GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.505
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 10952829
arrest van 18 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A. Doruk
en
Allianz Benelux N.V. (Allianz)
die is gevestigd in Rotterdam
advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 12 augustus 2025 heeft op 7 oktober 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven genomen, waarna Allianz een memorie van antwoord heeft genomen. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. De kern van de zaak
[appellant] stelt dat zij op 5 mei 2022 is aangereden door een auto die werd bestuurd door mevrouw [naam1] (hierna: [naam1] ). Allianz is de WAM-verzekeraar van die auto. Allianz betwist dat [appellant] is aangereden door [naam1] .
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Allianz aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van het ongeval op 5 mei 2022.
De kantonrechter heeft de vordering na het horen van getuigen afgewezen omdat niet bewezen is dat op 5 mei 2022 een aanrijding als door [appellant] gesteld heeft plaatsgevonden. De bedoeling van [appellant] ’s hoger beroep is dat haar vordering alsnog wordt toegewezen.
Het hof is het met de kantonrechter eens en zal het vonnis bekrachtigen. Hierna zal het hof zijn beslissing toelichten.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Juridisch kader
Om tot aansprakelijkheid van de eigenaar/houder van de bij Allianz verzekerde auto te komen, is ingevolge artikel 185 Wegenverkeerswet nodig dat die auto betrokken was bij een verkeersongeval waardoor schade aan [appellant] is toegebracht. Allianz kan dan daarvoor op grond van artikel 6 WAM worden aangesproken. Partijen zijn het er niet over eens of de door [appellant] gestelde aanrijding heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 150 Rv rust op [appellant] , die zich beroept op de rechtsgevolgen (namelijk een recht op schadevergoeding) van de door haar gestelde aanrijding, de bewijslast daarvan. In verband met de gemotiveerde betwisting door Allianz heeft de kantonrechter [appellant] terecht opgedragen te bewijzen dat er op 5 mei 2022 een gebeurtenis heeft plaatsgevonden waarbij de bij Allianz verzekerde auto is betrokken en waardoor voor [appellant] schade is ontstaan. [appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat voldoende is dat betrokkenheid van de auto aannemelijk wordt gemaakt, maar daarmee miskent zij dat voor de vestiging van aansprakelijkheid nodig is dat komt vast te staan dat sprake was van betrokkenheid van de auto. Pas als dat vaststaat, geldt de bewijsregel van artikel 185 Wegenverkeerswet: aansprakelijkheid tenzij overmacht aannemelijk wordt gemaakt.
De beperkte bewijskracht van een partijgetuigenverklaring (artikel 164 lid 2 Rv oud) is per 1 januari 2025 vervallen en geldt op grond van het overgangsrecht in dit hoger beroep niet meer. De partijgetuigenverklaring heeft dus vrije bewijskracht.
De bewijsmiddelen en tegenbewijsmiddelen
Voorafgaand aan de bewijslevering door getuigen heeft [appellant] schriftelijke verklaringen overgelegd van zichzelf, [naam6 ] (haar maatschappelijk werker), [naam2] (haar schoonzoon), [naam5] (haar dochter), [naam3] (een buurvrouw), [naam3] (haar broer) en [naam4] (haar zoon). Vervolgens heeft [appellant] als getuigen doen horen: zichzelf, [naam6 ] , [naam2] , [naam4] en [naam5] . Ook heeft zij als getuigen doen horen [naam1] (bestuurder van de auto), [naam1] (vader van [naam1] ), [naam7] (moeder van [naam1] ) en [naam8] (vriendin van [naam1] ). Laatstgenoemden hadden daarvoor ook al verklaringen afgelegd die al in het geding waren gebracht. Verder heeft [appellant] in hoger beroep nog een schriftelijke verklaring van [naam9] (een buurvrouw) in het geding gebracht. Tot slot heeft [appellant] medische informatie in het geding gebracht.
[appellant] heeft in haar eerste schriftelijke verklaring geschreven dat ze eerst tegen de bumper [of lampen, niet goed leesbaar, hof] botste en daarna tegen het wiel is gevallen, samen met het kind dat onder haar lag. Bij de kantonrechter heeft [appellant] verklaard:
“(…) ik ging met mijn kleinzoon naar de speeltuin. Hij was tweeënhalf. Opeens liet hij mijn hand los en rende hij de weg op. Er kwam een auto aan, ik riep 'auto, auto!' en rende achter hem aan. Opeens was er een harde knal, ik lag op mijn kleinzoon en het wiel van de auto was vlak voor mij. (…) Ik ben met mijn hoofd tegen de auto gekomen. Ik denk tegen de bumper, ik had ook een hersenschudding. Ik weet niet precies hoe de botsing is gebeurd, want het ging erg snel. Ik hoorde haar remmen toen we op de grond lagen. Ik lag bovenop mijn kleinzoon en precies bij het wiel toen ze stopte. (…)”
Uit de schriftelijke en mondelinge getuigenverklaringen van [appellant] ’s familieleden blijkt dat niemand van hen de gestelde aanrijding heeft zien gebeuren. Zij hebben van [appellant] of van een ander familielid gehoord dat [appellant] en haar kleinzoon zouden zijn aangereden (in eerste instantie verklaarde Bekin alleen over het aanrijden van zijn zoon). [naam5] en [naam4] (de kinderen van [appellant] die bij [appellant] thuis waren op het moment van de gestelde aanrijding) hebben verklaard dat hun moeder huilend en paniekerig thuiskwam. Buurvrouw [naam3] , die een schriftelijke verklaring heeft afgelegd, maar niet als getuige is verschenen nadat zij daartoe was opgeroepen, schreef:
“op 5 mei liep ik naar de auto samen met mijn zoontje. Toen opeens hoorde ik een geschreeuw van de buurvrouw [naam6 ] . Toen was de ongeluk al gebeurd. Daarna ben ik teruggelopen naar hun om te vragen hoe het gaat. Zij was paniekerig.”
Vaststaat dat [appellant] en haar kleinzoon op advies van maatschappelijk werker Varna (die ook heeft verklaard dat [appellant] haar overstuur heeft gebeld en huilend meldde dat zij en haar kleinkind waren aangereden) nog diezelfde avond naar de spoedeisende hulp zijn gegaan. De dag erna is [appellant] naar de huisarts gegaan. De huisarts heeft op 17 juni 2022 geschreven:
“(…) Ik zal u chronologisch het beloop schetsen van het spreekuurbezoek. (…) Patiënt is in de nasleep van het ongeval op 5-5-2022 in eerste instantie gezien op de huisartsenpost. Aldaar waren er klachten van hoofdpijn, schaafwond op arm en pijn i.d. benen. Ook was patiënt erg geschrokken. Bij lichamelijk onderzoek bleek minimale zwelling in het gelaat en met name drukpijn li onderarm. Neurologisch onderzoek was zonder bijzonderheden. Er werd pijnstilling geadviseerd. Daags hierna op 6-5-2022 zag ik patiënt: Toen had ze met name pijn aan de arm li en onderrug. Ik heb toen radiologisch onderzoek laten verrichten welke geen bijzonderheden liet zien. (…)”
[appellant] heeft daarnaast een foto van een blaar of schaafwond op een hand in het geding gebracht en een brief van haar behandelend fysiotherapeut.
[naam9] , volgens [appellant] een buurvrouw die pas als getuige naar voren kwam nadat zij hoorde dat de zaak bij de kantonrechter verloren was, heeft in haar in hoger beroep overgelegde verklaring van 20 november 2025 geschreven:
“(…) ik heb exact het aanrijding gezien van de botsing van mevr [appellant] en haar kleinzoon
het was zo een harde klap dat mevr [appellant] heel hard schreeuwde dat ik als cijfer 10 geef
het was een bibberd en angst geschreeuw
mevr [appellant] was na de botsing heel paniekerig en heel bang en angst vol aan het huilen ze was zo geschrokken dat wat met haar kleinzoon was gebeurd
ze heeft zelf haar wonden niet eens gezien door paniek (…)”
Onduidelijk is wat de relatie van buurvrouw [naam9] is tot buurvrouw [naam3] die de hiervoor onder 3.5 weergegeven schriftelijke verklaring heeft afgelegd.
[naam1] heeft op 15 december 2022 aan Allianz geschreven dat ze haar buurvrouw [[appellant] , hof] met haar kleinkind had zien lopen, dat zij haar snelheid heeft verminderd en bijna stil stond, dat zij volledig heeft afgeremd en stilstond toen het kind de weg oprende, en dat het kind vervolgens tegen de auto aanrende en op de grond viel. Over [appellant] staat in die verklaring verder niets. Bij de kantonrechter heeft [naam1] verklaard:
“(…) Ik reed al langzaam, ik denk 5 à 10 kilometer per uur, vanwege de drempels en parkeerplekken. Ik zag dat de oma met iemand stond te praten, ze had het kind eerst vast, maar hij rende de weg op. Ik stopte, het kind viel ongeveer een meter voor mijn auto op de grond, omdat hij struikelde. De oma was erbij en zat naast hem toen ik uitstapte om hem overeind te helpen. Ik heb het kind wat water gegeven. Ik heb geen letsel gezien, alleen een paar krasjes op zijn arm. (…) Ik heb geen letsel gezien bij de oma. (…) Ik zag het kind op de stoep en het kwam tussen de parkeerplaatsen door de weg op. In de verklaring van 15 december 2022 heb ik kennelijk geschreven dat het kind tegen de auto is gelopen. Dat klopt niet, er is geen contact geweest tussen het kind en de auto. Hij struikelde ongeveer een meter voor de auto. (…)”
[naam1] ’s vader en moeder zaten bij haar in de auto. Volgens hun schriftelijke en mondelinge getuigenverklaringen is de jongen pas gevallen nadat de auto was gestopt. Zijn oma is pas daarna de straat op gegaan en is volgens hen niet tegen de auto aangekomen. De vriendin van [naam1] ( [naam8] ) die verderop stond heeft schriftelijk en mondeling verklaard dat het jongetje op de grond viel en dat zijn oma hem daarna meenam.
[appellant] heeft niet bewezen dat zij is aangereden door [naam1]
Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat er twee lezingen bestaan. Waar [appellant] zegt dat zij is aangereden waardoor zij op de grond terecht is gekomen, met letsel tot gevolg, volgt uit [naam1] ’s verklaring juist dat [appellant] alleen haar kleinzoon heeft opgepakt nadat hij was gevallen. Deze verklaringen zijn niet met elkaar te verenigen. Toch hebben beiden een aantal getuigen opgevoerd die hun versie (al dan niet van horen zeggen en/of gedeeltelijk) ondersteunen.
Het hof kan gelet op de uiteenlopende verklaringen van [appellant] en [naam1] , die allebei gesteund worden door verklaringen van anderen, niet vaststellen wie de waarheid spreekt. Voor beide versies geldt dat steun vooral komt van familie en vrienden/bekenden, reden waarom het hof die verklaringen met behoedzaamheid beziet. Onder vrienden/bekenden schaart het hof ook de buurvrouwen van [appellant] : [naam3] en [naam9] . Behoedzaamheid met betrekking tot de verklaringen van deze buurvrouwen wordt ook ingegeven doordat i) [naam3] niet als getuige is verschenen, terwijl zij daartoe wel was opgeroepen en ii) [appellant] pas na het vonnis getuige [naam9] heeft aangedragen, ondanks dat [naam9] haar buurvrouw is die volgens haar verklaring dicht op de aanrijding moet hebben gestaan (zo heeft ze volgens haar verklaring gezien dat [appellant] zodanig is paniek was dat zij haar eigen verwondingen niet eens opmerkte).
Maatschappelijk werkster Varna staat weliswaar verder af van [appellant] , maar zij heeft [appellant] op 5 mei 2022 alleen aan de telefoon gehad. Een paar dagen later is zij volgens haar verklaringen op huisbezoek geweest en zag zij blauwe en rode plekken (bloeduitstortingen) bij [appellant] . Maar dat valt niet goed te rijmen met het verslag van de huisarts (zie 3.6) waarin – aan mogelijk zichtbaar letsel – alleen een schaafwond op de arm en een minimale zwelling in het gelaat is opgenomen. Daarbij past weer niet de foto van een blaar of schaafwond op een hand. Bovendien valt niet uit te sluiten dat er een andere verklaring is voor de getoonde schaafwond, minimale zwelling in het gelaat en/of van de blaar of schaafwond. Dat geldt ook voor eventuele (niet nader gepreciseerde) blauwe en rode plekken.
Deze tegenstrijdige versies van de gebeurtenissen maken dat het hof niet met voldoende zekerheid kan vaststellen of [naam1] met haar auto tegen [appellant] is aangereden. Die onzekerheid over wat is gebeurd blijft bestaan, ook wanneer het hof de verklaring van [naam9] bij de bewijswaardering betrekt. Ook het feit dat bij een aantal getuigen de mondelinge verklaringen op onderdelen afwijken van de schriftelijke, maakt niet dat het hof de ene versie veel overtuigender vindt dan de andere. Alleen al het tijdsverloop tussen de schriftelijke en mondelinge verklaringen kan tot die verschillen hebben geleid. Dat [naam1] de door haar ouders ondertekende schriftelijke verklaringen zou hebben opgetekend (de handschriften lijken te verschillen, net als de tekenstijlen van de bijgevoegde situatieschetsen), betekent nog niet dat haar ouders dit niet hebben verklaard. Zij hebben hun verklaringen vervolgens bij de kantonrechter herhaald. Daarbij heeft de vader van [naam1] verklaard dat hij zich niet alles goed kan herinneren omdat hij last heeft van Alzheimer, maar desondanks heeft hij tegenover de kantonrechter een duidelijke verklaring afgelegd. Ook wanneer dit allemaal in ogenschouw wordt genomen, durft het hof niet met voldoende zekerheid te zeggen dat [naam1] en haar familie en vriendin als getuigen onbetrouwbaar zijn en [appellant] en haar familie en buurvrouwen niet.
De onzekerheid over wat zich heeft voorgedaan, komt ten laste van [appellant] . Zij is degene op wie de bewijslast rust en die dus het bewijsrisico draagt van het niet kunnen vaststellen van de gestelde feiten. Omdat [appellant] niet heeft weten te bewijzen dat zij schade heeft geleden doordat de bij Allianz verzekerde auto tegen haar aan is gereden, is de op die grondslag gebaseerde vordering door de kantonrechter terecht afgewezen.
Geen nadere bewijslevering
[appellant] heeft al getuigen doen horen en heeft een schriftelijke verklaring van getuige [naam9] in het geding gebracht. [appellant] vraagt om in hoger beroep [naam9] als getuige te horen. Het hof overweegt dat de eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn in dit geval meebrengt dat [appellant] nader had moeten aangegeven in hoeverre [naam9] meer of anders kan verklaren dan zij al in haar schriftelijke verklaring heeft gedaan. Daarover heeft [appellant] echter niets gesteld. Daarom passeert het hof haar bewijsaanbod.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 10 maart 2025;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Allianz:
€ 827 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Allianz (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, L. Janse en G.J. Meijer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.