GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 15 januari 2026, betreffende
gevestigd te [vestigingsplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 januari 2024 om 10.16 uur op de A17 in Zevenbergen met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet is verricht. De betrokkene heeft consequent verklaard dat de telefoon zich in een houder bevond en dat hij deze enkel heeft aangeraakt. De kantonrechter heeft nagelaten te motiveren waarom desondanks uit de foto zou volgen dat daadwerkelijk sprake is van vasthouden. Het voertuig van de betrokkene is voorzien van twee telefoonhouders aan weerszijden van het stuur. Foto’s daarvan zijn bij het beroepschrift gevoegd. Dit sluit aan bij de foto’s van de gedraging, waarop niet een los voorwerp in de hand van de betrokkene te zien is. In deze situatie is geen sprake van het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat zoals vereist voor het opleggen van een sanctie.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, heb het camerasysteem zodanig ingesteld dat duidelijk en onbelemmerd in voertuigen kon worden gekeken. Ik (…) zag op het bedienscherm van het camerasysteem op basis van twee opeenvolgende foto’s met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig (…) tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking, vasthield.”
5. Het dossier bevat een aantal foto’s van de gedraging. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep ook een uitvergrote foto overgelegd. Via de voorruit is de bestuurder gefotografeerd. Te zien is dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene met zijn rechterhand een telefoon omsluit. Aan de achterkant van de telefoon zijn drie vingers te zien waar het voorwerp op rust.
6. Doordat de hand van de bestuurder de telefoon omsluit zoals te zien op de foto’s van de gedraging, is niet enkel sprake van het bedienen van een telefoon maar van vasthouden in de zin van 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Dat de telefoon in een houder zat doet hier niet aan af. Voor zover de gemachtigde stelt dat alleen sprake kan zijn van vasthouden als een los voorwerp in de hand van de betrokkene te zien is, dan vindt die stelling geen steun in het recht (vgl. het arrest van het hof van 13 mei 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3012). De gedraging kan dan ook worden vastgesteld.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.