GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.361.300
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 11318827
arrest van 18 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. D.F. Briedé
tegen:
Gemeente Apeldoorn (de gemeente)
die is gevestigd in Apeldoorn
advocaat: mr. M.C. Mulder
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Apeldoorn, op 28 mei 2025 (en hersteld op 16 september 2025) tussen partijen heeft gewezen.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
een akte van [appellant] met producties
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 29 juli 2026 is gehouden.
2. De kern van de zaak
[appellant] heeft een standplaats gehuurd op een camping in Loenen. De gemeente heeft de camping gekocht en de huurovereenkomst opgezegd. [appellant] is het daarmee niet eens. Hij vindt dat de opzegging niet rechtsgeldig is en dat de gemeente (als verhuurder) onzorgvuldig heeft gehandeld.
De gemeente heeft bij de kantonrechter (in conventie) gevorderd: een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst door opzegging is geëindigd per 1 januari 2025 en ontruiming van de standplaats. [appellant] heeft bij de kantonrechter (in reconventie) een aantal tegenvorderingen ingesteld. Die vorderingen komen in de kern neer op verklaringen voor recht dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd en dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met Europese richtlijnen, toekenning van een (aanvullende) schadevergoeding, nakoming van de huurovereenkomst en een verbod tot opzegging van de huurovereenkomst anders dan op basis van een zwaarwegende grond en met een aanbod tot schadevergoeding en. Ook heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd over de Vereniging De Marshoeve Gaat Door en haar bestuurders die in hoger beroep niet meer aan de orde is. De kantonrechter heeft de vorderingen van de gemeente toegewezen en die van [appellant] afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.
[appellant] is het met dit vonnis niet eens. Hij heeft zijn vorderingen in hoger beroep gewijzigd. Hij vordert, verkort weergegeven:-primair: verklaring voor recht dat de huuropzegging geen rechtsgevolg heeft en de huurovereenkomst is blijven voortduren, met veroordeling van de gemeente tot schadevergoeding
-subsidiair: verklaring voor recht dat de gemeente bij de beëindiging van de huurovereenkomst toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig/in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld om de in het petitum onder a. tot en met f. vermelde redenen, met veroordeling van de gemeente tot schadevergoeding-in beide gevallen: verklaring voor recht dat de door de gemeente uitgevoerde ontmantelings- en afbraakwerkzaamheden met als gevolg vermindering van voorzieningen een gebrek opleveren in de zin van artikel 7:204 BW, vermindering van de huurprijs op grond van artikel 7:207 BW, veroordeling van de gemeente tot vergoeding van aanvullende schade op grond van artikel 7:208 BW en te bepalen dat [appellant] niet tot ontruiming gehouden is voordat de schadevergoeding volledig is voldaan.
Het hof zal beslissen dat de gemeente de huurovereenkomst mocht opzeggen en dat zij geen nadere betalingen aan [appellant] hoeft te doen. Het hof laat dus het vonnis van de kantonrechter in stand en licht dit oordeel hierna toe.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
De achtergrond van de zaak
[appellant] heeft in januari 2023 een onderkomen gekocht op standplaats 138 op camping De Marshoeve in Loenen (de camping) voor een prijs van € 23.500,-. [appellant] noemt het gekochte een chalet, de gemeente een stacaravan. Het hof zal hierna de aanduiding van [appellant] volgen, ook omdat dat voor de beoordeling niet uitmaakt. Sinds de aankoop huurde hij deze standplaats. De huurovereenkomst is mondeling gesloten met de rechtsvoorganger van de gemeente, [naam] , voor een periode van één jaar. [appellant] heeft na aankoop nog investeringen gedaan in het chalet.
De gemeente heeft in 2021 een bedrijfsschouw gehouden op de camping en veiligheidsrisico’s geconstateerd. Zij heeft dat bij brief van 14 februari 2022 aan [naam] bericht. Ook de Veiligheidsregio Noord Oost Veluwe heeft in 2022 een (brandveiligheids)controle uitgevoerd, waaruit bleek dat grootscheepse investeringen en wijzigingen moesten worden uitgevoerd om de camping toekomstbestendig te maken. [naam] heeft de camping daarna te koop gezet. De gemeente heeft in de zomer 2020 mogelijkheden onderzocht om de camping aan te kopen. Zij zag daarin de mogelijkheid twee doelstellingen te realiseren: het uit de markt halen van een niet-vitaal vakantiepark en het realiseren van woningbouw in de kern van Loenen en natuurontwikkeling (aansluitend bij de Omgevingsvisie Woest en Aantrekkelijk Apeldoorn).
De gemeente heeft vervolgens, kort gezegd, een voorlopig voorkeursrecht gevestigd op de camping op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Het college van burgemeester en wethouders van gemeente heeft in november 2022 het beginselbesluit tot aankoop van de camping genomen en de gemeenteraad heeft op 1 december 2022 de aanwijzing van de camping op grond van de Wvg bekrachtigd. De gemeente heeft in februari 2023 overeenstemming bereikt met [naam] over de verkoop van de camping. De juridische levering heeft plaatsgevonden op 17 april 2023.
De gemeente heeft in een brief van 13 april 2023 alle huurders van een standplaats op de camping geïnformeerd over haar aankoop van de camping en het doel daarvan: om er woningen te bouwen en er natuurgebied van te maken. In de brief staat verder dat de gemeente zich houdt aan de lopende huurperiode tot 1 januari 2024 en vraagt de huurders ermee rekening te houden dat de huurovereenkomsten zullen worden opgezegd.
Op 1 oktober 2023 heeft de gemeente Apeldoorn de toeristische exploitatie van de camping beëindigd door het zwembad leeg te pompen en af te sluiten, het restaurant en de toiletgebouwen te sluiten, de toercaravans weg te halen en alle seizoensplaatsen achter op het terrein te ontruimen.
In oktober 2023 heeft de gemeente Apeldoorn de huurovereenkomst [appellant] opgezegd tegen 1 januari 2025. De gemeente Apeldoorn heeft in haar opzeggingsbrief een aanbod tot compensatie opgenomen, waarbij zij voor wat betreft de hoogte van de compensatie heeft aangesloten bij de RECRON-voorwaarden voor vaste plaatsen (versie 2016).
De te beoordelen geschilpunten
Het hof zal hierna de kwesties die partijen verdeeld houden bespreken. Dat zijn:(i) wat is de kwalificatie van de huurovereenkomst en het toetsingskader?(ii) is de opzegging van de huurovereenkomst rechtsgeldig?(iii) heeft de gemeente gehandeld in strijd met haar verplichtingen als verhuurder en/of heeft zij onrechtmatig gehandeld, zodat zij schadeplichtig is?
De gemeente heeft twee procesrechtelijke punten opgeworpen. Zij vindt de grieven niet voldoende duidelijk, omdat er in de memorie van grieven geen koppeling is tussen de standpunten en de grieven, waardoor niet kenbaar is tegen welke onderdelen van het vonnis de grieven zijn gericht. Het hof verwerpt dit bezwaar. Uit de memorie van grieven blijkt duidelijk genoeg op welke punten [appellant] het niet eens is met het vonnis van de kantonrechter en uit het eigen verweer van de gemeente blijkt dat zij dat ook heeft begrepen. Volgens de gemeente heeft [appellant] verder geen grieven gericht tegen de afwijzing van zijn reconventionele vorderingen, zodat die in hoger beroep niet kunnen worden toegewezen en houden enkele van de in hoger beroep geformuleerde gewijzigde vorderingen geen verband met de oorspronkelijke vorderingen. Ook dit tweede bezwaar gaat niet op. Zoals hiervoor al opgemerkt is de memorie van grieven voldoende duidelijk en uit het feit dat niet apart is gegriefd tegen de afwijzing van de reconventionele vorderingen volgt daarom niet dat [appellant] het met die afwijzing eens is. De gemeente heeft dat ook niet zo begrepen, want zij heeft daartegen verweer gevoerd bij memorie van antwoord. Daarnaast staat het [appellant] vrij zijn vorderingen in hoger beroep te wijzigen.
(i) de huurovereenkomst: doorlopende huurovereenkomst onbebouwde grond
Er is geen schriftelijke huurovereenkomst. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een huurovereenkomst met een looptijd van een jaar, die na afloop daarvan in principe steeds wordt verlengd met een jaar en dat daarom sprake is van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook staat vast dat de RECRON-voorwaarden niet van toepassing zijn.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het gaat om huur van onbebouwde grond waarop door de huurder zelf een kampeermiddel is geplaatst en niet (ook) om de huur van woonruimte. [appellant] heeft daartegen wel een grief opgeworpen, maar hij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt en onderbouwd dat de inhoud van de overeenkomst tot een andere kwalificatie zou moeten leiden en welk gevolg dat zou moeten hebben. [appellant] voert aan dat sprake is van huur van een vaste standplaats met een niet-verplaatsbaar chalet, dat is miskend is dat [appellant] aanzienlijke meerjarige investeringen in het chalet heeft gedaan en dat de economische waarde was verbonden met de standplaats.
Vast staat dat [appellant] het chalet niet bewoonde, maar dat hij het verhuurde aan derden en daar zelf recreatief verbleef. Het hof gaat daarom uit van recreatief en commercieel gebruik van het chalet. Dat sprake was van een niet-verplaatsbaar chalet (wat daarvan het juridische gevolg ook zou zijn) is niet komen vast te staan, nu het chalet na het vonnis van de kantonrechter door hem is verplaatst. Het hof oordeelt daarom net als de kantonrechter dat sprake is van huur van onbebouwde grond, waarvoor geen huurbescherming geldt.
Dat betekent dat het hof hetzelfde toetsingskader hanteert als de kantonrechter:
Op grond van artikel 7:228 lid 2 BW kan de huurovereenkomst worden opgezegd tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW kúnnen meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. Zo kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
(ii) de opzegging van de huurovereenkomst door de gemeente is rechtsgeldig
Uitgangspunt is dus dat de gemeente de huurovereenkomst op grond van de wet mocht opzeggen met een opzegtermijn van tenminste een maand, zelfs zonder dat daaraan redenen ten grondslag liggen. [appellant] beroept zich ter ondersteuning van zijn stelling dat de opzegging niet rechtsgeldig is, op consumentenbescherming zoals voortvloeiend uit diverse Europese richtlijnen. Het hof zal dat beroep hierna (onder a) behandelen en concluderen dat dat beroep niet opgaat. Vervolgens ligt dan de vraag voor of er nadere eisen gesteld moeten worden aan de opzegging. De kantonrechter heeft die vraag positief beantwoord. Tussen partijen is niet in geschil dat die nadere eisen in dit geval maken dat opzegging slechts mogelijk is met een zwaarwegende grond, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Partijen twisten echter over of (b) die zwaarwegende grond in dit geval aanwezig is en (c ) een langere opzegtermijn en/of hogere (schade)vergoeding op zijn plaats is. Over die geschilpunten zal het hof hierna oordelen. Tot slot zal het hof ingaan op de stelling van [appellant] dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (d).
(a) Europees consumentenrecht maakt opzegging niet ongeldig
[appellant] beroept zich op artikel 38 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU), dat een hoog niveau van consumentenbescherming voorschrijft en op de consumentenbeschermingsrichtlijnen van de EU. Volgens [appellant] dient de opzegging te worden getoetst aan de bepalingen van Richtlijn 93/13/EEG2 (Richtlijn oneerlijke bedingen), Richtlijn 2011/83/EU3 (Richtlijn consumentenrechten) en Richtlijn 2005/29/EG4 (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken). [appellant] vindt dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen uit die Richtlijnen. De gemeente betwist dat.
Het hof heeft in vergelijkbare gevallen bij eerdere arresten geoordeeld over het beroep op consumentenbescherming bij de opzegging van soortgelijke huurovereenkomsten van een standplaats. Het hof blijft bij de oordelen die het in die zaken heeft gegeven. [appellant] heeft geen andere argumenten aangedragen die aanleiding geven in deze zaak anders te oordelen. Het hof verwijst dus naar die uitspraken en de in de eindnoot genoemde overwegingen. Verkort weergegeven: er is geen verplichting tot het sluiten van schriftelijke overeenkomsten en/of tot het sluiten van opzegbedingen die afwijken van artikel 7:228 lid 2 BW. Omdat geen opzegbeding is overeengekomen, kan niet worden getoetst aan artikel 6:233 BW (uitgelegd conform de Richtlijn oneerlijke bedingen) en artikel 6:193b tot en met d BW (uitgelegd conform de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken). Ook de Richtlijn consumentenrechten (als geïmplementeerd in afdeling 2b van titel 5 van Boek 6 BW) is niet van toepassing, omdat in artikel 6:230h lid 2 aanhef en onder f BW is bepaald dat die afdeling niet van toepassing is op overeenkomsten voor het doen ontstaan, verkrijgen of overdragen van (rechten op) onroerende zaken.
Het hof verwerpt dus de stelling van [appellant] dat de opzegging ongeldig is omdat deze in strijd is met de Europese regelgeving waarop hij zich beroept. Dat neemt niet weg dat, los van de toepasselijkheid daarvan, de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar of ten opzichte van hem onrechtmatig kan zijn, zoals [appellant] ook betoogt. Dit zal hierna behandeld worden.
(b) zwaarwegende grond
De huurovereenkomst is door de gemeente opgezegd wegens bedrijfsbeëindiging: de camping werd beëindigd om plaats te maken voor woningbouw en natuur. Daarvoor was (onder meer) wijziging van het bestemmingsplan nodig. Anders dan [appellant] aanvoert is dus geen sprake van herstructurering. Volgens [appellant] had de gemeente geen zwaarwegende grond voor opzegging van de huurovereenkomst. Het hof ziet dat anders en sluit zich aan bij wat de kantonrechter daarover heeft overwogen onder 5.8.5. tot en met 5.8.8. van het vonnis. Kort gezegd komt dit erop neer dat de gemeente dient te voldoen aan de behoefte aan woonruimte en belang heeft bij het omzetten van het recreatieterrein in woonruimte en natuurontwikkeling. [appellant] stelt dat er geen concreet en haalbaar plan was ten tijde van de opzegging, omdat de ontwikkeling zich nog in een verkennende fase bevond. Uit het feit dat naar verwachting pas in 2029 woningbouw gerealiseerd zal worden blijkt al dat er geen enkele urgentie was, aldus [appellant] . Het hof gaat daarin niet mee. Nog los van het feit dat voor de beoordeling van de zwaarwegende grond een concreet en haalbaar plan op zichzelf niet vereist is, ziet deze stelling er namelijk aan voorbij dat het zwaarwegend belang van de gemeente niet alleen ligt in de ontwikkeling van woningbouw en natuur, maar ook in het uit de markt halen van een camping met veiligheidsrisico’s van een eigenaar die daarin niet meer wilde investeren. Overigens waren de plannen wel degelijk al concreet, zoals onder meer blijkt uit het gevestigde voorkeursrecht. De planvorming en uitvoering zijn ook daadwerkelijk doorgegaan en het is aannemelijk dat de ontwikkeling van een dergelijk project de nodige tijd in beslag neemt, zoals de gemeente ook aanvoert.
Het hof gaat er dus vanuit dat de gemeente een voldoende zwaarwegende grond had om de huurovereenkomst op te zeggen.
(c) geen nadere eisen opzegtermijn en (schade)vergoeding
De huurovereenkomst met [appellant] is door de gemeente eind in oktober 2023 opgezegd tegen eind 2024. De gehanteerde opzegtermijn is dus ruim een jaar. Bij de beoordeling of deze termijn redelijk is moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen en zijn dus ook de aard en het gewicht van de redenen van opzegging van belang.
Het hof begrijpt goed dat [appellant] belang had bij continuering van de huurovereenkomst. Hij heeft behoorlijk geïnvesteerd in het chalet en had voor ogen dat hij daar langdurig van zou kunnen genieten voor recreatiedoeleinden en dat hij inkomsten uit onderhuur kon genereren. Het is heel vervelend voor hem dat zo snel na zijn aanschaf in 2023 de camping in andere handen is overgegaan en is gesloten, waardoor hij zijn chalet heeft moeten afvoeren. Maar daar staat tegenover dat hij een investering deed die uit de aard dit risico in zich draagt, omdat het gaat om een chalet op een gehuurd stuk grond. Hij heeft door de opzegtermijn van ruim een jaar de gelegenheid gehad om zich voor te bereiden op verplaatsing of afvoer van het chalet. Ook met een langere opzegtermijn had [appellant] de kosten daarvoor moeten maken. Daarbij komt dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat van [appellant] gevraagd had mogen worden dat hij vóór de aankoop van het chalet en het aangaan van de huurovereenkomst verder onderzoek had gedaan naar de toekomst van de camping. Hij wist namelijk dat hij een huurovereenkomst sloot op een camping die te koop stond. Hij is slechts afgegaan op de mededelingen van de verkoper van het chalet en de voormalig verhuurder [naam] , die zeiden dat de camping gewoon zou doorgaan. Hij heeft door niet ook bij de gemeente waar de camping gelegen is of bij andere bronnen navraag te doen een risico genomen.
[appellant] vindt het vooral onredelijk dat de gemeente al opzegde terwijl de plannen voor de herontwikkeling nog niet in een ver genoeg stadium waren; uit de laatste informatie blijkt dat pas in 2029 gebouwd zal gaan worden. [appellant] vindt daarom dat hij nog veel langer gebruik had kunnen maken van zijn chalet. Maar hierbij ziet [appellant] over het hoofd dat de het belang van de gemeente ook lag in het sluiten van de camping. De gemeente nam, naar tussen partijen vaststaat, een camping over met veiligheidsrisico’s. Vanwege het doel van de aankoop (namelijk bedrijfsbeëindiging ten behoeve van woningbouw en natuur) lag het niet voor de hand dat de gemeente nog alle benodigde investeringen zou gaan doen om die veiligheidsrisico’s op te heffen. Dat kon redelijkerwijs ook niet van haar gevraagd worden. Daarnaast heeft de gemeente aangevoerd dat in 2023 (maar ook daarvoor al) zich onwenselijke situaties op de camping voordeden die verband hielden met huisvesting van arbeidsmigranten. Los van het feit dat de gemeente steeds is doorgegaan met de concretisering van de herontwikkeling van de camping (wat uit de aard, gezien de omvang van het project, tijd vraagt), had zij gezien de situatie op de camping belang bij beëindiging van de bedrijfsvoering om een einde te maken aan de risico’s.
Gelet op de wederzijdse belangen oordeelt het hof dus, ook in relatie tot de hierna te bespreken (schade)vergoeding, dat de gehanteerde opzegtermijn redelijk is.
De gemeente heeft [appellant] aanvankelijk een forfaitaire vergoeding van € 2.700,- aangeboden. De kantonrechter heeft hem geen additionele vergoeding toegekend. Het hof ziet daarvoor ook geen aanleiding. Als [appellant] beter onderzoek had gedaan voordat hij het chalet aankocht, had hij op de hoogte kunnen zijn van de voorgenomen bedrijfsbeëindiging. Anders dan [appellant] aanvoert rustte op de gemeente in zijn geval niet de verplichting om eerst te onderzoeken of verplaatsing van het chalet mogelijk was en wat de feitelijke verplaatsingskosten zouden zijn. Dat ligt mogelijk anders voor huurders die een kampeermiddel permanent bewoonden, maar [appellant] gebruikte het chalet voor recreatie- en commerciële doeleinden. De omstandigheid dat de gemeente een overheidsinstelling is maakt dat niet anders. De gemeente heeft overigens onbetwist aangevoerd dat zij voor vele kwetsbare permanente bewoners het sociaal team heeft ingezet en naar oplossingen heeft gezocht. Het hof begrijpt dat de werkelijke schade van [appellant] hoger is. Maar het gaat hier niet om een schadevergoeding uit hoofde van een tekortkoming, maar om een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting tot het betalen van een (schade)vergoeding naast de opzegging van een in beginsel vrij opzegbare huurovereenkomst. [appellant] heeft onvoldoende concrete omstandigheden gesteld waaruit moet volgen dat de gemeente naast de in acht genomen redelijke opzegtermijn in het kader van die opzegging ook nog een (hogere) (schade)vergoeding had moeten aanbieden. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat zijn belang met de in acht genomen termijn onvoldoende is gediend en hij daardoor financieel is benadeeld. Anders dan [appellant] aanvoert, maakt de omstandigheid dat de gemeente bij de opzegging een lagere vergoeding aanbood de opzegging ook niet ongeldig.
(d) opzegging niet onaanvaardbaar
[appellant] vindt de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hij voert daarvoor grotendeels dezelfde argumenten aan als die hiervoor al zijn behandeld. [appellant] beroept zich op een verhoogde zorgplicht omdat de gemeente een publiekrechtelijk rechtspersoon is en zij, ook bij privaatrechtelijk handelen, de beginselen van behoorlijk bestuur moet naleven. Het hof oordeelt dat de gemeente bij de opzegging van de huurovereenkomsten de juiste stappen heeft gezet en voldoende oog heeft gehad voor de belangen van de huurders, zoals hiervoor ook is overwogen. De omstandigheden waaronder de gemeente met gebruikmaking van haar wettelijke opzegbevoegdheid en de daarvoor aanwezige zwaarwegende grond de overeenkomst heeft opgezegd maken die opzegging daarom niet onaanvaardbaar. Voor zover [appellant] ’ verwijten zien op de gestelde ontmanteling van de camping worden deze hierna besproken.
(iii) Geen schadevergoeding uit tekortkoming als verhuurder of onrechtmatig handelen
[appellant] stelt dat de gemeente ten onrechte eenzijdig het huurgenot heeft verminderd en onrechtmatig eigenrichting heeft gepleegd, doordat zij na 1 oktober 2023 de recreatieve voorzieningen op de camping heeft beëindigd. De gemeente heeft erkend dat zij de voorzieningen heeft gesloten per 1 oktober 2023. Dat was conform het gebruik op de camping, omdat per die 1 oktober het winterseizoen inging. Daartoe was de gemeente dus gerechtigd. De gemeente heeft de voorzieningen in het seizoen 2024 echter niet meer geopend en daarvoor over 2024 een huurkorting toegekend van 30% van de huursom. Het hof geeft [appellant] in zoverre gelijk dat de gemeente dat als verhuurder niet eenzijdig kon bepalen. Maar dat de door de gemeente gegeven huurkorting van 30% over de volledige huur voor 2024 niet evenredig zou zijn met het verminderde huurgenot als bedoeld in artikel 7:207 lid 1 BW is door [appellant] niet aangevoerd en verder ook niet gebleken, zodat het hof de (overigens niet gespecificeerde) vordering tot huurprijsvermindering afwijst. [appellant] heeft ook niet onderbouwd dat en welke schade hij heeft geleden doordat hij de recreatieve voorzieningen niet heeft kunnen gebruiken in het laatste seizoen.
[appellant] beroept zich er, naar het hof begrijpt, ook op dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Voor zover hij dat beroep baseert op de verwijten die ook ten grondslag liggen aan de onrechtmatige opzegging verwijst het hof naar wat het hiervoor heeft overwogen. [appellant] verwijt de gemeente ook dat zij hem niet juist heeft geïnformeerd. Hierop sluiten de vorderingen in de memorie van grieven onder 4 a en b aan. Volgens [appellant] heeft de gemeente hem essentiële informatie over al bestaande aankoop- en herontwikkelingsplannen verzwegen en hem desondanks een huurcontract aangeboden (vordering onder a) en heeft de gemeente bij het aangaan van de huurovereenkomst hem niet duidelijk en volledig geïnformeerd over de mogelijkheid van beëindiging van de camping en de gevolgen daarvan. In de memorie van grieven merkt [appellant] op dat hij, als hij had geweten van de plannen en de voorgenomen beëindiging, de standplaats niet had gehuurd.
Deze verwijten maakt [appellant] aan de verkeerde partij. Hij heeft in januari 2023 het chalet gekocht van de vorige eigenaar en de huurovereenkomst gesloten met [naam] . De gemeente was niet zijn contractspartij. Niet valt niet in te zien dat en waarom op haar een verplichting zou rusten om de voorgenomen overname en bedrijfsbeëindiging mee te delen aan potentiële nieuwe huurders zoals [appellant] . [appellant] had zelf meer informatie kunnen en moeten inwinnen omdat hij wist dat hij huurde op een camping die te koop stond. Tijdens de mondelinge behandeling is van de kant van [appellant] nog betoogd dat de informatieplicht van [naam] als verhuurder na de overname is overgegaan op de gemeente. Dat is echter niet juist, omdat alleen verplichtingen die na de overdracht opeisbaar worden overgaan op de opvolgend verhuurder (artikel 7:226 lid 1 BW). Een andere grondslag waarop een eventuele gebrekkige informatievoorziening door de vorige eigenaar van het kampeermiddel of door [naam] de gemeente kan worden aangerekend is door [appellant] niet aangevoerd.
Conclusie
De conclusie luidt dat opzegging van de huurovereenkomst rechtsgeldig is en dat de vorderingen van [appellant] worden afgewezen. Zijn hoger beroep slaagt niet. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 28 mei 2025 (en hersteld op 16 september 2025) en wijst de vorderingen van [appellant] af
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van de gemeente
in hoger beroep, tot op heden begroot op:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580 ,- aan salaris van de advocaat (2 procespunten x tarief II)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, M. Wallart en P.E. Lucassen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.