ECLI:NL:GHARL:2026:5397

ECLI:NL:GHARL:2026:5397

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer 200.366.827
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank, waarbij is bepaald dat de man partneralimentatie moet betalen omdat hij geacht wordt een verdiencapaciteit te hebben, vernietigd en het verzoek van de vrouw om partneralimentatie alsnog afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.366.827/01 en 200.366.827/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 582261)

beschikking van 20 augustus 2026

in de zaak van

[appellant] (de man)

die woont in [woonplaats1] en verblijft in Spanje,

advocaat: mr. S.S. Zijderveld

en

[geïntimeerde] (de vrouw)

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. R.M. Potma

1. De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van 29 december 2025 van de rechtbank Midden-Nederland, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2. De procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

In beide zaaknummers:

het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 26 maart 2026;

het verweerschrift met producties;

een journaalbericht namens de man van 14 juli 2026 met bijlagen;

een journaalbericht namens de vrouw van 17 juli 2026 met een brief van mr. Potma en met bijlagen en

een journaalbericht namens de vrouw van 27 juli 2026 met bijlagen.

De zitting was op 28 juli 2026. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

3. De feiten

Partijen zijn op 8 augustus 1997 met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van 21 augustus 2023 heeft de rechtbank Gelderland tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Bij beschikking van 30 mei 2024 heeft dit hof die beschikking vernietigd voor zover daarbij een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld en het verzoek van de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen alsnog afgewezen.

De bij de beschikking van 21 augustus 2023 uitgesproken echtscheiding is niet binnen de daarvoor in artikel 1:163 lid 3 BW bepaalde termijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen (opnieuw) de echtscheiding uitgesproken.

Het huwelijk van partijen is op 10 april 2026 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 29 december 2025 in de registers van de burgerlijke stand.

De man en de vrouw zijn de ouders van vier, inmiddels meerderjarige, kinderen.

4. Het geschil

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank verder bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.409,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Wanneer de inschrijving in 2026 plaatsvindt zal de bijdrage € 1.474,- bruto per maand bedragen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De man verzoekt de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking voor zover die ziet op de partneralimentatie te schorsen voor de duur van het hoger beroep. Daarnaast is de man met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de procedure, de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man. De man verzoekt voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog wordt afgewezen.

De vrouw voert verweer en zij vraagt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen. Zij vraagt de man te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep en om de bestreden beschikking voor het overige in stand te laten en te bekrachtigen.

Bij de brief van mr. Potma van 17 juli 2026 heeft de vrouw haar verweer aangevuld in die zin dat zij verzoekt in zowel het incident als het principaal hoger beroep:

I De man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incident en principaal hoger beroep dan

wel zijn verzoeken integraal af te wijzen;

II De man primair te veroordelen in de werkelijke proceskosten van het hoger beroep,

zowel in het incident al principaal hoger beroep, thans begroot op € 11.749,32, dan

wel een bedrag als het hof juist acht;

De man subsidiair te veroordelen in de forfaitaire (conform het liquidatietarief)

proceskosten van het hoger beroep, zowel in het incident als het principaal hoger beroep;

Zowel primair als subsidiair daaronder begrepen de buitengerechtelijke kosten en

nakosten;

III De bestreden beschikking voor het overige in stand te laten, althans te bekrachtigen;

IV Althans zodanige beslissingen te nemen als het hof juist acht.

5. De overwegingen voor de beslissing

Het verzoek in het incident tot schorsing (zaaknummer 200.366.827/02)

Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Zijderveld namens de man het schorsingsverzoek ingetrokken. Dat verzoek hoeft daarom door het hof niet te worden beoordeeld. Het hof zal de man in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

De hoofdzaak (zaaknummer 200.366.827/01)

Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Zijderveld namens de man bezwaar gemaakt tegen overlegging van de bijlagen bij het namens de vrouw ingediende journaalbericht van 27 juli 2026, aangezien die bijlagen volgens het procesreglement te laat zijn ingediend en zij geen gelegenheid meer heeft gehad om die bijlagen met de man te bespreken.

Het hof beslist dat op die bijlagen acht wordt geslagen, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en mr. Zijderveld zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende moet hebben kunnen kennisnemen van die bijlagen en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

De standpunten van partijen

De man is van mening dat hij geen partneralimentatie aan de vrouw hoeft te betalen. Hij verwijst naar de eerdere beschikking van dit hof van 30 mei 2024 waarin het hof de eerste echtscheidingsbeschikking van 31 augustus 2023 heeft vernietigd ten aanzien van de vastgestelde partneralimentatie en het verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage van de man alsnog heeft afgewezen. Dat de in de beschikking van 30 mei 2024 uitgesproken echtscheiding (vervolgens) niet is ingeschreven en daardoor haar kracht heeft verloren, doet volgens de man niet af aan de inhoudelijke beoordeling van het hof over die partneralimentatie. Alleen daarom al zou volgens de man ook nu het verzoek van de vrouw om partneralimentatie moeten worden afgewezen.

De man stelt daarnaast dat de vrouw, gelet op haar HBO werk- en denkniveau, in staat moet worden geacht om zelf in de door de rechtbank vastgestelde aanvullende behoefte te voorzien.

De man is bovendien van mening dat hij de draagkracht mist om enig bedrag aan partneralimentatie te betalen. Het is niet reëel om hem een verdiencapaciteit toe te kennen, gelijk aan zijn inkomen van enkele jaren geleden. Hij heeft nu geen inkomen meer.

De vrouw voert aan dat de man in staat moet worden geacht om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie aan haar te betalen. Zij is van mening dat niet kan worden teruggegrepen naar de eerdere beschikking van het hof. De daarbij vernietigde bestreden beschikking heeft immers haar kracht verloren doordat de eerdere echtscheidingsbeschikking niet tijdig is ingeschreven. Bovendien is er inmiddels sprake van een wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigt.

Volgens de vrouw is zij niet in staat om zelf in haar aanvullende behoefte te voorzien. Zij is al geruime tijd ziek en ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Er is volgens haar geen vooruitzicht op arbeidsgeschiktheid. Daarnaast is de vrouw van mening dat van de man verwacht kan worden dat hij een inkomen gaat genereren, gelijk aan het inkomen dat hij ontving van zijn laatste werkgever, bij wie zijn dienstverband is beëindigd. Volgens de vrouw had de man, gelet op zijn onderhoudsverplichting, zich moeten inspannen om weer een vergelijkbaar inkomen te krijgen, zodat hij de vastgestelde partneralimentatie kan betalen.

Het oordeel van het hof

Uit de stukken en wat tijdens de zitting van het hof is verteld door partijen is het volgende gebleken. Vast staat dat partijen kort voor hun uiteengaan een vergevorderd plan hadden om samen met (een van) de kinderen naar Spanje te emigreren en daar een Bed & Breakfast (B&B) te starten. In de voorbereiding daarvan hadden zij al diverse inboedelgoederen aangeschaft en opgeslagen. Beiden zouden zij hun baan respectievelijk uitkering hier in Nederland opzeggen. Vlak voordat hun plan zou worden uitgevoerd heeft de vrouw de echtscheiding aangevraagd en is zij vertrokken uit de toenmalige echtelijke woning, waarin de man en de kinderen van partijen achterbleven. De man, die de echtscheiding in beginsel niet wilde, is kort daarna zijn baan kwijtgeraakt. Hij heeft er vervolgens voor gekozen om het plan om te emigreren door te zetten. Hij is naar Spanje vertrokken, waar hij inmiddels de zoon van partijen bijstaat in diens onderneming Exstoso B.V. De vrouw is arbeidsongeschikt geraakt en zij ontvangt een WIA-uitkering die, volgens haar verklaring, binnenkort zal worden omgezet in een uitkering op grond van de IVA (Inkomensvoorziening Volledig arbeidsongeschikten).

Het hof stelt voorop dat overduidelijk is dat beide partijen hebben geleden onder de echtscheiding, die bij hen beiden de nodige sporen heeft achtergelaten. De man heeft verklaard dat hij er destijds na het verlies van zijn baan voor heeft gekozen om geen uitkering aan te vragen omdat hij zijn hand niet wilde ophouden en alsnog wilde emigreren naar Spanje om daar een nieuw leven op te bouwen. Hij helpt daar de jongste zoon van partijen bij het opstarten van een bedrijf. Van de onderneming van zijn zoon ontvangt hij geen inkomen, maar enkel kost en inwoning.

Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in de gegeven bijzondere omstandigheden de man niet kan worden tegengeworpen dat hij de vergevorderde plannen die partijen kort voor hun uiteengaan hadden om samen te gaan emigreren naar Spanje met (een van) de kinderen, alleen heeft doorgezet. De man kan dan ook nu niet gehouden worden aan het inkomen dat hij uit zijn dienstverband, voorafgaand aan het uit elkaar gaan van partijen, in 2022 ontving. In geval van de gezamenlijk geplande emigratie zou hij zijn baan opzeggen, net zoals overigens de vrouw, met alle financiële risico’s van dien. Het inkomensverlies aan de zijde van de man is naar het oordeel van het hof dan ook niet verwijtbaar. Evenmin is het onder deze bijzondere omstandigheden in dit geval redelijk en billijk de man een fictieve verdiencapaciteit toe te kennen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stelling dat de onderneming Exstoso B.V. in feite van de man is en dat de man uit die onderneming een zodanig inkomen ontvangt of kan ontvangen dat hij voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde partneralimentatie te betalen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk gemaakt. Het hof gaat er daarom van uit dat de man geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen. Gelet op dit uitgangspunt komt het hof niet toe aan een beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw.

Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is vastgesteld. Het hof zal het desbetreffende verzoek van de vrouw alsnog afwijzen.

Het hof zal de kosten van de procedure compenseren, omdat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn schorsingsverzoek;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 december 2025, voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is vastgesteld;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw om partneralimentatie vast te stellen alsnog af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, P.B. Kamminga en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 20 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand