ECLI:NL:GHARL:2026:5349

ECLI:NL:GHARL:2026:5349

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer 200.350.840/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Geen schending van beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms. Bewijs dat vordering buiten invordering is gesteld is niet geleverd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.350.840/01

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/561043 / HL ZA 23-229

arrest van 18 augustus 2026

in de zaak van

1. [appellant1] ( [appellant1] )

die woont in [woonplaats]

2. [appellant2] ( [appellant2] )

die woont in [woonplaats]gezamenlijk: [appellanten]

advocaat: mr. N.A.W.E. Jansen, die zich heeft onttrokken

en

Gemeente Almere (de gemeente)

die zetelt in Almere

advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

In het tussenarrest van 11 november 2025 is - op verzoek van [appellanten] - een mondelinge behandeling bepaald. De enkelvoudige mondelinge behandeling, die aanvankelijk was bepaald op 4 februari 2026, is aangehouden in verband met een door [appellanten] ingediend wrakingsverzoek. Dit wrakingsverzoek hield verband met de weigering van het hof om de mondelinge behandeling uit te stellen nadat [appellanten] daarom hadden verzocht in verband met de onttrekking aan de zaak van hun toenmalige advocaat mr. Van der Eijk. Nadat de wrakingskamer [appellanten] op 6 maart 2026 niet-ontvankelijk had verklaard in hun wrakingsverzoek, is een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling bepaald, namelijk 30 juni 2026.

Daags voor de zitting hebben [appellanten] in een e-mail van 29 juni 2026 om aanhouding van de mondelinge behandeling gevraagd in verband met het feit dat hun advocaat mr. Jansen – die zich op 12 maart 2026 had gesteld - zich weer had onttrokken. Mr. Hagelaars heeft in een e-mail van diezelfde dag namens de gemeente bezwaar gemaakt tegen een aanhouding van de zitting. De raadsheer-commissaris heeft het verzoek om uitstel vervolgens afgewezen en de enkelvoudige mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2026 doorgang gevonden. Van de zitting is een verslag (proces-verbaal) gemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Vervolgens heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2. De kern van de zaak

[appellant1] heeft in 2011 een geldlening van € 20.000 van de gemeente ontvangen voor zijn toenmalige onderneming. [appellant2] is met [appellant1] hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van die schuld.

[appellanten] stellen dat de gemeente geen invorderbare vordering meer op hen heeft omdat de gemeente hun bij brief van 9 oktober 2015 heeft medegedeeld dat na een aflossingsperiode van vijf jaar met een aflossing van € 50 per maand, het restant van de schuld buiten invordering zou worden gesteld. De gemeente heeft dat betwist en stelt dat de betreffende brief een vervalsing is.

3. De feiten

[appellant1] heeft op 6 mei 2011 voor zijn toenmalige onderneming een geldlening in de zin van artikel 42 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) van € 20.000 van de gemeente ontvangen De regeling werd voor de gemeente uitgevoerd door het Zelfstandigenloket Flevoland (ZLF) en moest worden terugbetaald met 8% rente. [appellant2] is met [appellant1] hoofdelijk verbonden voor de terugbetaling van deze schuld.

Op 30 maart 2012 heeft [appellant1] zijn onderneming beëindigd.

In een beschikking van 6 februari 2014 heeft de gemeente besloten de lening van [appellanten] terug te vorderen. Omdat de gemeente van oordeel was dat de beëindiging van de onderneming [appellant1] niet viel te verwijten, werd beslist dat de lening vanaf 30 maart 2012 renteloos werd gemaakt. De verschuldigde leensom plus achterstallige rente is toen vastgesteld op € 21.115,56. De aflossingsverplichting werd per 1 maart 2014 (voorlopig) vastgesteld op € 822,70 per maand. Daarbij is vermeld dat, wanneer de aflossing gedurende vijf jaar geheel is voldaan, hetgeen na vijf jaar nog niet is afgelost buiten invordering zal worden gesteld. In het besluit is verder opgenomen dat als niet tijdig wordt betaald, tot invordering van het (gehele) teruggevorderde bedrag bij dwangbevel kan worden overgegaan.

[appellanten] hebben geen bezwaar in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) gemaakt tegen dit besluit en daarmee is het besluit onherroepelijk geworden.

[appellant1] hebben de in de terugvorderingsbeschikking genoemde aflossingstermijnen niet voldaan. Op 17 april 2014 heeft de gemeente [appellanten] een aanmaning gezonden. Op 3 juni 2014 heeft de gemeente een dwangbevel uitgevaardigd.

Toen betaling uitbleef, heeft de gemeente de vordering uit handen gegeven aan een incassobureau. Vervolgens is op basis van het dwangbevel onder meer executoriaal beslag op roerende zaken van [appellanten] gelegd.

Op 30 september 2015 heeft [appellant2] telefonisch contact opgenomen met het incassobureau. Ter bevestiging van het gesprek stuurde zij een e-mail aan het incassobureau waarin zij onder meer schreef:

“Conform afspraak heb ik vanmiddag een betaling aan u overgemaakt ad. € 50,00 inzake bovenstaand dossier. (…) Tevens wens ik te benadrukken dat wij onze schuld (…) zeker niet betwisten, wij erkennen deze schuld en derhalve is het ook geenszins onze bedoeling om onder deze schuld uit te komen.Met u is overeengekomen dat u deze zaak en de hieruit voortvloeiende incassomaatregelen voor in ieder geval twee maanden opschort, cq. ‘on hold’ zet (…)Voorts stel ik voor dat er halverwege december opnieuw een (telefonisch) contactmoment is tussen u en ons. Dan kunnen wij u ervan vergewissen hoe de zaken er dan financieel voorstaan en hoe wij de zaak verder kunnen afwikkelen. (…) Wanneer er op korter termijn een positieve verandering plaatsvindt in onze financiële situatie zullen wij u hiervan zeker op de hoogte stellen. (…)”

[appellanten] hebben gedurende 61 maanden maandelijks € 50 betaald en daarmee in totaal € 3.050 afgelost op de schuld aan de gemeente. De laatste betaling van [appellanten] vond plaats op 4 september 2020.

Vanaf 2 december 2020 heeft het incassobureau [appellanten] een aantal maal aangemaand tot betaling van de achterstand. Die bedroeg volgens het incassobureau op 2 december 2020 € 23.015,69 inclusief rente en kosten en minus gedane aflossingen. Op 19 januari 2022 heeft de gemeente, na een hernieuwd betalingsbevel, beslag laten leggen op de woning van [appellanten] De Rabobank, hypotheekhouder, heeft op 4 februari 2022 de gemeente aangezegd de executie over te nemen. De veiling werd gepland op 23 mei 2022.

[appellanten] hebben op 20 mei 2022 een nieuwe betalingsregeling getroffen met het incassobureau. [appellant1] mailde het incassobureau die dag:

“(…) Zoals besproken zal ik vanaf juni 75 euro per maand gaan aflossen, steeds in de eerste week van de maand. Zodra er meer ruimte is zal ik, zoals besproken het bedrag in overleg met u aanpassen.Kunt u mij bevestigen dat deze regeling is getroffen? Dan kan ik de bank ook aantonen dat wij een regeling overeen zijn gekomen.”

Het incassobureau antwoordt diezelfde ochtend:

“Bedankt voor uw email. Mijn cliënte gaat akkoord met een regeling van 75 euro per maand ingaande 7 juni 2022 voor een periode van 4 maanden waarna de regeling verhoogd zal worden. Het beslag zal blijven liggen zoals aangegeven.”

De door de gemeente ingeschakelde deurwaarder heeft de Rabobank per e-mail van 20 mei 2022 laten weten dat de geplande veiling wat haar betreft geen doorgang hoefde te vinden. De Rabobank heeft de veiling op 23 mei 2022 desondanks voortgezet. De woning is op 14 juli 2022 door de deurwaarder ontruimd.

Partijen zijn overeengekomen een deel van de overwaarde, te weten € 24.181,80 in depot op de derdenrekening van mr. Robijns, de toenmalige advocaat van [appellanten] te plaatsen, totdat hun geschil is beslecht. Mr. Robijns heeft zich nadien aan de zaak onttrokken.

4. De vorderingen en de beslissing van de rechtbank

[appellanten] hebben bij de rechtbank – voor zover in dit hoger beroep nog van belang – gevorderd:- voor recht te verklaren dat [appellanten] geen invorderbare schuld meer hebben aan de gemeente;- voor recht te verklaren dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door incasso- en executiemaatregelen te nemen en tot de verkoop en ontruiming van de woning over te gaan en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden;- te bepalen dat het in depot staande bedrag aan [appellanten] toekomt;- de gemeente te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat.

De gemeente heeft op haar beurt gevorderd:- voor recht te verklaren dat de gemeente een vordering op [appellanten] heeft van € 21.115,56 te vermeerderen met kosten en wettelijke rente, minus een bedrag van € 3.593;- te bepalen dat het in depot staande bedrag aan de gemeente moet worden voldaan;- voor recht te verklaren dat de gemeente de inboedel van [appellanten] die zij op grond van artikel 556 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft opgeslagen, mag vernietigen.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en de vorderingen van de gemeente grotendeels toegewezen. Het bij mr. Robijns in depot staande bedrag is aan de gemeente voldaan.

De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat het tussenvonnis van 10 april 2024 en het eindvonnis van 25 september 2024 worden vernietigd en hun vorderingen alsnog worden toegewezen en de vorderingen van de gemeente alsnog worden afgewezen.

Het hof zal beslissen dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hoger beroep tegen het tussenvonnis van 10 april 2024 en dat het eindvonnis van de rechtbank van 25 september 2024, zoals hersteld bij vonnis van 23 oktober 2024, moet worden bekrachtigd. Het hof licht dat hierna toe.

5. Toelichting op de beslissing van het hofGeen schending van hoor en wederhoor

[appellanten] hebben op 29 juni 2026 uitstel gevraagd van de mondelinge behandeling die (na een eerder uitstel in verband met een wrakingsverzoek) was gepland op 30 juni 2026. [appellanten] hebben daartoe aangevoerd dat hun advocaat mr. Jansen zich op de avond van 28 juni 2026 aan de zaak had onttrokken.

Het hof heeft de gemeente in de gelegenheid gesteld zich over dat uitstelverzoek uit te laten. De gemeente heeft daartegen bij monde van haar advocaat gemotiveerd bezwaar gemaakt. Het hof heeft daarna bepaald dat de zitting doorgang zou vinden.

[appellanten] hebben zich ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden omdat het hof op het uitstelverzoek heeft beslist, voordat zij kennis hadden kunnen nemen van het bezwaar van de gemeente.

Die klacht faalt. Het hof heeft immers wel degelijk hoor en wederhoor toegepast door eerst kennis te nemen van het verzoek van [appellanten] en de gemeente vervolgens in de gelegenheid te geven zich over dat verzoek uit te laten. Op basis van wat beide partijen naar voren hebben gebracht, heeft het hof zijn beslissing genomen.Belangenafweging, geen schending van het beginsel van ‘equality of arms’

[appellanten] hebben verder aangevoerd dat het hof de belangen niet goed heeft afgewogen en het uitstel niet had mogen weigeren omdat zij in een situatie van procedurele overmacht verkeerden, veroorzaakt door het de facto staken van de werkzaamheden door hun advocaat mr. Jansen in combinatie met de noodzaak tot het inbrengen van cruciaal bewijsmateriaal.

Het hof stelt voorop dat onttrekking van de advocaat aan de zaak voorafgaande aan een zitting onvoldoende reden is voor uitstel van de zitting, tenzij het hof anders beslist. (artikel 7.6 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven).

In deze zaak was het de tweede keer dat [appellanten] vlak voor de mondelinge behandeling om uitstel vroegen wegens de onttrekking van hun advocaat. De mondelinge behandeling was aanvankelijk gepland op 4 februari 2026. [appellanten] vroegen op 14 januari 2026 om aanhouding van de zitting omdat hun toenmalige advocaat, mr. S. van der Eijk, zich op 13 januari 2026 had onttrokken. De gemeente maakte bezwaar tegen uitstel. De gemeente wees erop dat mr. Van der Eijk het hof al op 9 september 2025 bij zijn verzoek om een mondelinge behandeling te bepalen, had vermeld dat de kans aanwezig was dat hij de zaak op korte termijn zou overdragen aan een andere advocaat en zich zou onttrekken en dat zijn cliënten daarvan op de hoogte waren. [appellanten] hebben dus ruim vier maanden de tijd gehad een andere advocaat te zoeken. Om die reden zag de raadsheer-commissaris geen aanleiding het uitstelverzoek te honoreren. De weigering om uitstel te verlenen was voor [appellanten] reden een wrakingsverzoek in te dienen. Dit had tot gevolg dat de mondelinge behandeling moest worden uitgesteld in afwachting van de behandeling van het wrakingsverzoek.

Nadat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk was verklaard, is een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling bepaald, namelijk 30 juni 2026. Ter toelichting op hun uitstelverzoek van 29 juni 2026 hebben [appellanten] aangevoerd dat zij mr. Jansen opdracht hadden gegeven stukken in het geding te brengen die duiden op procesbedrog door de wederpartij, maar dat mr. Jansen had nagelaten dat te doen en bovendien had laten weten dat hij weigerde “op de zitting met stukken te gaan wapperen”, waarna hij zich op zondagavond 28 juni 2026 aan de zaak had onttrokken. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat zij daardoor niet in staat zijn volwaardig juridisch verweer te voeren en dat daarmee sprake is van schending van het beginsel van “equality of arms”.

Van zo’n schending is naar het oordeel van het hof geen sprake. Uit de spreeknotitie die [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgedragen, blijkt dat zij genoemde stukken al in maart 2026 aan mr. Jansen hadden verstrekt. Er was derhalve voldoende gelegenheid die stukken tijdig voor de zitting in het geding te brengen. Dat mr. Jansen dat niet heeft gedaan en aanleiding heeft gezien zich kort voor de zitting aan de zaak te onttrekken, komt voor risico van [appellanten] Zij hebben als appellanten in de procedure in hoger beroep ruimschoots de gelegenheid gehad stukken in te brengen, zodat zij door de weigering de zitting aan te houden niet in hun processuele belangen zijn geschaad.

Het hof merkt daarbij nog op dat [appellanten] er tijdens de mondelinge behandeling nadrukkelijk op zijn gewezen dat zij de gelegenheid hadden inhoudelijk op de zaak in te gaan. Zij hebben er desondanks uitdrukkelijk van afgezien om van die mogelijkheid gebruik te maken, zoals zij ook in de door hen voorbereide spreeknotitie hebben aangekondigd.Omvang van het geschil in hoger beroep

[appellanten] verwijten de gemeente onrechtmatig te hebben gehandeld door incasso- en executiemaatregelen te nemen en de woning te veilen en ontruimen. Zij hebben aan hun vorderingen de stelling ten grondslag gelegd dat zij in september 2015 met de gemeente hebben afgesproken dat zij gedurende 60 maanden € 50 per maand op de schuld zouden aflossen en dat de gemeente het restant van de vordering buiten invordering zou stellen. Zij beroepen zich in dat verband op een brief van het ZLF van 9 oktober 2015.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 10 april 2024 geoordeeld dat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld wat de verkoop en ontruiming van de woning betreft. Dit omdat niet de gemeente, maar de Rabobank, die zelf ook een vordering op [appellanten] had, opdracht tot verkoop en ontruiming van de woning heeft gegeven. De rechtbank heeft in dat verband nog overwogen dat de gemeente, nadat verzoekers alsnog een betalingsregeling met de gemeente hadden getroffen, de bank heeft laten weten dat de ontruiming wat de gemeente betrof geen doorgang hoefde te vinden.

[appellanten] hebben geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank zodat in dit hoger beroep vast staat dat de gemeente niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de executie en de ontruiming. Vanwege het ontbreken van grieven zullen [appellanten] in hun hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wat het nemen van incassomaatregelen betreft, heeft de rechtbank in haar tussenvonnis overwogen dat [appellanten] voor het eerst in 2023, een jaar na de executoriale verkoop van de woning, de stelling hebben ingenomen dat de gemeente de vordering al in 2015 buiten invordering heeft gesteld. In dat kader hebben [appellanten] een kopie van een brief van 9 oktober 2015 overgelegd, waarvan de gemeente de authenticiteit heeft betwist. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis [appellanten] opgedragen hun stelling te bewijzen. Ook tegen die bewijsopdracht is geen grief gericht.

In het eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat het bewijs niet geleverd is en dat het bedrag dat in verband met dit geschil in depot was gestort op de derdenrekening van de advocaat van [appellanten] aan de gemeente moet worden uitbetaald.

Verzoekers hebben drie grieven geformuleerd tegen het eindvonnis. Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op de door henzelf geschreven brief met bijlagen, die door hun advocaat als bijlage bij akte in het geding is gebracht. Grief 2 luidt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [appellanten] niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd. Grief 3 is gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van de gemeente.

[appellanten] hebben geen grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de gemeente de inboedel mag vernietigen. Daardoor ligt in dit hoger beroep alleen de vraag voor of de gemeente haar vordering in 2015 buiten invordering heeft gesteld en of het in depot staande bedrag aan verzoekers dan wel aan de gemeente toekomt. Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] , anders dan zij in de inleiding op hun grieven stellen, niet in het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.Op producties waarvan de relevantie niet in de processtukken wordt toegelicht, hoeft de rechter geen acht te slaan

Na het tussenvonnis van de rechtbank van 10 april 2024, waarin aan [appellanten] een bewijsopdracht was verstrekt, heeft hun advocaat een akte genomen waarbij een door Duivendijk c.s. zelf opgesteld, zeer uitvoerig stuk met 23 producties werd overgelegd met de mededeling dat de inhoud daarvan voor zich spreekt. In de akte wordt uitsluitend verwezen naar delen van productie 13 (waarop het hof hierna bij de bespreking van grief II zal ingaan).

In de memorie van grieven in hoger beroep wordt evenmin toegelicht op welke uit de bij genoemde akte in het geding gebrachte stukken blijkende feiten en omstandigheden een beroep wordt gedaan.

De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan. Het is dus niet aan de rechter om zelf op zoek te gaan naar gegevens in producties die de stellingen van [appellanten] zouden kunnen ondersteunen (de zogeheten wegwijsplicht bij producties). De rechtbank heeft daarmee terecht alle overige producties buiten de beoordeling van de bewijslevering buiten beschouwing gelaten.

Grief 1 faalt.

Geen bewijs dat de vordering buiten invordering is gesteld

De enige toelichting die in de akte van 22 mei 2024 op de bij die akte in het geding gebrachte stukken is gegeven, is dat uit delen van productie 13 (de pagina’s 7, 11, 15 tot en met 17 daarvan) blijkt dat er overleg is geweest tussen [appellanten] en vertegenwoordigers van de gemeente en dat dat dient ten bewijze van de stelling dat de vordering buiten invordering is gesteld.

Uit de betreffende pagina’s (waaronder het in rov. 3.7 bedoelde e-mailbericht van 30 september 2015) blijkt echter niet dat de vordering buiten in vordering is gesteld. Daaruit blijkt alleen dat er in september 2015 een betalingsregeling is getroffen van € 50 per maand en dat [appellanten] voorstellen halverwege december 2015 te bezien hoe de zaken er dan financieel voorstaan en hoe ze de zaak verder kunnen afwikkelen. [appellanten] schrijven dat zij dan mogelijk een akkoord kunnen aanbieden tegen finale kwijting. Dat het daarvan vervolgens is gekomen, blijkt echter niet. Een toereikende verklaring waarom [appellanten] ondanks een door hen gestelde buiten invorderingstelling toch bereid zijn geweest in mei 2022 opnieuw een betalingsregeling te treffen, ontbreekt evenzo, wat verder afbreuk doet aan de aannemelijkheid van hun stelling.

[appellanten] hebben ook overigens geen bewijs bijgebracht. Nu zij bij de rechtbank hebben afgezien van het voorbrengen van getuigen en in hoger beroep alleen maar een algemeen en geen gespecificeerd bewijsaanbod hebben gedaan, ziet het hof geen aanleiding [appellanten] alsnog toe te laten tot het leveren van getuigenbewijs. Daarmee komt ook het hof tot de slotsom dat [appellanten] niet het van hen gevraagde bewijs hebben geleverd.

Grief 2 faalt.De vorderingen van de gemeente zijn terecht (grotendeels) toegewezen

[appellanten] hebben niet bewezen dat de vordering van de gemeente buiten invordering is gesteld. Vast staat dat zij hun schuld aan de gemeente niet volledig hebben voldaan. De rechtbank heeft de vorderingen van de gemeente dan ook terecht grotendeels (namelijk met uitzondering van de gevorderde executiekosten) toegewezen.

Ook grief 3 faalt. Het hof merkt nog op dat tegen de wijze waarop de vordering door de rechtbank is toegewezen waaronder de wijze waarop het onder de betalingsregeling betaalde bedrag moet worden verrekend, geen grief is gericht.De conclusie

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6. De beslissing

Het hof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 10 april 2024;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 25 september 2024 zoals hersteld bij vonnis van 23 oktober 2024;

veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van de gemeente:

€ 2.255 aan griffierecht

€ 3.340 aan salaris van de advocaat van de gemeente (2 procespunten × tarief III in hoger beroep à € 1.670);

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, J.H. Kuiper en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand