GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.351.961
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 11075738
arrest van 18 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 5 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
de akte uitlaten producties van Dexia
de antwoordakte van de afnemer.
2. De kern van de zaak
Tussen Dexia en de afnemer zijn, voor zover in hoger beroep nog van belang, de volgende overeenkomsten tot stand gekomen:
Nr.
Contractnummer
Ingangsdatum contract
Ia
[contractnummer]
25-04-1997
Ib (verlenging)
[contractnummer]
26-04-2002
II
[contractnummer]
05-09-1997
III
[contractnummer]
26-03-1998
IV
[contractnummer]
21-08-1998
Va
[contractnummer]
13-11-1998
Vb (verlenging)
[contractnummer]
13-11-2001
VI
[contractnummer]
11-02-1999
VII
[contractnummer]
06-01-2000
Verder zijn tussen Dexia en de afnemer onder meer nog de overeenkomsten gesloten met contractnummers [contractnummer] (overeenkomst VIII), [contractnummer] (overeenkomst IX), [contractnummer] (overeenkomst X), [contractnummer] (overeenkomst XI) en [contractnummer] (overeenkomst XII). Deze overeenkomsten staan in hoger beroep niet meer ter discussie.
Overeenkomst IV is tot stand gekomen via de tussenpersoon Spaar Select (hierna ook: de tussenpersoon). Ten aanzien van overeenkomst IV staat de vraag centraal of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade met betrekking tot overeenkomst IV volledig te vergoeden.
De afnemer was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten getrouwd met [naam] (hierna: [naam] ). Zij had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten, met uitzondering van overeenkomst IV die zij mede heeft ondertekend. [naam] heeft op 22 april 2006 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, die overeenkomsten vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij nog een vordering heeft op Dexia, vanwege de vernietiging van de overeenkomsten Ia, Ib, II, III, Va, Vb, VI en VII. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.
De afnemer heeft bij de kantonrechter gevorderd om voor recht te verklaren dat de overeenkomsten Ia, Ib, II, III, Va, Vb, VI en VII rechtsgeldig zijn vernietigd en om Dexia te veroordelen om al hetgeen door de afnemer krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan hem terug te betalen, vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast heeft de afnemer ten aanzien van overeenkomst IV gevorderd om voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem en/of toerekenbaar tekort is geschoten en dat de afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan hem te vergoeden. Verder heeft de afnemer gevorderd om Dexia te veroordelen tot voldoening aan de afnemer van al datgene dat hij onder overeenkomst IV aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met rente en kosten. Tot slot heeft de afnemer, kort gezegd, gevorderd om Dexia te veroordelen te bewerkstelligen dat de registratie van hem bij het Bureau Kredietregistratie (BKR) wordt verwijderd.
Dexia heeft bij de kantonrechter gevorderd een verklaring voor recht dat zij, na betaling aan de afnemer van een bepaald bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, met betrekking tot de overeenkomsten I tot en met XII aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd, alsmede een veroordeling van de afnemer in de proceskosten.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de overeenkomsten Ia, Ib, II, III, Va, Vb, VI en VII tijdig zijn vernietigd en, kort gezegd, Dexia veroordeeld om aan de afnemer te vergoeden al hetgeen hij ten aanzien van die overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, verminderd met al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, vermeerderd met wettelijke rente. Wat betreft overeenkomst IV heeft de kantonrechter onder meer voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens de afnemer heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon hem niet alleen als klant aanbracht maar tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon daarvoor geen vergunning bezat. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia ten aanzien van overeenkomst IV veroordeeld om de in het vonnis omschreven schadevergoeding en wettelijke rente aan de afnemer te betalen. Verder heeft de kantonrechter Dexia, kort gezegd, veroordeeld om te bewerkstelligen dat de BKR-registratie van de afnemer wordt verwijderd. Ten aanzien van de overeenkomsten VIII tot en met XII heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan de afnemer is verschuldigd. Voor het overige zijn de vorderingen van Dexia afgewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van de afnemer en van Dexia opnieuw voor zover deze zien op de overeenkomsten Ia, Ib, II, III, IV, Va, Vb, VI en VII.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van de afnemer en van Dexia, en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de afnemer en het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen.
3. Het oordeel van het hof
De grieven van Dexia
Dexia heeft grieven gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam] op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten Ia, Ib, II, III, Va, Vb, VI en VII, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [naam] niet voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief 1), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief 2) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief 3). Grieven 4 en 5 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomst IV. Dexia betoogt dat ten onrechte is aangenomen sprake is geweest van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon en dat Dexia daarvan wist dan wel behoorde te weten.
Het hof zal eerst ingaan op de grieven van Dexia die zich richten tegen het oordeel dat de overeenkomsten Ia, Ib, II, III, Va, Vb, VI en VII rechtsgeldig vernietigd zijn. Daarna zal worden ingegaan op de grieven tegen het oordeel dat Dexia aansprakelijk is ter zake van overeenkomst IV.
Toetsingskader vernietiging wegens ontbreken toestemming echtgenoot
Effectenleaseovereenkomsten worden aangemerkt als huurkoop. Dat maakt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist (zie artikel 1:88 lid 1 sub d BW). De echtgenoot van de afnemer heeft de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomst te vernietigen als hij/zij aan de afnemer geen toestemming voor het sluiten van die overeenkomst had verleend (zie artikel 1:89 lid 1 BW). De verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot vernietiging is drie jaar (artikel 3:52 lid 1 sub d BW). Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, kan ook niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd (artikel 3:52 lid 2 BW).
De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging vangt aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij/zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast rust van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke bekendheid zich – zoals in dit geval – geheel in de sfeer van de wederpartij hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen door degene die zich op verjaring beroept (in dit geval: Dexia) niet te zware eisen mogen worden gesteld. Uit de rechtspraak volgt bovendien dat in geval van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of-rekening, de rechter aan dat gegeven een bewijsvermoeden kan ontlenen met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, dit in die zin dat dan vermoed wordt, behoudens tegenbewijs, dat de echtgenoot bekend werd met de overeenkomst op de datum dat het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia vermeld is, ontvangen werd.
Het hof neemt verder in aanmerking dat uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 volgt dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenoot tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 volgt dat de op 13 maart 2003 aangevangen stuiting, doorloopt tot zes maanden na het einde van de collectieve procedure. De collectieve procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op een andere wijze dan door toewijzing van de vordering (als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Daarom diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 de vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.
Beroep van Dexia op verjaring – toepassing van het toetsingskader
De kantonrechter heeft overwogen dat partijen het erover eens zijn dat het beroep vernietiging van de overeenkomsten Ib en Vb tijdig is gedaan. Daartegen is Dexia in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Dat betekent dat het bestreden vonnis voor zover het op deze overeenkomsten ziet, in stand blijft.
Wat betreft de overeenkomsten Ia, II, III, Va, VI en VII (hierna samen ook: de overeenkomsten) staat vast dat de verjaring voor het eerst op 13 maart 2003 is gestuit, namelijk door de aanvang van de genoemde collectieve procedure. De verklaring tot vernietiging van [naam] is uitgebracht op 22 april 2006, dus nog voordat de collectieve procedure in 2007 eindigde. Dat betekent dat het vernietigingsrecht van [naam] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam] op of voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst.
Dexia betoogt dat [naam] al vóór 13 maart 2000 met de overeenkomsten bekend is geworden. Daarbij heeft Dexia onder meer opgemerkt dat ten aanzien van de overeenkomsten een relatief groot bedrag aan incasso’s is betaald, dat de afnemer wisselende verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop [naam] bekend is geworden met de overeenkomsten en dat [naam] ook zelf meerdere effectenleaseovereenkomsten op haar eigen naam heeft afgesloten. Volgens Dexia is het niet aannemelijk dat de afnemer en [naam] ieder apart effectenleaseovereenkomsten met Dexia hebben afgesloten zonder dat zij dit met elkaar hebben besproken. Verder heeft Dexia erop gewezen dat [naam] overeenkomst IV – die door tussenkomst van Spaar Select tot stand is gekomen – mede heeft ondertekend. Dat maakt volgens Dexia dat [naam] ook wist van de andere overeenkomsten.
De afnemer betwist dat [naam] op 13 maart 2000 al met de overeenkomsten bekend was en heeft schriftelijke verklaringen ingebracht van zichzelf en van [naam] . De afnemer heeft in de inleidende dagvaarding betoogd: “Contractant heeft eega ingelicht over het bestaan van de overeenkomsten ten tijde van de twee door eega afgesloten overeenkomsten. (…) Aangezien eega deze overeenkomsten in december 2000 is aangegaan, kan het moment van bekendwording niet hiervoor liggen.” Vervolgens heeft de afnemer in zijn schriftelijke verklaring aangegeven dat hij [naam] naar aanleiding van een televisie-uitzending van Radar heeft geïnformeerd over de overeenkomsten. Wat betreft overeenkomst IV heeft de afnemer verklaard dat [naam] haar handtekening onder die overeenkomst heeft gezet zonder verdere vragen te stellen. Zij is ook mee geweest naar de notaris voor de hypotheek die voor overeenkomst IV gesloten moest worden, maar wist alleen dat dit nodig was voor de overwaarde die gebruikt ging worden. De afnemer regelde de financiële zaken in het gezin.
[naam] heeft in haar schriftelijke verklaring aangegeven dat zij met de overeenkomsten bekend is geraakt toen zij met de afnemer een televisie-uitzending van Radar keek. Tijdens die uitzending kwam aan het licht dat zij en de afnemer ieder afzonderlijk effectenleaseovereenkomsten met Dexia hadden afgesloten, zonder dat zij dat van elkaar wisten.
Het hof is van oordeel dat Dexia hier – gelet op de verweren van de afnemer en in aanmerking genomen de (bewijs)middelen die hier kennelijk beschikbaar zijn of kunnen zijn – haar stelling dat de echtgenoot op 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten, voldoende heeft toegelicht en onderbouwd en dat zij in zoverre voldaan heeft aan haar stelplicht. Dexia heeft op dit punt ook bewijs aangeboden door het horen van getuigen. Dexia heeft aangegeven in elk geval de afnemer als getuige te willen horen. Niet is in te zien wat Dexia in deze zaak nog meer had kunnen en moeten doen om toegelaten te worden tot deze bewijslevering en er zijn hier ook geen andere omstandigheden zijn die meebrengen dat het bewijsaanbod van Dexia gepasseerd dient te worden. Dat betekent dat de grieven van Dexia tegen het oordeel van de kantonrechter in zoverre terecht zijn.
Het voorgaande brengt mee dat het hof opnieuw dient te beoordelen of het beroep van Dexia op verjaring slaagt. Immers, een grief waarmee wordt opgekomen tegen het passeren van het bewijsaanbod laat geen andere uitleg toe dan dat daarmee tevens wordt bestreden de verwerping van de stelling ter onderbouwing waarvan het bewijsaanbod werd gedaan.
Dexia heeft gesteld dat de betalingen ten aanzien van de overeenkomsten plaats hebben gevonden vanaf een gezamenlijke rekening (een en/of-rekening) van de afnemer en [naam] , zodat [naam] al vóór 13 maart 2000 bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. De afnemer heeft verklaard dat de betalingen aan Dexia zijn gedaan vanaf zijn eigen rekeningen. Hij heeft deze verklaring echter verder niet toegelicht of onderbouwd met bijvoorbeeld bankafschriften. Dat had wel voor de hand gelegen en mocht ook van de afnemer worden verlangd. Daarom gaat het hof er (voorshands) vanuit dat de betalingen ten aanzien van de overeenkomsten vanaf de aanvang daarvan zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening. Het hof is van oordeel dat gelet op dat gegeven, in dit geval ten aanzien van die overeenkomsten het vermoeden geldt dat, behoudens door de afnemer te leveren tegenbewijs, [naam] door ontvangst van de rekeningafschriften van die rekening, korte tijd na het aangaan van die overeenkomsten – en dus op of voor 13 maart 2000 – daadwerkelijk met die overeenkomsten bekend is geworden.
De afnemer heeft in dit verband bovendien bewijs aangeboden door onder meer het horen van getuigen, waaronder zichzelf en [naam] . Het hof zal de afnemer, conform zijn bewijsaanbod, in de gelegenheid stellen dit tegenbewijs te leveren. Indien Dexia – op wie de bewijslast rust – dat wenst, kan zij in een contra-enquête aanvullend bewijs aandragen.
Advisering door de tussenpersoon en wetenschap Dexia (overeenkomst IV)
Dexia heeft aangevoerd dat, anders dan de kantonrechter oordeelde, de tussenpersoon bij de totstandkoming van de overeenkomst IV (hierna ook: de effectenleaseovereenkomst) geen vergunningplichtig advies aan de afnemer heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door de tussenpersoon. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Niet (meer) in geschil is dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en de afnemer tot stand is gekomen door tussenkomst van de tussenpersoon die in het kader van zijn beroep of bedrijf als bemiddelaar optrad. Daarmee is de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van (het destijds geldende) artikel 1b onder 1 Wte (oud). De tussenpersoon had geen vergunning zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte (oud), om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden.
De afnemer heeft gesteld op welke wijze de tussenpersoon in zijn specifieke geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst en gesteld dat dit neerkomt op vergunningplichtige advisering. De afnemer heeft ook aangevoerd dat de handelwijze van de tussenpersoon in dit geval overeenstemt met de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen in het algemeen, dat die werkwijze als vergunningplichtig adviseren moet worden aangemerkt en dat de gebruikelijke werkwijze bij Dexia bekend was. Volgens de afnemer was Dexia (daarom) ook bekend met de advisering in dit geval, of behoorde zij dat te zijn.
Juridisch kader
Een effectenbemiddelaar die mogelijk cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling, wordt ook cliëntenremisier genoemd. Een tussenpersoon die geen vergunning had zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte (oud), om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden, kon aanspraak maken op de generieke vrijstelling van artikel 12 lid 1 Vrijstellingsregeling Wte (oud) om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling zoals Dexia, die zelf over een vergunning beschikte. De reden van deze vrijstelling was dat de instelling bij wie de cliënt werd aangebracht, zelf al aan toezicht was onderworpen, dan wel daarvan was vrijgesteld. Het stond de tussenpersoon als cliëntenremisier niet vrij om zonder vergunning mede op te treden als beleggingsadviseur. Dexia’s andersluidende betoog dat het geven van beleggingsadvies in combinatie met het aanbrengen van cliënten naar Europees recht niet vergunningplichtig was, slaagt niet. Artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 verbood Dexia om een effectenleaseovereenkomst met een klant aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. Het eerder geldende artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995 kwam materieel overeen met artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999. Handelen in strijd met dit verbod is onrechtmatig. Het contracteren in weerwil van dit verbod moet Dexia in een dergelijk geval bij de toepassing van artikel 6:101 BW zwaar worden aangerekend. Bij effectenleaseovereenkomsten die op deze manier tot stand zijn gekomen, is de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de klant in het aan te schaffen product. Dexia had de klant immers hoe dan ook moeten weigeren. De billijkheid eist dan in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last vormden.
Kortom, voor de beantwoording van de vraag of de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, moet worden beoordeeld of: (i) de klant voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door de tussenpersoon in de uitoefening van zijn bedrijf is geadviseerd, en (ii) of Dexia dit wist of behoorde te weten.
Het hof verwijst verder voor het toepasselijke juridisch kader naar de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2022 en 9 juni 2023. In het bijzonder heeft de Hoge Raad in deze arresten geoordeeld dat het antwoord op de vraag wanneer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door een daarbij optredende tussenpersoon dient te worden gevonden door vast te stellen van welke – als ‘beleggingsadvies’ te kwalificeren – activiteiten een cliëntenremisier zich diende te onthouden om vrijgesteld te blijven van de vergunningplicht. De reikwijdte van deze vrijstelling dient als volgt te worden bepaald:
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
Verder heeft de Hoge Raad (nader) overwogen dat voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden, van belang is of de tussenpersoon al dan niet (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
Gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen
Het hof ziet aanleiding eerst de stellingen van de afnemer en het verweer van Dexia over de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen te behandelen.
De afnemer heeft zijn stellingen dat tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden en dat deze bij Dexia bekend was, onderbouwd met een aantal door hem overgelegde stukken. Daaruit volgt volgens de afnemer dat tussenpersonen steeds de situatie en de wensen van de klant in kaart brachten en in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voorstelden, en dat Dexia dat wist. In de arresten van dit hof van 11 februari 2025 is uit die overgelegde stukken – onder meer teksten van de website van Dexia, jaarverslagen van Dexia, een memorandum van Dexia en uitlatingen van medewerkers van Dexia – geciteerd. In de arresten van dit hof van 29 oktober 2024 is ten aanzien van in het bijzonder Spaar Select als tussenpersoon nog uit nadere door de afnemer genoemde stukken geciteerd.
Dexia heeft betwist dat tussenpersonen een vaste werkwijze hadden die erin bestond dat altijd vergunningplichtig werd geadviseerd en gewezen op gevallen waarin niet is komen vast te staan dat de tussenpersoon adviseerde. Volgens Dexia was de werkwijze van tussenpersonen veelvuldig beperkt tot het doen van algemene aanprijzingen zonder advisering, zodat Dexia ook niet wist of behoefde te weten dat werd geadviseerd en ook geen aanleiding had daarnaar verder onderzoek te doen.
In de hiervoor bedoelde arresten van dit hof van 11 februari 2025 is, samengevat, overwogen dat Dexia in die zaken de strekking van deze stukken onvoldoende heeft weerlegd. Ten aanzien van in het bijzonder Spaar Select als tussenpersoon had het hof dat al overwogen in zijn hiervoor bedoelde arresten van 29 oktober 2024. In die arresten heeft dit hof geoordeeld dat uit de door de afnemer overgelegde producties voldoende volgt dat tussenpersonen (in het bijzonder Spaar Select) een gebruikelijke werkwijze hadden die neerkomt op vergunningplichtige advisering in de in 3.20 bedoelde zin. In die arresten is verder geoordeeld dat uit de door de afnemer overgelegde stukken ook volgt dat Dexia, die er destijds voor heeft gekozen voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, bekend was met die gebruikelijke werkwijze en dat het verweer dat tussenpersonen zich in veel zaken onthielden van het geven van advies, onvoldoende is om tot een andere conclusie te komen. In de onderhavige zaak heeft de afnemer grotendeels diezelfde producties overgelegd, althans producties die tot dezelfde conclusie leiden. Dexia heeft in de onderhavige zaak geen andere of nadere verweren gevoerd die tot een ander oordeel leiden. Aan (tegen)bewijslevering wordt niet toegekomen.
Advisering door de tussenpersoon in dit geval
In de onderhavige zaak heeft de afnemer een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop de tussenpersoon in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder randnummers 54-60 (“De feitelijke gang van zaken”) van de inleidende dagvaarding. De stellingen van de afnemer komen, samengevat, op het volgende neer. De afnemer heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met (een medewerker van) de tussenpersoon. Daarbij is besproken dat de afnemer (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen de afnemer daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is de afnemer door de tussenpersoon geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de tussenpersoon geschikt voor de situatie van de afnemer. De afnemer heeft op het advies van de tussenpersoon vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens is de afnemer de effectenleaseovereenkomst aangegaan, aldus de afnemer. Volgens de afnemer sluit deze bemiddeling aan bij de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen.
Voorop staat dat de door de afnemer geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, indien deze komt vast te staan, in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022 moet worden gekwalificeerd als advisering. Het hof verwerpt daarmee het verweer van Dexia dat de door de afnemer gestelde betrokkenheid niet als advisering in de zin van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 kan worden aangemerkt.
Dexia heeft de stellingen van de afnemer over de wijze waarop de tussenpersoon in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst betwist en heeft getracht (de betekenis van) de stellingen en producties van afnemer over die bemiddeling te relativeren, maar zij heeft dat niet (voldoende concreet) onderbouwd, met name niet met een toelichting over de gang van zaken in dit specifieke geval.
Naar het oordeel van het hof sluit de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen aan bij de concrete stellingen van de afnemer over hoe de tussenpersoon in zijn geval heeft gehandeld. In het licht van die gebruikelijke werkwijze heeft de afnemer zijn stelling dat de tussenpersoon hem heeft geadviseerd, voldoende gemotiveerd. Het had op de weg van Dexia gelegen om concreet aan te voeren en toe te lichten dat en op welke wijze in onderhavig geval of door deze specifieke tussenpersoon is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze. Wat Dexia daarover heeft aangevoerd, is tegenover de stellingen van de afnemer onvoldoende. Aan (tegen)bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat Dexia geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
De stelling van Dexia dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, wordt door het hof verworpen. Zoals hiervoor is overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat tussenpersonen doorgaans, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die tussenpersonen als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij de tussenpersoon wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden omdat deze zich in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek kennelijk niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu kennelijk niet meer in staat is om te onderbouwen dat er geen advies is verleend of dat de werkwijze van de tussenpersoon afweek van de gebruikelijke, komen voor risico van Dexia.
Hiermee komt als onvoldoende gemotiveerd betwist vast te staan dat de afnemer, voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst, een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan daarvan heeft gekregen van de tussenpersoon in de uitoefening van zijn bedrijf, waarbij de tussenpersoon de reikwijdte van zijn vrijstelling van de vergunningplicht heeft overschreden.
Wetenschap bij Dexia
De afnemer heeft gesteld dat Dexia ook in dit geval bekend was of moest zijn met de advisering door de tussenpersoon. Dexia’s verweer op dit punt slaagt niet. In het licht van de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen, waarmee Dexia bekend was, had het op de weg van Dexia gelegen concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat in dit concrete geval geen sprake was van advisering conform de gebruikelijke werkwijze en enige wetenschap daarvan dus ook niet aan de orde kan zijn, of waaruit volgt dat geen sprake was van wetenschap omdat de werkwijze van deze tussenpersoon afweek van de gebruikelijke. Bij gebreke daarvan komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan (tegen)bewijslevering wordt niet toegekomen. Daarbij komt dat Dexia, gelet op haar bekendheid met de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen en haar verplichtingen op grond van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999, bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag had moeten doen bij de tussenpersoon wat de aard van zijn betrokkenheid was geweest. Zij had aldus behoren te weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering. Het hof ziet voorgaande overwegingen en conclusies bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2023. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling of onjuist(e) (gebleken) visie blijft in verhouding tot de afnemer voor rekening van Dexia.
Slotsom advisering en wetenschap
Dexia wist of moest weten dat de tussenpersoon de afnemer bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst heeft geadviseerd, terwijl hij niet over de daarvoor benodigde vergunning beschikte. Door toch met de afnemer de effectenleaseovereenkomst aan te gaan, heeft Dexia in strijd gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999. In dit geval eist de billijkheid daarom dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, voor zowel de (eventuele) restschuld van de afnemer als voor de door deze betaalde rente, aflossing en kosten. Het beroep op eigen schuld gaat dan ook niet op.
Het voorgaande betekent dat de grieven van Dexia die zich richten tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomst IV falen (grieven 4 en 5).
Het verdere verloop van de procedure
Het getuigenverhoor zal indien mogelijk plaatsvinden in september 2026 of oktober 2026. Verder zal een eventuele contra-enquête indien mogelijk, in overleg met partijen, op voorhand gepland worden aansluitend aan het getuigenverhoor.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
4. De beslissing
Het hof:
laat de afnemer toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [naam] op of vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de overeenkomsten Ia, II, III, Va, VI en VII bekend raakte.
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. S.C.P. Giesen de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
De afnemer moet op dinsdag 1 september 2026 laten weten hoeveel getuigen hij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten over de maanden september 2026 en oktober 2026. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
De afnemer moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en G.P. Oosterhoff, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.