ECLI:NL:GHARL:2026:5442

ECLI:NL:GHARL:2026:5442

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 24/1234 en 24/1235
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

IB/PVV. Ondernemingsactiviteiten. Urencriterium

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers BK-ARN 24/1234 en 24/1235

uitspraakdatum: 18 augustus 2026

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 25 april 2024, nummers LEE 23/3533 en 23/3534 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en Kleinbedrijf/kantoor Almere

(hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend. Daarnaast is aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2019 opgelegd en is bij beschikking belastingrente berekend.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende verricht sinds 1 januari 2016 werkzaamheden onder de naam “ [handelsnaam] ”. [handelsnaam] is als eenmanszaak ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Volgens de inschrijving bestaan de activiteiten van [handelsnaam] uit “het adviseren van met name particulieren op het gebied van de mogelijkheden van zonnepanelen en overige zakelijke dienstverlening”.

Belanghebbende heeft in 2019 de volgende werkzaamheden verricht:

Kleine bouw- en schilderwerkzaamheden in de ruimste zin van het woord voor zowel zakelijke als particuliere klanten; en

Werkzaamheden voor een telemarketingbedrijf.

Belanghebbende heeft de bouw- en schilderwerkzaamheden voor vier verschillende opdrachtgevers verricht. De telemarketingactiviteiten heeft belanghebbende voor één opdrachtgever verricht, hierna het telemarketingbedrijf. De telemarketingactiviteiten bestonden uit de telefonische verkoop van creditcards ten name van opdrachtgevers van het telemarketingbedrijf. Tussen belanghebbende en het telemarketingbedrijf is een overeenkomst van opdracht afgesloten. Belanghebbende was verplicht ten minste 20 uur per week voor het telemarketingbedrijf te werken. Het telemarketingbedrijf heeft het door belanghebbende in rekening te brengen uurtarief bepaald. Belanghebbende heeft op naam van [handelsnaam] maandelijks een factuur gestuurd voor de door hem voor het telemarketingbedrijf gewerkte uren.

Belanghebbende heeft volgens zijn eigen urenadministratie in totaal 1.463 uur gewerkt in 2019, waarvan 559 uren voor het telemarketingbedrijf en 904 uren aan bouw- en schilderwerkzaamheden.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2019 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.743. Belanghebbende heeft daarbij het geheel door hem gerealiseerde resultaat – daaronder begrepen de vergoeding voor de telemarketingactiviteiten – verantwoord als winst uit onderneming. Daarnaast heeft belanghebbende voor het jaar 2019 aangifte Zvw gedaan naar een bijdrage-inkomen van ook € 10.743.

De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte en heeft een aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.830. De Inspecteur heeft het resultaat behaald met de telemarketingactiviteiten aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en de door belanghebbende geclaimde zelfstandigen- en startersaftrek van € 7.280, respectievelijk € 2.123 gecorrigeerd. Daartegenover heeft de Inspecteur de MKB-winstvrijstelling met € 1.316 verhoogd. De aanslag Zvw voor het jaar 2019 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van eveneens € 18.830.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de inkomsten uit de telemarketingactiviteiten enerzijds en de bouw- en schilderwerkzaamheden anderzijds om tot dezelfde onderneming te worden gerekend. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat de telemarketingactiviteiten op zichzelf niet als onderneming kunnen worden aangemerkt, omdat het aan de vereiste zelfstandigheid ontbreekt en belanghebbende voor deze activiteiten geen ondernemers- en niet of nauwelijks debiteurenrisico loopt. Tot slot heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan het urencriterium en dus geen recht heeft op zelfstandigen- en startersaftrek.

3. Geschil

In geschil is of de inkomsten uit de telemarketingactiviteiten tot de winst uit onderneming van belanghebbende behoren en of belanghebbende aan het urencriterium voldoet en recht heeft op zelfstandigen- en startersaftrek.

Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar. De Inspecteur neemt het tegengestelde standpunt in en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Niet in geschil is dat de inkomsten uit zowel de bouw- en schilderwerkzaamheden als de telemarketingactiviteiten een bron van inkomen vormen. Evenmin is in geschil dat de inkomsten uit de bouw- en schilderwerkzaamheden tot de winst uit onderneming van belanghebbende behoren.

4. Beoordeling van het geschil

Belanghebbende voert aan dat alle door hem verrichte werkzaamheden tot één en dezelfde onderneming moeten worden gerekend, zodat ook de inkomsten uit de telemarketingactiviteiten tot zijn winst uit onderneming behoren. Volgens belanghebbende kan hij zelf bepalen welke werkzaamheden hij als ZZP-er uitvoert en hoeveel uren hij daaraan besteedt. Daarnaast stelt belanghebbende dat hij ook ter zake van de telemarketingactiviteiten ondernemersrisico loopt, omdat bij ziekte en het stoppen van de opdracht door de opdrachtgever geen inkomsten meer worden genoten. Uit het door hem overgelegde urenoverzicht volgt verder dat hij in 2019 ten minste 1.225 uren aan zijn onderneming heeft besteed en dus recht heeft op zelfstandigen- en starteraftrek, aldus belanghebbende.

Volgens de Inspecteur verricht belanghebbende twee afzonderlijke werkzaamheden – namelijk bouw- en schilderwerkzaamheden enerzijds en telemarketingactiviteiten anderzijds – en kunnen de inkomsten uit de telemarketingactiviteiten niet aan de door belanghebbende gedreven onderneming worden toegerekend, omdat een nauwe samenhang tussen beide werkzaamheden ontbreekt. Daarnaast stelt de Inspecteur dat belanghebbende geen ondernemers- en nauwelijks debiteurenrisico loopt ter zake van de telemarketingactiviteiten, zodat ook om die reden de inkomsten daaruit niet (zelfstandig) tot de belastbare winst uit onderneming kunnen worden gerekend. De Inspecteur voert verder aan dat, afgezien van de vraag of de uren die belanghebbende voor het telemarketingbedrijf heeft gewerkt mogen worden meegeteld bij de beoordeling van het urencriterium, het door belanghebbende overgelegde overzicht teveel vragen oproept om tot bewijs te dienen. Zo is het overzicht achteraf opgemaakt, is het al te grofmazig en lijken er doublures in te zitten.

Kunnen de inkomsten uit de telemarketingactiviteiten worden toegerekend aan de door belanghebbende gedreven onderneming?

In dit geval is niet in geschil dat belanghebbende in 2019 als ondernemer winst uit een onderneming genoot. De vraag die partijen verdeeld houdt is of daarmee ook de inkomsten die belanghebbende in 2019 uit zijn werkzaamheden voor het telemarketingbedrijf genoot, tot de winst uit die onderneming behoort.

Op grond van artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) is de belastbare winst uit onderneming het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige geniet uit een of meer ondernemingen verminderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt verder dat, voor het antwoord op de vraag of genoten opbrengsten tot één en dezelfde objectieve onderneming behoren, vereist is dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de activiteiten waarmee de opbrengsten worden gegenereerd.

Naar het oordeel van het Hof bestaat er onvoldoende nauwe samenhang tussen de bouw- en schilderwerkzaamheden enerzijds en de voor het telemarketingbedrijf verrichte werkzaamheden anderzijds. De enige overeenkomst is dat beide activiteiten opbrengsten genereren. Voor het overige verschillen de aard van de werkzaamheden, de opdrachtgevers en de voorwaarden waaronder belanghebbende beide soorten werkzaamheden verricht zodanig, dat niet gezegd kan worden dat er een nauwe samenhang bestaat tussen die werkzaamheden. De wijze waarop de activiteiten van [handelsnaam] zijn omschreven in de handelsregister (zie 2.1) leidt het Hof niet tot een ander oordeel.

Kwalificeren de telemarketingactiviteiten zelfstandig als een onderneming?

Nu het Hof van oordeel is dat de telemarketingactiviteiten niet tot dezelfde onderneming behoren als de bouw- en schilderactiviteiten, moet de vraag worden beantwoord of de genoemde telemarketingactiviteiten zelfstandig een onderneming vormen, dan wel of de inkomsten daaruit tot het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden moet worden gerekend.

Bij de beantwoording van de vraag of de telemarketingactiviteiten in het economisch verkeer een onderneming vormen, stelt het Hof voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat daarbij niet de wil van de belastingplichtige bepalend is, maar de aard en omvang van de activiteiten en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze worden verricht. De beoordeling of sprake is van een onderneming in de zin van artikel 3.8 Wet IB is – zoals de Rechtbank heeft overwogen (zie 4.9 van de uitspraak van de Rechtbank) - afhankelijk van een weging van factoren, zoals de duurzaamheid en omvang van de activiteiten waarmee omzet wordt gegenereerd, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

Belanghebbende heeft in 2019 in totaal 559 uur werkzaamheden verricht voor één en hetzelfde telemarketingbedrijf. Verder heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende de werkzaamheden overeenkomstig de voorschriften van het telemarketingbedrijf moest verrichten, dat belanghebbende vooraf zijn beschikbaarheid moest invullen overeenkomstig een door het telemarketingbedrijf opgesteld rooster, belanghebbende ten minste 20 uur per week beschikbaar moest zijn voor het telemarketingbedrijf en het uurtarief waartegen belanghebbende zijn werkzaamheden verrichtte werd bepaald door het telemarketingbedrijf. Daarnaast heeft de Inspecteur aangevoerd dat belanghebbende geen investeringen heeft gedaan om de telemarketingactiviteiten uit te kunnen voeren en dat belanghebbende de door hem gewerkte uren altijd kreeg uitbetaald, ongeacht het met die activiteiten behaalde resultaat. De Inspecteur heeft ten slotte aangevoerd dat van enige aansprakelijkheid van belanghebbende richting derden-opdrachtgevers van het telemarketingbedrijf niets is gebleken.

Gelet op het onder 4.8 overwogene is het Hof van oordeel dat de telemarketingactiviteiten van belanghebbende niet als een onderneming kwalificeren. Daartoe ontbreekt het belanghebbende wat deze activiteiten betreft aan voldoende zelfstandigheid en het lopen van reëel ondernemers- en debiteurenrisico. Dat belanghebbende het risico liep dat het telemarketingbedrijf geen beroep meer op belanghebbende zou doen, brengt weliswaar een risico op verlies van toekomstige inkomsten met zich, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te spreken van een ondernemersrisico. Dat belanghebbende ter zake van deze werkzaamheden enig reëel debiteurenrisico liep acht het Hof evenmin aannemelijk. De door belanghebbende ter zitting van het Hof overgelegde overeenkomst van opdracht van augustus 2016 tussen belanghebbende en het telemarketingberdrijf leidt niet tot een ander oordeel. Zonder de in die overeenkomst genoemde projectbeschrijvingen – welke ontbreken – is niet vast te stellen of deze overeenkomst ook nog in 2019 tussen belanghebbende en telemarketingbedrijf van toepassing was. Daarnaast heeft deze overeenkomst, gelet op de inhoud daarvan, vooral ten doel te voorkomen dat de betrekking tussen belanghebbende en het telemarketingbedrijf als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW kan worden aangemerkt.

Voldoet belanghebbende aan het urencriterium?

Uit het oordeel dat de telemarketingactiviteiten geen ondernemingsactiviteit vormen volgt dat de aan deze werkzaamheden bestede uren niet meetellen bij de beoordeling of belanghebbende aan het urencriterium van artikel 3.6 van de Wet IB heeft voldaan. Nu belanghebbende volgens zijn eigen urenoverzicht in totaal maximaal 904 uren aan de bouw- en schilderwerkzaamheden heeft besteed, heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2019 ten minste 1.225 uren aan zijn onderneming heeft besteed. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op zelfstandigen- en startersaftrek, zodat de Inspecteur deze aftrekposten terecht heeft geweigerd en de MKB-winstvrijstelling terecht heeft verhoogd.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (T.H.J. Verhagen)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026090106 NLF 2026/1790
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand