GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.767/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 248896)
beschikking van 20 augustus 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. O.M.M. Philips te Groningen,
en
[verweerder] (de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. J.C.M. Kempers te Assen.
In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.
1. 1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 27 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en hierna te noemen: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 februari 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 26 maart 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 25 juni 2026 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaten, en een vertegenwoordiger namens de raad.
3. De feiten
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
4. De omvang van het geschil
Tussen partijen is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor hun zoon [de minderjarige] in geschil.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat:- [de minderjarige] de ene week bij zijn moeder en de andere week bij zijn vader woont;- [de minderjarige] wisselt tussen zijn ouders op de zondagmiddag tussen 14:00 en 16:00 uur;- de ouder waar [de minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt;- de regeling zo wordt ingevuld dat [de minderjarige] bij de vader is als ook zijn kinderen uit een eerdere relatie bij hem zijn;- de ouders de schoolvakanties en feestdagen bij helfte verdelen, in redelijk overleg waarbij zij rekening moeten houden met elkaars belangen.
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 november 2025. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, de verzoeken van de vader af te wijzen en opnieuw rechtdoende:
- een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] van donderdag 17.00 uur tot zondag 17.00 bij de vader verblijft;
- te bepalen dat de moeder een FaceTime-moment met [de minderjarige] heeft op vrijdagavond en dat de vader een FaceTime-moment met [de minderjarige] heeft gedurende de tijd dat [de minderjarige] bij de moeder verblijft;
- te bepalen dat de vader [de minderjarige] , zodra hij de basisschoolleeftijd bereikt, donderdag na schooltijd zal ophalen;
- te bepalen dat [de minderjarige] gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft, met dien verstande dat [de minderjarige] gedurende de zomervakantie niet langer dan tien aaneengesloten dagen bij de vader of de moeder verblijft;- te bepalen dat feestdagen en de verjaardag van [de minderjarige] om en om worden verdeeld;- te bepalen dat [de minderjarige] op verjaardagen van zijn ouders verblijft bij de ouder die op dat moment jarig is;- te bepalen dat [de minderjarige] gedurende de andere vakanties dan de zomervakantie in de oneven weken bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder;
- te bepalen dat [de minderjarige] op verjaardagen van beide ouders verblijft bij de ouder die
dan jarig is.
De moeder heeft in haar journaalbericht van 15 juni 2026 haar verzoek gewijzigd en verduidelijkt dat zij heeft bedoeld het hof te verzoeken om een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] om de week van donderdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft, in plaats van elke week. Daarbij verzoekt zij het hof te bepalen dat de ouder waar [de minderjarige] op dat moment verblijft hem telkens naar de andere ouder brengt.
De vader voert verweer en hij verzoekt afwijzing van de verzoeken van de moeder met veroordeling van de moeder in de proceskosten.
5. De motivering van de beslissing
Wat staat in de wet?
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.
Het oordeel van het hof
Op dit moment geven de ouders uitvoering aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, waarbij [de minderjarige] om de week bij ieder van zijn ouders verblijft met het wisselmoment op zondagmiddag. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat dat gedeelte van de regeling goed loopt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank deze regeling terecht heeft vastgesteld. Ter zitting hebben de ouders geen feitelijke zorgen geuit over de situatie bij de andere ouder. Met deze verdeling van de zorg- en opvoedingstaken krijgt [de minderjarige] de mogelijkheid om door zijn beide ouders opgevoed te worden en met beide een stabiele basis en hechting te vormen. Daarbij ziet [de minderjarige] in de week dat hij bij zijn vader is zijn drie halfzussen. Het is voor hem belangrijk dat hij hen ook regelmatig ziet en met hen in gezinsverband kan opgroeien om zo een band met elkaar op te bouwen. Beide ouders hebben bovendien hun werkzame leven en inkomenssituatie afgestemd op deze week-op-week-af-regeling.
Het hof erkent het belang van het vieren van o.a. verjaardagen en Moeder- en Vaderdag op de dag zelf, maar vindt dat voor [de minderjarige] duidelijkheid en rust op dit moment zwaarder wegen. Het hof zal daarom voor deze dagen geen uitzondering opnemen in de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De ouders zijn het niet eens over de vraag naar welke basisschool [de minderjarige] op termijn zal gaan. De vader wil dat [de minderjarige] in [woonplaats2] naar de basisschool gaat. Het lijkt erop dat de moeder wil dat [de minderjarige] in [woonplaats1] naar de basisschool gaat en dat zij haar verzoek over de reguliere zorgregeling mede heeft ingediend met het oog op deze basisschoollocatie. Dit is voor het hof op dit moment echter geen argument om anders te beslissen over de reguliere zorgregeling. Het hof wil niet (indirect) voorsorteren op de locatie van de basisschool door het beperken van de reguliere zorgregeling. De keuze voor de locatie van een basisschool zal op een later moment gemaakt moet worden op grond van de feiten en omstandigheden van dat moment.
Het overige van de door de rechtbank bepaalde regeling is aan interpretatie onderhevig en zorgt bij de ouders voor onduidelijkheid en discussies. Zo heeft de vader begrepen dat de regeling zo is bepaald dat als zijn kinderen uit een eerdere relatie bij hem zijn, [de minderjarige] zonder meer ook bij hem zal verblijven, ook in de zomervakantie. Zodoende zou [de minderjarige] in de zomervakantie van 2026 drie aaneengesloten weken bij de vader verblijven. De moeder is het daar niet mee eens en heeft tevergeefs geprobeerd hierover te overleggen.
De raad adviseert het hof hierover als volgt. Voor zorgregelingen is duidelijke afstemming vooraf essentieel, vooral ten aanzien van de zomervakantie. Deze periode is immers langer en heeft een bijzondere betekenis, omdat ouders dan de gelegenheid hebben om met het kind op vakantie te gaan. Bij het vaststellen van een vakantieregeling kan worden aangesloten bij de algemene richtlijnen voor jonge kinderen. Hieruit volgt dat een aaneengesloten verblijf van drie weken bij één ouder voor een kind met de leeftijd van [de minderjarige] te lang is.
Gelet op de slechte onderlinge verstandhouding en communicatie tussen partijen acht het hof het van belang om een zo gedetailleerd mogelijke vakantieregeling vast te leggen. Enkel al omwille van de duidelijkheid zal het hof de door de rechtbank vastgestelde regeling vernietigen voor zover deze niet ziet op de week-op-week-af-regeling en opnieuw rechtdoende een regeling ten aanzien van de zomervakantie vaststellen. Het hof volgt het advies van de raad dat een periode van drie aaneengesloten weken gelet op de leeftijd van [de minderjarige] (nog) te lang is. Om die reden zal het hof in redelijkheid bepalen dat [de minderjarige] vanaf 2027 in de zomervakantie eerst twee weken aaneengesloten bij de ene ouder verblijft, daarna twee weken aangesloten bij de ander en dat tijdens de overige twee weken de reguliere zorgregeling doorloopt (week om week). Het hof zal bepalen dat tijdens de overige vakanties de reguliere zorgregeling doorloopt. Het hof is van oordeel dat deze regeling voor de vakanties in het belang van [de minderjarige] is, mede omdat het de minste aanpassing vergt van de reguliere regeling en weinig overleg tussen de ouders vereist.
Ter zitting heeft het hof haar beslissing over de zomervakantie van 2026 al medegedeeld, gelet op de zittingsdatum en de verwachte uitspraaktermijn. Deze beslissing hield in dat [de minderjarige] in de zomervakantie van 2026 volgens de lopende week-op-week-af-regeling bij de moeder en de vader verblijft en [de minderjarige] niet meerdere aaneengesloten weken bij één ouder verblijft.
Tot slot geeft het hof de ouders in overweging om een hulpverleningstraject te volgen. Mogelijk dat de rust die de nieuwe zorgregeling meebrengt ervoor zorgt dat er ruimte ontstaat om ten behoeve van [de minderjarige] aan de slag te gaan met hun onderlinge dynamiek. In dat kader wil het hof de ouders erop wijzen dat er een project genaamd ‘De Gezinsadvocaat’ bestaat. Dat project heeft aandacht voor een relatiebreuk en de gerelateerde zorg daarbij, bijvoorbeeld bij knelpunten m.b.t. de omgangsregeling of schoolkeuze van een kind. Mogelijk dat zij zich bij toekomstige conflicten daartoe kunnen wenden.
Proceskosten
De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen in de kosten van beide instanties. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat iedere partij de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 27 november 2025, voor zover daarbij uitvoerbaar bij voorraad is bepaald dat [de minderjarige] afwisselend de ene week bij zijn moeder en de andere week bij zijn vader verblijft (de week-op-week-af-regeling) met een wissel op de zondagmiddag tussen 14:00 en 16:00 uur, waarbij de ouder waar [de minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt en waarbij deze regeling zo wordt ingevuld dat [de minderjarige] bij de vader is als ook zijn kinderen uit een eerdere relatie bij hem zijn,
vernietigt de beschikking voor het overige en opnieuw beschikkende;
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties en feestdagen aldus dat:
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. van der Meulen, mr. K.H.P. Selcraig en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 20 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.