GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.319.937
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, 9188410
arrest van 18 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 9 december 2021 en het eindvonnis van 13 oktober 2022 (hierna gezamenlijk: het bestreden vonnis) die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, (hierna: de kantonrechter) tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord.
De zaak is na royement weer hervat.
2. De kern van de zaak
Tussen Dexia en de afnemer zijn in 1998 drie effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen met contractnummers [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] (hierna: de overeenkomsten). De echtgenoot van de afnemer, [naam1] (hierna: [naam1] ), had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten. [naam1] heeft bij brief gedateerd 19 april 2006 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van zijn/haar toestemming, de overeenkomsten vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.
Dexia heeft bij de kantonrechter gevorderd een verklaring voor recht dat met betrekking tot de overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd, alsmede een veroordeling van de afnemer in de proceskosten.
De kantonrechter heeft na bewijslevering geoordeeld dat de overeenkomsten tijdig zijn vernietigd en dat Dexia aan de afnemer dient te vergoeden al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, verminderd met al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, en vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten niets meer aan de afnemer verschuldigd is, nadat zij een bedrag van € 10.671,83 en de wettelijke rente daarover, zoals in het vonnis is weergegeven, heeft betaald aan de afnemer. Voor het overige heeft de kantonrechter de vorderingen van Dexia afgewezen. Verder heeft de kantonrechter de proceskosten gecompenseerd. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van Dexia opnieuw.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen.
3. Het oordeel van het hof
Ontvankelijkheid
De afnemer heeft betoogd dat Dexia niet-ontvankelijk is. Volgens de afnemer heeft Dexia haar appeldagvaarding van 16 november 2022 niet conform artikel 125 Rv bij de juiste locatie van dit hof ingediend. Dexia had dat uiterlijk 20 december 2022 (de aangezegde rechtsdag) moeten doen, zodat de aanhangigheid verviel op grond van artikel 125 lid 5 Rv. Voorts heeft Dexia geen grieven ingediend bij de juiste locatie van uw hof zodat Dexia in het licht van de aan te houden juiste procesorde geen grieven heeft ingediend, zodat Dexia ook in dat licht niet ontvankelijk is.
Het hof overweegt dat het duidelijk is dat het exploot van 16 november 2022 een fout bevat. In plaats van de hoflocatie Arnhem is immers de hoflocatie in Leeuwarden vermeld. De afnemer betoogt dat, omdat Dexia haar appeldagvaarding niet uiterlijk op de aangezegde rechtsdag bij de juiste locatie heeft ingediend, de aanhangigheid van het geding in hoger beroep is komen te vervallen. Dit betoog faalt. De afnemer ziet er aan voorbij dat het exploot van 16 november 2022 wel op 30 november 2022 bij de goede locatie van het hof, te weten die in Arnhem, is aangebracht en aldaar ter rolle is ingeschreven. Voor het herstel van de fout waar het hier om gaat geldt niet (de tweewekentermijn van) artikel 125 lid 5 Rv. Op grond van artikel 121 lid 2 Rv heeft de rolraadsheer (tweemaal) een nieuwe datum bepaald en Dexia de gelegenheid gegeven een herstelexploot uit te brengen. Dat heeft Dexia niet gedaan, waarna de zaak in 2023 ambtshalve is geroyeerd. Dexia heeft de zaak in 2025 opnieuw opgebracht en een memorie van grieven ingediend. De griffie van het hof heeft toen niet onderkend dat Dexia nog steeds geen herstelexploot had uitgebracht. Evenwel is de afnemer daarna wel verschenen. De advocaat van de afnemer, mr. Maliepaard, heeft zich namens de afnemer gesteld en een memorie van antwoord ingediend. Van een situatie als bedoeld in artikel 121 Rv, waarbij de gedaagde/geïntimeerde niet is verschenen, is dus geen sprake meer. Er bestaat daarom geen aanleiding meer om Dexia een herstelexploot uit te laten brengen. Dit alles leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van Dexia. Verder is niet gebleken dat er sprake is van strijd met de goede procesorde. Dat de afnemer door de fout in zijn procesbelang zou zijn geschaad blijkt nergens uit. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de afnemer wordt dus verworpen.
De grieven van Dexia
Dexia voert in dit hoger beroep twee grieven aan. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er vanuit gegaan kan worden dat de afnemer en [naam1] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten gehuwd waren (grief 1) en dat de afnemer het aangenomen bewijsvermoeden, dat [naam1] op of voor 13 maart 2000 van het bestaan van de overeenkomsten op de hoogte was, heeft ontzenuwd (grief 2).
Betwisting huwelijk
Dexia betwist dat de afnemer en [naam1] (nog steeds) gehuwd waren ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten. De afnemer heeft een kopie van de huwelijksakte van [datum] 1990 ingebracht. Daarnaast heeft de afnemer een screenprint van mijnoverheid.nl overgelegd waarop is vermeld dat de afnemer en [naam1] sinds [datum] 1990 met elkaar gehuwd zijn. Deze screenprint is niet voorzien van een printdatum. De kantonrechter heeft aangenomen dat deze moet dateren van na 1998, omdat voor die tijd deze site nog niet bestond. Dexia heeft erop gewezen dat de screenprint als datum document “29 augustus 1994” vermeldt en dat nergens staat met wie [naam1] gehuwd is. Het document vermeldt wel de term “partner” maar dit zou ook kunnen duiden op een samenlevingscontract.
Dexia ziet er aan voorbij dat in aanvulling op de ingebrachte huwelijksakte, en los van voornoemde screenprint, geldt dat de afnemer bij de kantonrechter onder ede heeft verklaard dat hij en [naam1] in 1990 (dus voor het aangaan van de overeenkomsten) zijn gehuwd en dat dit ook uit de onder ede afgelegde verklaring van [naam1] volgt. Dexia heeft niets tegen die verklaringen onder ede ingebracht. Dexia heeft in dat licht onvoldoende gemotiveerd bestreden dat de afnemer en [naam1] gehuwd waren ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten, zodat het hof aan het verweer voorbij gaat.
Toetsingskader vernietiging wegens ontbreken toestemming echtgenoot
Effectenleaseovereenkomsten worden aangemerkt als huurkoop. Dat maakt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist (zie artikel 1:88 lid 1 sub d BW). De echtgenoot van de afnemer heeft de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomst te vernietigen als zij aan de afnemer geen toestemming voor het sluiten van die overeenkomst had verleend (zie artikel 1:89 lid 1 BW). De verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot vernietiging is drie jaar (artikel 3:52 lid 1 sub d BW). Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, kan ook niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd (artikel 3:52 lid 2 BW).
De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging vangt aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast rust van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke bekendheid zich – zoals in dit geval – geheel in de sfeer van de wederpartij hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen door degene die zich op verjaring beroept (in dit geval: Dexia) niet te zware eisen mogen worden gesteld. Uit de rechtspraak volgt bovendien dat in geval van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of-rekening, de rechter aan dat gegeven een bewijsvermoeden kan ontlenen met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, dit in die zin dat dan vermoed wordt, behoudens tegenbewijs, dat de echtgenoot bekend werd met de overeenkomst op de datum dat het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia vermeld is, ontvangen werd.
Het hof neemt verder in aanmerking dat uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 volgt dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenoot tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 volgt dat de op 13 maart 2003 aangevangen stuiting, doorloopt tot zes maanden na het einde van de collectieve procedure. De collectieve procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op een andere wijze dan door toewijzing van de vordering (als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Daarom diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 de vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.
Beroep van Dexia op verjaring – toepassing van het toetsingskader
Vast staat dat de verjaring voor het eerst op 13 maart 2003 is gestuit, namelijk door de aanvang van de genoemde collectieve procedure. De verklaring tot vernietiging van [naam1] is uitgebracht bij brief van 19 april 2006, dus voordat de collectieve procedure in 2007 eindigde. Dexia heeft niet gesteld dat zij de brief later dan 19 april 2006 heeft ontvangen. Dat betekent dat het vernietigingsrecht van [naam1] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam1] op of voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten.
Dexia betoogt dat [naam1] al vóór 13 maart 2000 met de overeenkomsten bekend is geworden. Dexia heeft daarbij opgemerkt dat de betalingen aan Dexia kennelijk gedaan zijn vanaf een gezamenlijke rekening met de echtgenoot, dat het bij de overeenkomsten en de betalingen aan Dexia al met al gaat om (een) relatief fors(e) bedrag(en) en dat de echtgenoten meerdere poststukken van Dexia dan haar rechtsvoorgangers hebben ontvangen.
De afnemer heeft betwist dat [naam1] al vóór 13 maart 2000 met de overeenkomsten bekend is geworden. De afnemer verzorgde alle financiën binnen het huishouden en beheerde de gezamenlijke rekening. [naam1] opende nimmer de aan afnemer gerichte post en opende geen bankafschriften van de gezamenlijke rekening. Ze keek niet op de rekeningafschriften en heeft nimmer een betaling aan Dexia gezien. [naam1] nam de ingevulde belastingaangifte nooit door.
Het hof is van oordeel dat Dexia hier – gelet op de verweren van de afnemer en in aanmerking genomen de (bewijs)middelen die hier kennelijk beschikbaar zijn of kunnen zijn – haar stelling dat de echtgenoot op 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten, voldoende heeft toegelicht en onderbouwd en dat zij in zoverre voldaan heeft aan haar stelplicht.
Dexia heeft gesteld dat de betalingen aan Dexia kennelijk gedaan zijn vanaf een gezamenlijke rekening met de echtgenoot. De afnemer heeft bevestigd dat de betalingen aan Dexia inderdaad gedaan zijn vanaf de gezamenlijke rekening. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat gelet op dat gegeven, in dit geval ten aanzien van die overeenkomsten het vermoeden geldt dat, behoudens door de afnemer te leveren tegenbewijs, de echtgenoot door ontvangst van de rekeningafschriften van die rekening, korte tijd na het aangaan van die overeenkomsten – en dus op of voor 13 maart 2000 – daadwerkelijk met die overeenkomsten bekend is geworden. Bij de kantonrechter heeft al bewijslevering plaatsgevonden. De afnemer en [naam1] hebben onder ede verklaringen afgelegd en daarbij zijn ook nog hun schriftelijke verklaringen ingebracht. Dexia heeft bij de kantonrechter afgezien van contra-enquête en heeft overigens ook in hoger beroep geen voldoende specifiek bewijsaanbod gedaan.
Dexia komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de afnemer het bewijsvermoeden heeft ontzenuwd.
De afnemer heeft bij de kantonrechter onder meer het volgende onder ede verklaard. Hij heeft ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten tegen zijn vrouw gezegd dat hij een spaarproduct gekocht had. Het kan ook zijn dat hij had gezegd dat hij een spaarregeling voor de kinderen had getroffen. Hij heeft niet met zijn vrouw besproken of het een risicodragende regeling zou worden of niet. Op de vraag of hij de rendementsvooruitzichten met zijn vrouw had gedeeld, heeft hij verklaard niet met zoveel woorden maar in ieder geval wel dat het genoeg zal opbrengen om straks de kinderen te laten studeren. Hij wist niet dat hij een lening aanging, hij ging een spaarvorm aan. Zijn vrouw is zich in 2005/2006 met de financiën gaan bemoeien vanwege de melkhandel die ze toen begonnen zijn waarin zijn vrouw het contact met de accountant had op alle punten. De bankafschriften stonden op een bureau in de woonkamer. Zijn vrouw keek er nooit in, althans voor zover hij weet. Vanaf 2000 hebben ze een hypotheek. Op l juli 2000 zijn ze eigenaar geworden van het bedrijf in [woonplaats] en toen hebben ze ook hypotheek aangevraagd en gekregen op het huis dat erbij hoorde. Hij neemt aan dat ze voor 1 juli 2000 de financiering hebben rond gemaakt, wanneer ze dat hebben geregeld weet hij niet meer. De financiering ging voorspoedig. Hij is niet geconfronteerd met een negatieve BKR-registratie. Op de vraag, naar aanleiding van zijn verklaring dat zijn schoonvader al een bedrag voor de twee oudste kinderen spaarde en het spaarbedrag voor het derde kind daarom hoger was dan voor de oudste twee, of hij de verhouding tussen de drie contracten met zijn vrouw had besproken, antwoordde hij: ja natuurlijk dat is logisch. Hij heeft haar meegedeeld waarom de verhouding tussen de drie bedragen zo was. Hij wist dat het een spaarproduct met risico was. Hij wist niet dat het met geleend geld gebeurde. Hij dacht dat het aandelenpakket steeds groeide van je eigen geld. Hij heeft het in 2006 beëindigd omdat er zoveel tumult over was. Mr. Pinxter heeft hem de vragen uit het tussenvonnis telefonisch gesteld, die heeft hij toen beantwoord en toen zijn ze zo op papier terecht gekomen uiteindelijk. Zijn vrouw mocht daar niet bij zijn. De verklaringen zijn dus geheel onafhankelijk van elkaar tot stand gekomen. Hij had de vragen daarvoor niet gelezen.
In de schriftelijke verklaring van de afnemer staat onder meer het volgende. Zijn vrouw heeft hij pas voor het eerst verteld over de effectenleaseovereenkomsten toen zij vragen stelde naar aanleiding van de commotie in de media over beleggingsproducten. Daar vroeg zij hem over omdat zij samen ook een product hadden afgesloten bij Amev. Daarvoor is een tussenpersoon thuis geweest en daar wist zijn vrouw wel inhoudelijk van. Zijn vrouw hield zich in die tijd helemaal niet bezig met de financiën of keek niet op de afschriften. Er kwam genoeg geld binnen en ze hadden daar geen omkijken naar. De financiële administratie verzorgde hij. Toentertijd verzorgde hij alle overboekingen en betalingen van de rekeningen en de volledige administratie waaronder ook de belastingaangiftes. Zijn vrouw is zich pas meer met de financiën gaan bemoeien vanaf ongeveer 2005/2006.
[naam1] heeft bij de kantonrechter onder meer het volgende onder ede verklaard. Zij wist niet dat haar man de drie contracten had afgesloten. Op een gegeven moment heeft haar man gezegd dat hij iets had geregeld als spaargeld voor de kinderen. Dat was na het derde kind. Het klopt dat haar vader al daarvoor een effectenrekening voor de twee oudste kinderen had geregeld. Zij kan zich niet herinneren dat haar man de eerdere regeling van haar vader heeft betrokken bij zijn mededeling dat hij een spaarregeling voor de kinderen had geregeld. Haar man had tegen haar gezegd dat hij ten behoeve van de kinderen iets om te sparen ten behoeve van de studie later had geregeld. Op dat moment wist ze niet wat die spaarregeling kostte. Ze weet niet of ze toen interesse had getoond in de stand op die rekeningen. Ze hadden toen niet veel geld. Ze kan zich niet herinneren dat ze ooit op de hoogte is gebracht over een bedrag. Tot 2002 heeft ze daar geen bedragen over vernomen. Ze hadden al iets van AMEV, daar hadden ze allebei op ingelegd. Wat het product was weet ze niet precies. Iets om te sparen. Dat was gewoon voor algemene spaardoeleinden bedoeld. Zij was toen heel druk met het bedrijf en de kleine kinderen. Ze hield zich überhaupt niet bezig met de financiële stand van zaken. Nu is dat anders. Nu hebben ze alles gezamenlijk en houdt ze zich via de accountant ook bezig met de financiën van het bedrijf. Ze heeft nooit gezien dat er elke maand 350 gulden van de rekening afging. Ze weet ook niet van welke rekening het afging. Ze had toen een eigen privérekening bij ABN en een en/of rekening bij de Rabobank. Ze is met werken gestopt in 1997 en daarna heeft ze geen geld meer gestort op de en/of rekening. Ze vermoedt dat ze wel heeft gekeken of er genoeg opstond voor het huishouden. Ze pinde toen in ieder geval wel geld van die bankrekening. Ze weet niet meer of ze die betalingen heeft gezien. In die tijd stopte ze alle post die haar zakelijk voorkwam in een bakje en haar man regelde het zelf wel. Ze deed dat met alle post die niet persoonlijk aan haar was gericht. Ze weet niet op welke rekening het geld van haar man binnenkwam. In 2010 is ze pas weer gaan werken. Ze heeft nooit in afschriften gekeken die in de woonkamer stonden. Ze had daar geen tijd voor, het interesseerde haar niet. Ze heeft schriftelijk verklaard dat zij de meeste uitgaven naar haar herinnering wel bespraken, maar ze vermoedt dat dat met name uitgaven voor het bedrijf zijn geweest. Voor de aankoop in 1999 van het melkbedrijf heeft ze ook getekend bij de hypotheekaanvraag. Ze kan zich niet herinneren of daarbij de schuld aan Dexia aan de orde is geweest. Ze heeft verklaard dat ze in die tijd niet veel geld hadden. Ze merkte dat soms weleens als ze geen boodschappen kon doen.
In de schriftelijke verklaring van [naam1] staat onder meer het volgende. Naar aanleiding van berichten in de media dat mensen hun inleg kwijt konden raken is zij vragen gaan stellen aan haar man. Zij hadden namelijk een overeenkomst bij AMEV en zij vroeg toen: “Hoe zit dat nu bij ons?”. Toen vertelde hij haar dat zij behalve Amev ook beleggingsproducten bij Dexia hadden. Zij wist toen pas dat het sparen voor de kinderen niet een simpele spaarrekening was. Pas veel later bij aanmelding bij Leaseproces heeft ze begrepen dat er werd belegd met geleend geld. Zij heeft dat eerder nooit geweten. Haar man verzorgde in die tijd de volledige financiële administratie. Alles, want in die tijd deed ze daar helemaal niets aan. Zij had een pinpas van de huishoudrekening en van haar privérekening. Daar maakte ze gebruik van. Ze ging gewoon geld pinnen en deed haar uitgaven met contant geld. Haar man opende de bankafschriften. Hij opende en verwerkte alle post die aan hem gericht was of van financiële aard. Volgens haar lagen de afschriften eerst in een bakje en na verwerken gingen die in een map. Ze kan zich niet herinneren ooit een betaling aan of van Dexia te hebben gezien. Haar man verzorgde de aangiftes. Dat was totaal niet haar ding. Zij had daar geen interesse in. Ze heeft geen herinnering aan het wel of niet ondertekenen van de aangiftes. Ze denkt wel dat zij de meeste uitgaven wel bespraken. Veel van hun inkomen ging naar het eigen bedrijf.
In aanmerking genomen de getuigenverklaringen en de overgelegde schriftelijke verklaringen van de afnemer en [naam1] , ook in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof het aan de afschrijvingen van de en/of rekening ontleende bewijsvermoeden (Dexia heeft geen (nader) bewijs geleverd) dat [naam1] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten ontzenuwd. Doordat de financiële administratie alleen door de afnemer werd gedaan, kan niet worden aangenomen dat [naam1] via de en/of rekening bekend raakte met de overeenkomsten. Zij bekeek bankafschriften niet en hield zich niet bezig met de financiën binnen het gezin. Dat zij wel uitgaven met elkaar bespraken is daarmee niet tegenstrijdig. Het hof acht de verklaringen van de afnemer en [naam1] over het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Dexia heeft aangevoerd dat de afnemer en [naam1] wisselende, tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen hebben afgelegd. De door Dexia gesignaleerde (mogelijke) tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen zijn echter van onvoldoende gewicht om de verklaringen van de afnemer en [naam1] ongeloofwaardig te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om gebeurtenissen die zich vele jaren geleden hebben afgespeeld, waardoor de afnemer en [naam1] zich de gebeurtenissen mogelijk niet goed kunnen herinneren. De afnemer en [naam1] hebben consistent verklaard dat de afnemer [naam1] niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten en dat zij daarvan pas vele jaren later op de hoogte raakte. Uit de getuigenverklaringen kan niet worden geconcludeerd dat [naam1] vóór 13 maart 2000 bekend is geraakt met het bestaan van de overeenkomsten; veeleer blijkt daaruit het tegendeel. Het gegeven dat [naam1] wist dat er gespaard werd is, anders dan Dexia meent, niet voldoende om aan te nemen dat [naam1] met de overeenkomsten bekend was, ook niet als de overige omstandigheden van dit geval daarbij in aanmerking worden genomen. [naam1] wist voor 13 maart 2000 alleen dat de afnemer spaarregelingen was aangegaan en daarvoor geld opzij zette, maar niet is bewezen dat zij wist van het bestaan van de overeenkomsten met Dexia. Uit de verklaring van de afnemer dat hij de verhouding tussen de drie contracten met zijn vrouw had besproken en haar heeft meegedeeld waarom de verhouding tussen de drie bedragen zo was (voor het derde kind een hoger bedrag), volgt niet dat [naam1] wist dat niet alleen sprake was van een spaarregeling maar ook van de overeenkomsten met Dexia. Het aangaan van de overeenkomsten met Dexia en de maandelijkse betalingen aan Dexia heeft de afnemer niet met haar besproken. Het hof neemt ook in aanmerking dat de overeenkomsten zonder tussenkomst van een tussenpersoon, aan Dexia (Legio-Lease) zijn toegezonden. Hetgeen Dexia verder ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen en wordt niet ondersteund door bijvoorbeeld de getuigenverklaringen.
Dexia heeft gelet op het voorgaande niet bewezen dat [naam1] voor 13 maart 2000 met de overeenkomsten bekend is geworden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging pas na 13 maart 2000 is aangevangen en nadien tijdig is gestuit, zodat [naam1] met haar brief van 19 april 2006 de overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden vonnissen;
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer:
€ 343,- aan griffierecht
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en G.P. Oosterhoff, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.