ECLI:NL:GHARL:2026:5428

ECLI:NL:GHARL:2026:5428

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer Wahv 200.362.451/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Salduz. De betrokkene is niet gewezen op het recht op rechtsbijstand. Ondanks dit verzuim kan de procedure als geheel toch als eerlijk worden beschouwd. De verklaring van de betrokkene mag dus worden gebruikt voor de vaststelling van de gedraging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 3 november 2025, betreffende

wonende te [woonplaats].

De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 180,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2022 om 15.32 uur op de Hoofdstraat in Budel-Dorplein met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 180,- omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.

3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging heeft ontkend en heeft aangegeven geen telefoon maar een powerbank te hebben vastgehouden. De kantonrechter overweegt dart de gedraging kan worden vastgesteld omdat de betrokkene bij staandehouding heeft gezegd dat hij snel wilde antwoorden, wat zijn verklaring over een powerbank onaannemelijk maakt. Deze verklaring is echter bij staandehouding in strijd met het Salduz-arrest afgelegd. Gelet op rechtspraak van het hof (ECLI:NL:GHARL:2025:7787) moet de verklaring buiten beschouwing worden gelaten omdat de betrokkene niet op het recht op rechtsbijstand is gewezen. Ondanks de uitvoerige ontkenning van de betrokkene, die heeft aangegeven dat de powerbank uit zijn broekzak viel en hij deze in zijn tas wilde doen, is er geen aanvullend proces-verbaal bij de ambtenaren opgevraagd. De gedraging kan volgens de gemachtigde dan ook niet worden vastgesteld.

4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder van de bromfiets in zijn linkerhand een zwarte mobiele telefoon vasthield terwijl hij reed op de bromfiets. (…)Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)Verklaring betrokkene: ik wilde snel antwoorden.”

5. Gelet op wat is aangevoerd moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene tijdens de staandehouding niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand. Daarom is sprake van een verzuim. Voor wat betreft het gevolg dat hieraan moet worden verbonden, moet worden beoordeeld of dit verzuim van dien aard is geweest dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moet worden aangenomen dat de betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als haar verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in haar zaak te nemen beslissing.

6. De onderhavige zaak betreft een relatief eenvoudige zaak. Tijdens de staandehouding is aan de betrokkene de cautie gegeven. Hij was meerderjarig en niet gesteld of gebleken is dat bij hem sprake was van een bijzondere kwetsbaarheid. Na ontvangst van de inleidende beschikking heeft hij rechtsbijstand ingeschakeld, waarna de rechtsbijstandsverlener administratief beroep heeft ingesteld. Gedurende die procedure is enkel aangevoerd dat de betrokkene de gedraging betwist. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld zijn de gronden niet schriftelijk aangevuld. De betrokkene heeft vervolgens de mogelijkheid gehad om door de kantonrechter en het hof te worden gehoord, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de procedure als geheel ondanks het verzuim toch als eerlijk kan worden beschouwd. Dit brengt mee dat er geen aanleiding is om de verklaring van de betrokkene niet te gebruiken voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. De grond van de gemachtigde treft dan ook geen doel.

7. Het hof ziet in wat door de gemachtigde is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. De ambtenaar verklaart dat hij een zwarte mobiele telefoon in de linkerhand van de betrokkene zag en mede in aanmerking genomen de verklaring van de betrokkene bij staandehouding dat hij snel wilde antwoorden, gaat het hof er niet vanuit dat de ambtenaar per vergissing een powerbank voor mobiele telefoon heeft aangezien. Dat de betrokkene een powerbank heeft vastgehouden in plaatse van een telefoon acht het hof dan ook niet aannemelijk. De gedraging kan daarom worden vastgesteld.

8. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter de zaak ten onrechte als samenhangend is aangemerkt met een andere zaak. In de andere zaak is een andere grond aangevoerd en zijn nadere zaakspecifieke werkzaamheden verricht.

9. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting is geschonden en het bedrag van de sanctie om die reden gematigd. Verder heeft de kantonrechter overwogen dat de onderhavige zaak en de zaak met CJIB-nummer 260578611 waarin ook hoger beroep is ingesteld (Wahv-nummer 200.362.446/01), als samenhangend worden aangemerkt. Dit is niet gemotiveerd.

10. Het hof stelt vast dat in deze zaak een zodanig op de zaak toegespitste grond is aangevoerd dat moet worden geoordeeld dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken niet (nagenoeg) identiek konden zijn. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding, moet worden vernietigd. Het hof zal voor deze zaak een op zichzelf staande vergoeding toekennen voor de proceskosten.

11. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop dienen 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt voor de fase bij de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Voor de fase van hoger beroep wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) gebruikt omdat de betrokkene alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 502,03 (= (1 x € 934,- x 0,5) + (1,5 x € 934,- x 0,25 x 0,1)).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 502,03.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Wijmenga

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand