ECLI:NL:GHARL:2026:5332

ECLI:NL:GHARL:2026:5332

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer 200.355.615
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bank spreekt borg aan na faillissement vennootschap. Beroep op rechtsverwerking en op dwaling. Verwijten schending zorgplicht bij aangaan borgstelling en bij executoriale verkoop onroerend goed van vennootschap.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.355.615

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 571668

arrest van 18 augustus 2026

in de zaak van

[appellant]

die woont [woonplaats]

hierna: [appellant]

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer

en

Coöperatieve Rabobank U.A.

die is gevestigd in Amsterdam

hierna: Rabobank

advocaat: mr. S. Kuipers

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 4 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

de memorie van grieven

de memorie van antwoord

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 9 juni 2026 is gehouden

Partijen hebben vervolgens het hof gevraagd arrest te wijzen.

2. De kern van de zaak

Deze zaak gaat over de vraag of Rabobank [appellant] als borg kan aanspreken.

Rabobank heeft bij de rechtbank betaling gevorderd van € 106.903,-, vermeerderd met rente en kosten. [appellant] heeft in reconventie schadevergoeding gevorderd onder de voorwaarde dat sprake is van een aan Rabobank toerekenbare tekortkoming.

De rechtbank heeft de vordering van Rabobank in conventie toegewezen en heeft geoordeeld dat niet wordt toegekomen aan de voorwaardelijk ingestelde vordering in reconventie. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van rechtsverwerking, dat het beroep van [appellant] op dwaling en zorgplichtschending rondom het aangaan van de borgtocht niet slaagt, en dat evenmin de zorgplicht bij de executie van het recht van erfpacht is geschonden.

De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen van Rabobank alsnog worden afgewezen. Daarnaast vordert [appellant] in hoger beroep dat zijn reconventionele vordering alsnog wordt toegewezen.

Het hof zal beslissen dat [appellant] geen gelijk krijgt in hoger beroep. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand. Het hof zal hierna eerst ingaan op de feiten in deze zaak en daarna uitleggen hoe het tot zijn beslissing is gekomen.

3. De feiten

Op 20 december 2005 heeft [appellant] de aandelen in Polder Aviation B.V. (hierna: Polder Aviation) van zijn vader overgenomen. [appellant] is toen ook bestuurder van Polder Aviation geworden. Daarvoor was hij in dienst van die vennootschap. Op 30 december 2005 verkreeg Polder Aviation het recht van erfpacht van een perceel grond met opstallen, te weten een bedrijfsgebouw met hangar. Het recht van erfpacht liep af in 2015. [appellant] heeft zich op 27 december 2005 borg gesteld in verband met de kredietfaciliteit die Rabobank aan Polder Aviation had verstrekt ter financiering van de aankoop van de hangar.

In 2011 is Polder Aviation failliet gegaan. Het recht van erfpacht is daarna in 2011 geveild op een openbare executieveiling voor een bedrag van € 17.000,-. In 2013 hebben de kopers het recht van erfpacht weer doorverkocht voor een bedrag van € 100.000,-.

Rabobank heeft na de executieveiling [appellant] als borg aangesproken tot betaling van het restant van haar vordering op Polder Aviation.

[appellant] is in een verstekvonnis van de kantonrechter van 25 maart 2015 veroordeeld tot betaling van € 25.000,-. Rabobank had in die procedure haar vordering begrensd tot dit bedrag. Zij had in de dagvaarding opgemerkt dat zij zich het recht op het meerdere voorbehield. [appellant] heeft aan deze veroordeling (na loonbeslag) voldaan.

[appellant] is vervolgens in 2017, 2020, 2021 en 2023 aangesproken tot betaling van het door Rabobank gestelde restant van haar vordering. Op 4 april 2017 heeft de incassogemachtigde van Rabobank [appellant] een bericht gestuurd waarin staat dat [appellant] nog niet alles heeft betaald en nog een bedrag van € 0,- moet betalen waarvoor een termijn van tien dagen wordt gegeven. In het dossier bevindt zich nog een bericht van dezelfde datum, waarin staat dat [appellant] nog een bedrag van € 107.926,85 moet betalen.

In een e-mailbericht van 9 augustus 2019 heeft [appellant] een voorstel aan de incassogemachtigde van Rabobank gedaan dat Rabobank niet heeft geaccepteerd. Hierin staat onder meer:

De volledige vordering van Rabobank bedroeg €127.506,61. In 2017 is dit dossier gesplitst en is een loonbeslag gelegd voor een bedrag van +/- €28.000 (...), welke in 2017 is afgerond.

Uw dossier met nummer (...) is een tweede vordering op de volledige vordering van de Rabobank en bedraagt €109.039,43. Rente buiten beschouwing gelaten zou na het loonbeslag de totale openstaande vordering €99,000,00 zijn. Door de renteopslag valt dit bedrag €10.000,00 hoger uit.

4. De toelichting op de beslissing van het hof

Er is geen sprake van rechtsverwerking

Volgens [appellant] mocht hij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat Rabobank geen aanspraak meer zou maken op het restant van haar vordering, zodat Rabobank haar rechten heeft verwerkt. Hij voert hiervoor aan dat hij bij verstek is veroordeeld tot betaling van € 25.000,- in hoofdsom en nooit goed heeft begrepen dat de vordering in die procedure bij de kantonrechter was beperkt in verband met de competentiegrens. In een mailbericht van (de gemachtigde van) Rabobank van 4 april 2017 staat dat hij nog een bedrag moet betalen van € 0,- zodat hij er op dat moment gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hem finale kwijting is verleend. Verder wijst [appellant] er op dat zijn vader als mede-borg niet is aangesproken, wat voor hem ook een bevestiging was dat hem finale kwijting was verleend. Ten slotte voert [appellant] aan dat hij geen BKR-registratie meer had na voldoening aan de veroordeling uit het verstekvonnis, wat erop duidt dat de registratie is doorgehaald door Rabobank.

De door [appellant] aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Rechtsverwerking veronderstelt een houding of gedraging (handelen of nalaten) van een contractspartij, die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nadien inroepen van een krachtens de overeenkomst geldende regel, waaraan die partij een recht ontleent. Alleen tijdsverloop is voor rechtsverwerking onvoldoende. Gelet op de gesloten borgtochtovereenkomst kon Rabobank [appellant] voor het daarin vermelde bedrag aanspreken toen de hoofdschuldenaar Polder Aviation als gevolg van het faillissement in de nakoming van de kredietovereenkomst tekortschoot. De omstandigheid dat Rabobank niet eerst of niet mede de vader van [appellant] als mede-borg heeft aangesproken doet aan haar bevoegdheid niet af. Uit de akte van borgtocht én uit artikel 2 lid 1 van de Algemene voorwaarden voor borgtocht van de Rabobank 2004 volgt dat [appellant] en zijn vader hoofdelijk verbonden waren. Rabobank heeft nooit laten weten af te zien van haar vordering op [appellant] en heeft in haar berichten na de verstekprocedure juist telkens aanspraak gemaakt op betaling van het volgens haar verschuldigde restantbedrag. Dat in één bericht van Rabobank van 4 april 2017 staat dat er nog een bedrag van € 0,- betaald moet worden (dit zag wellicht op de aflossing van het bedrag van het verstekvonnis), legt te weinig gewicht in de schaal, temeer omdat in dit bericht ook staat dat nog niet alles is betaald. In een ander bericht van dezelfde datum maakt Rabobank juist aanspraak op het restantbedrag. Er blijkt ook nergens uit dat [appellant] , als gevolg van dit ene bericht of als gevolg van de andere door hem gestelde omstandigheden, werkelijk ervan uitging dat hem kwijting was verleend. Integendeel, uit het hiervoor onder 3.6 vermelde bericht van 2019 is duidelijk dat [appellant] toen nog steeds tot uitgangspunt nam dat Rabobank een vordering op hem had. Er bestaan dus geen aanknopingspunten die het door [appellant] in deze procedure gestelde gerechtvaardigd vertrouwen dat hem kwijting zou zijn verleend onderschrijven.

De verwijten van [appellant] over het aangaan van de borgstelling gaan niet op

[appellant] maakt Rabobank een aantal verwijten rond het aangaan van de financiering en de borgstelling. [appellant] verwijt Rabobank dat hij niet is gewezen op een mogelijk andere financieringsconstructie en dat hij nooit is geïnformeerd over de privé risico’s ingeval van een bedrijfsfiasco. Volgens [appellant] is het onbegrijpelijk dat Rabobank deze constructie heeft bedacht. Ook voert [appellant] aan dat Polder Aviation vanwege de beperkte doelomschrijving krachtens haar statuten de hangar niet had mogen aankopen. Bij een juiste voorstelling van zaken zou [appellant] een borgtocht als de onderhavige niet zijn aangegaan. Volgens [appellant] is er zowel sprake van dwaling als van een schending van de zorgplicht.

Het hof zal eerst het beroep op dwaling beoordelen. Het gaat in dit geval om een zakelijke borgtocht, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Weliswaar heeft [appellant] in zijn memorie van grieven opnieuw naar voren gebracht dat sprake is van een particuliere borgtocht, maar dat is niet het geval. Ook al was [appellant] eerst werknemer en is er sprake van een familieband, hij is de borgtocht aangegaan als bestuurder en aandeelhouder van Polder Aviation, en dat heeft hij gedaan in het kader van de normale uitoefening van het bedrijf. Er bestaat dan geen grond om de borgtocht toch als een particuliere borgtocht te zien.

Voor een zakelijke borg geldt in beginsel dat een dwaling van de borg ter zake van de financiële positie van de schuldenaar voor wiens schuld de borgtocht tot zekerheid strekt, naar de aard van de borgtocht voor rekening van de borg behoort te blijven. Dat is niet zo als de dwaling te wijten is aan de wederpartij van de borg, in die zin dat zij is teweeggebracht door gedragingen van die wederpartij zoals bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder a of b BW. Het hof begrijpt de argumenten van [appellant] zo, dat hij stelt dat van dit laatste sprake is omdat Rabobank hem nooit heeft geïnformeerd over de omvang van de risico’s die hij liep.

Een onder invloed van dwaling tot stand gekomen overeenkomst is vernietigbaar onder meer indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten (art. 6:228 lid 1 onder b BW). Op degene die een financieel product of een financiële dienst aanbiedt aan een wederpartij die daarover geen specifieke deskundigheid heeft of mag worden verondersteld te hebben, zal in het algemeen een mededelingsplicht rusten om redelijkerwijs te voorkomen dat die wederpartij de overeenkomst aangaat onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. De aanbieder dient inlichtingen te verschaffen die voldoende duidelijk zijn om te bewerkstelligen dat de wederpartij tijdig inzicht kan krijgen in de wezenlijke kenmerken van dat product of die dienst. Omvang en inhoud van deze mededelingsplicht zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Het gaat hier om een zakelijke borgtochtovereenkomst tussen Rabobank en [appellant] , naast een aan Polder Aviation verstrekte financiering. De borgtocht is geen ingewikkeld financieel product waarvoor specifieke kennis is vereist om dit te kunnen doorgronden. Uit de akte van borgtocht volgt dat [appellant] zich als borg tegenover Rabobank verbindt tot zekerheid van wat Rabobank van Polder Aviation te vorderen heeft. Verder staat in de akte van borgtocht duidelijk dat [appellant] hoofdelijk kan worden aangesproken voor een maximumbedrag van € 180.000,-. [appellant] heeft in de akte van borg met de hand geschreven dat hij “goed als borg voor honderd tachtig duizend euro met rente en kosten” is. Hiermee is voldoende informatie verschaft waaruit [appellant] inzicht heeft kunnen krijgen in de wezenlijke kenmerken en risico’s van een borgtocht, en de omvang van die risico’s. Voor zover [appellant] stelt te hebben gedwaald ten aanzien van het sluiten van de geldleningsovereenkomst is van belang dat niet hij, maar de vennootschap die financiering is aangegaan. Los daarvan geldt ook voor de verstrekte financiering dat uit de ondertekende overeenkomst duidelijk blijkt wat de wezenlijke kenmerken en risico’s van de in dat kader afgesloten vastrentende geldlening en het rekening-courantkrediet waren. Ook voor de geldlening en het rekening-courantkrediet geldt dat dit geen ingewikkelde financiële producten zijn. Het beroep op dwaling slaagt gelet op het voorgaande dus niet.

Over de door [appellant] gestelde zorgplichtschending oordeelt het hof als volgt. De maatschappelijke functie en deskundigheid van een bank brengen mee dat een bank een zorgplicht heeft tegenover haar klanten. De omvang van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Zoals hiervoor al is opgemerkt zijn de verstrekte financiering aan Polder Aviation en de door [appellant] afgegeven zakelijke borgtocht overzichtelijke financiële producten, waarvan de gevolgen en de financiële risico’s duidelijk zijn. [appellant] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat zijn vader hem had gevraagd om de onderneming over te nemen, dat zijn vader toen heeft gezegd dat hij met de bank zou gaan praten omdat [appellant] ook de hangar moest overnemen en dat Rabobank [appellant] daarna heeft uitgenodigd en het financieringsvoorstel ter ondertekening heeft voorgelegd. Wat hiervan ook zij, [appellant] heeft de keuze gemaakt om de onderneming over te nemen en namens Polder Aviation de financiering aan te gaan en een borgstelling af te geven. De zorgplicht brengt niet mee dat Rabobank ook had moeten adviseren over (alternatieve) mogelijkheden voor [appellant] om de aandelen en de hangar over te nemen. Zo hoefde Rabobank niet uit hoofde van haar bancaire zorgplicht te wijzen op de mogelijkheid dat de hangar in privé van zijn vader naar [appellant] overgedragen had kunnen worden. De stelling dat Polder Aviation gelet op de beperkte doelomschrijving in haar statuten de hangar niet had mogen aankopen, levert evenmin een zorgplichtschending van Rabobank ten opzichte van [appellant] op. Daargelaten dat het de vraag is of van een dergelijke overschrijding sprake is (Rabobank heeft dit gemotiveerd weersproken), is onduidelijk waarom de bank [appellant] , die zelf bestuurder was van Polder Aviation en hiermee bekend zou moeten zijn, daarvoor had moeten waarschuwen.

De verwijten van [appellant] over de executoriale verkoop gaan ook niet op

Verder maakt [appellant] Rabobank een aantal verwijten over de executoriale verkoop. Volgens [appellant] is er te lichtvaardig tot executoriale verkoop overgegaan zonder eerst over een verlenging van de erfpacht te onderhandelen. Gelet op de opbrengst bij de doorverkoop twee jaar later, ligt daarin besloten dat de verkoop in 2011 ook meer had kunnen opbrengen. [appellant] was bekend met potentiële overnamekandidaten maar de curator en Rabobank hebben hem niet om informatie verzocht. Evenmin is er aan potentiële kopers de voorwaarde gesteld dat zorg moest worden gedragen voor verlenging van de erfpacht. Verder is volgens [appellant] de mogelijkheid van een onderhands verkooptraject niet onderzocht. De restschuld is volgens hem onnodig ontstaan.

Voor het hof is van belang dat de hoofdschuldenaar Polder Aviation gefailleerd was en (daarna) niet meer aan haar verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst voldeed. Niet ter discussie staat dat Rabobank als hypotheekhouder in de gegeven omstandigheden bevoegd was om tot parate executie over te gaan. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat Rabobank daarbij misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt of een zorgplicht heeft geschonden. Er rustte in dit geval op de bank geen verplichting ten opzichte van [appellant] als borg, om zich eerst in te spannen om een verlenging van de aflopende erfpacht te bewerkstelligen voordat zij mocht overgaan tot verkoop. Dat er op dat moment concrete aanknopingspunten waren dat die erfpacht verlengd kon worden is ook onvoldoende gebleken. In het hiervoor onder 3.6 vermelde bericht van 9 augustus 2019 heeft [appellant] juist geschreven dat de reden voor de lage opbrengst van de executieverkoop was dat de termijn van erfpacht zou verlopen en de erfverpachter niet bereid was te verlengen. Voor zover [appellant] nu erop wijst dat er onderhandse mogelijkheden waren en dat hij potentiële kopers kende, had het op zijn weg gelegen om Rabobank en/of de curator daar destijds op te wijzen, maar dat heeft hij toen nagelaten. De omstandigheid dat er bij de executieveiling ook geen andere gegadigden dan de uiteindelijke koper waren, duidt erop dat er geen serieuze andere gegadigden waren. Weliswaar is het recht van erfpacht in 2013 voor een beduidend hoger bedrag doorverkocht, maar de omstandigheden waaronder dat is gebeurd zijn niet verder toegelicht. Dat er in 2011 werkelijk een reële mogelijkheid op een hogere opbrengst was, blijkt verder nergens uit. Het had dan voor de hand gelegen dat [appellant] daar in 2011 een punt van had gemaakt, maar dat heeft hij niet gedaan. [appellant] heeft in hoger beroep ook nog een beroep gedaan op artikel 5:99 lid 1 BW, maar dat kan het hof niet plaatsen. Het recht van erfpacht is niet geëindigd maar geëxecuteerd, en een eventuele verplichting tot vergoeding van een investering zou tussen Polder Aviation en de grondeigenaar, Luchthaven Lelystad, hebben gespeeld. Wat in dit kader van de bank ten opzichte van [appellant] als borg verwacht had mogen worden is ook niet duidelijk geworden.

De overige argumenten kunnen niet tot een andere uitkomst leiden

De rechtbank heeft in een overweging ten overvloede opgemerkt dat banken doorgaans bereid zijn een regeling te treffen met particulieren die inzage geven in hun inkomens- en vermogenspositie. Volgens [appellant] geeft Rabobank ten onrechte geen uitvoering aan dat beleid of deze toezegging. De bezwaren die [appellant] hierover naar voren brengt, kunnen niet tot een andere beslissing leiden. Voor zover [appellant] hiermee bedoelt aan te voeren dat hem is toegezegd dat Rabobank een deel van de vordering zal kwijtschelden, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat partijen dat onvoorwaardelijk zijn overeengekomen. Er is kennelijk tijdens de rechtbankprocedure gesproken over de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden tot een regeling te komen, maar er is niet gebleken dat partijen hierover tot (volledige) overeenstemming zijn gekomen.

[appellant] heeft ook nog een beroep op matiging gedaan. Matiging is echter bij een vordering tot nakoming van de verplichting uit hoofde van de borgtochtovereenkomst niet aan de orde. Voor zover [appellant] hiermee bedoelt aan te voeren dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Rabobank de restantvordering op grond van de borgtochtovereenkomst opeist, gaat dat niet op. De rechter moet bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW terughoudendheid betrachten en het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot de conclusie van onaanvaardbaarheid zouden kunnen leiden. Het hof neemt zonder meer aan dat de impact van de vordering voor [appellant] groot is, maar ook dat volstaat niet om juridisch niet langer gebonden te zijn aan de verplichtingen uit de borgtochtovereenkomst.

De conclusie is dat Rabobank op grond van de borgtochtovereenkomst een restantvordering heeft waarvoor zij [appellant] kan aanspreken. Tegen de omvang van de vordering zijn geen afzonderlijke bezwaren naar voren gebracht. Een tegenvordering tot schadevergoeding van [appellant] op Rabobank kan niet worden vastgesteld. Wat partijen verder nog hebben aangevoerd (zoals het beroep van [appellant] op eigen schuld en het beroep van Rabobank op schending klachtplicht en verjaring), kan niet tot een andere uitkomst leiden en hoeft daarom niet te worden besproken. Het hof komt niet toe aan bewijslevering, omdat er ook in hoger beroep niet een bewijsaanbod is gedaan van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden.

De conclusie en de proceskosten

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 4 december 2024;

veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Rabobank:

€ 6.803,- aan griffierecht

€ 7.594,- aan salaris van de advocaat van Rabobank (2 procespunten x het toepasselijke tarief V)

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en bepaalt dat als niet op tijd wordt betaald, die kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente.

Dit arrest is gewezen door mrs. C. Bakker, G.R. den Dekker en J.G.B. Pikkemaat, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand