam6] naar het oordeel van het hof niet zonder meer blijkt van een actieve rol van verdachte bij strafbare voorbereidingshandelingen. Het hof wijst in dit verband op een verklaring van [naam7] , die het gesprek aldus uitlegt dat verdachte eromheen draait en zich afzijdig wenst te houden.
Het hof komt alles overziend tot de slotsom dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te spreken van een concreet voorbereid misdrijf, nog daargelaten welke rol verdachte daarin zou hebben gespeeld. Het hof zal verdachte daarom van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken.
Met betrekking tot feit 3
Verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij vuurwapens en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
De tenlastelegging heeft betrekking op wapens en munitie die zijn aangetroffen in een witte Volkswagen [type2] met kenteken [kenteken2] , die op 4 juli 2018 door de politie in beslag is genomen.
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat dit voertuig in de periode van 6 februari 2017 tot en met 26 februari 2019 op naam heeft gestaan van [naam12] . Getuige [naam12] heeft hierover verklaard dat hij dit voertuig op zijn naam heeft gezet onder dwang van ene ‘ [naam11] ’ dan wel ‘ [naam13] ’, die hij later op een foto heeft herkend als zijnde verdachte. Getuige [getuige3] heeft bij de politie verklaard dat verdachte eigenaar was van het voertuig en daar ook gebruik van maakte. Ook getuige [naam10] heeft dit voertuig aan verdachte gekoppeld.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 januari 2026 bevestigd dat hij gedurende enige tijd over de Volkswagen [type2] kon beschikken wanneer hij deze nodig had, maar dat dit in die periode ook voor anderen gold en dat de sleutel van het voertuig daarbij telkens fysiek werd overgedragen aan degene die de auto in gebruik nam. Voorafgaand aan zijn reis naar Curaçao in de zomer van 2017 heeft verdachte de auto naar eigen zeggen (voor het laatst) ingeleverd bij een ander.
Het dossier biedt steun voor het beeld dat de Volkswagen [type2] in de tenlastegelegde periode in gebruik is geweest bij meerdere aan [naam6] gelieerde personen, onder wie verdachte.
Op grond van het dossier is echter onvoldoende vast komen te staan dat verdachte in de periode na de zomer van 2017 tot 4 juli 2018 – de datum van de inbeslagname van het voertuig – nog gebruik heeft gemaakt van dit voertuig, terwijl evenmin kan worden vastgesteld op welk moment de vuurwapens en munitie in het voertuig terecht zijn gekomen. Gelet daarop kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat verdachte, in de periode dat hij over het voertuig kon beschikken (één van) deze wapens en/of munitie voorhanden heeft gehad. Het hof zal verdachte daarom van het onder 3 tenlastegelegde vrijspreken.
Zaak met parketnummer 08-068125-23 (Limburgs onderzoek)
Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij op 6 november 2021 sigaretten en shag en/of een geldbedrag heeft verduisterd in dienstbetrekking te [plaats4] . Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij 30 juni 2022 een geldbedrag heeft verduisterd in dienstbetrekking te [plaats5] .
Het hof komt tot een bewezenverklaring van deze feiten op grond van in een eventuele aanvulling op dit arrest op te nemen bewijsmiddelen, waarbij het hof - nu verdachte deze feiten ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde overweegt het hof dat uit het dossier kan worden afgeleid dat een onbekend gebleven persoon in een auto heeft gewacht, terwijl verdachte daarin de van zijn werkgever ontvreemde goederen laadde, waarbij verdachte meerdere keren heen en weer liep tussen zijn werklocatie (het tankstation) en de auto, dat verdachte daarna als bijrijder in die auto is gestapt en dat zij vervolgens samen zijn weggereden. Nu voor het overige uit het onderzoek niets bekend is geworden over de wetenschap die de onbekend gebleven persoon had van de door verdachte gepleegde verduistering, noch over het bestaan van onderlinge afspraken en/of afstemming tussen verdachte en deze persoon, kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met deze persoon heeft gehandeld. Het hof zal daarom, anders dan de rechtbank, verdachte wat betreft dit feit vrijspreken van het onderdeel medeplegen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-047296-23 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-068125-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 08-047296-23 (onderzoek Bruno):
1.hij op of omstreeks 22 december 2016 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning aan de [adres] , door een (op scherp staande) handgranaat, in elk geval een explosief, in de hal van die woning, in elk geval in die woning te gooien, waarbij/waarna die handgranaat/dat explosief tot ontploffing is gekomen, en daarvan gemeen gevaar voor
- ( delen van) die woning en/of (delen van) (een) omliggende woning(en)/pand(en) en/of voor de in die woning en/of in die/dat omliggende woning(en)/pand(en) aanwezige goederen en/of voor in de omgeving van die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar voor de in die woning aanwezige perso(o)n(en) en/of voor in (een) omliggende wonig(en)/pand(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor de in de omgeving van de woning aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige perso(o)n(en), en/of voor in (een) omliggende wonig(en)/pand(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor de in de omgeving van de woning aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2.hij op of omstreeks 22 december 2016 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten scherfhandgranaat (type M75P3), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.
Zaak met parketnummer 08-068125-23 (Limburgs onderzoek):
1.hij op of omstreeks 6 november 2021 te [plaats4] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk (een grote hoeveelheid) sigaretten en/of shag (met een waarde van ongeveer 14.500 euro) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 1072,65 euro, in elk geval enig goed en/of enig geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [naam1] (gevestigd aan de [adres3] te [plaats4] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) en/of welk geldbedrag verdachte en/of zijn mededader(s), uit hoofde van persoonlijke dienstbetrekking, te weten medewerker verkoop (van/in servicestation [naam1] ), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had/hadden, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;
2.hij op of omstreeks 30 juni 2022 te [plaats5] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een (groot) geldbedrag van (ongeveer) 28.415 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [naam2] (gevestigd aan de [adres4] te [plaats5] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van persoonlijke dienstbetrekking, te weten medewerker van/in voornoemde vestiging van [naam2] , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 08-047296-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
feit 1
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
en
feit 2
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Het in de zaak met parketnummer 08-068125-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
telkens: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft een handgranaat opzettelijk tot ontploffing gebracht door deze in de hal van een woning te gooien. Verdachte verkeerde in een crimineel milieu waarin hij de beschikking over een levensgevaarlijk wapen als een handgranaat kon verkrijgen en heeft gehad. Door deze vervolgens tot ontploffing te brengen in een woning heeft verdachte laten zien niet terug te deinzen voor het gebruik van een dergelijk vernietigend wapen en weinig waarde te hechten aan de levens en eigendommen van anderen. Door de ontploffing van die handgranaat is grote schade berokkend aan de desbetreffende woning en is levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest voor de mensen die op dat moment in de woning aanwezig waren. Dergelijke ernstige feiten hebben niet alleen een enorme impact op de slachtoffers, maar schokken ook de rechtsorde en leiden vanwege het gevaarzettende en meedogenloze karakter bovendien tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De maatschappelijke onrust die dit feit heeft veroorzaakt is aanzienlijk gebleken, zeker nu de feiten plaatsvonden in de periode dat [regio] het decor was van diverse ernstige geweldsdelicten.
Daarnaast heeft verdachte zich binnen een jaar tijd twee keer schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking bij twee verschillende werkgevers. In één geval gebeurde dit onder toeziend oog van in de winkel aanwezige klanten. Verdachte heeft daarmee niet alleen inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van zijn werkgevers, maar ook het vertrouwen geschonden dat zij in hem hadden gesteld.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel van zijn justitiële documentatie van 15 december 2025, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven. Over zijn persoonlijke omstandigheden is ter terechtzitting van 16 januari 2026 onder meer gebleken dat verdachte is opgeleid in de detailhandel en in de ICT. Daarnaast bevindt hij zich al geruime tijd in voorlopige hechtenis en heeft hij binnen de penitentiaire instelling enkele diploma’s gehaald. Concrete plannen voor de periode na zijn detentie heeft verdachte nog niet. Vanuit detentie onderhoudt hij regelmatig telefonisch contact met zijn ouders. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden die nopen tot strafmatiging dan wel strafverzwaring is het hof niet gebleken.
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof, vanuit het oogpunt van vergelding en normbevestiging, niet worden volstaan met oplegging van een andere dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu het hof verdachte van een aantal ernstige verdenkingen vrijspreekt, zal het hof wel een lagere straf opleggen dan de advocaat-generaal heeft gevorderd. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
Verdachte is op 10 juni 2020 in verzekering gesteld en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 26 februari 2024. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is met name in eerste aanleg fors overschreden.
Naar het oordeel van het hof dient de overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot een strafvermindering met tien procent van de op te leggen straf. Het hof zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 47, 55, 57, 63, 157 en 322 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-112445-23 onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-112445-23 onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-047296-23 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-068125-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-047296-23 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-068125-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. J.D. den Hartog en
mr. M.L. Plas, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 januari 2026.