GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/2088 tot en met 24/2092
uitspraakdatum: 18 augustus 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 november 2024, nummers AWB 22/5436, 22/5437, 22/5438, 22/5439 en 24/5696, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid).
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2013 tot en met 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Voor het jaar 2013 is tevens een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Voor het jaar 2016 zijn aan belanghebbende een aanslag IB/PVV en een aanslag inkomstensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Bij al deze aanslagen is gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de bezwaren bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslagen en de aanslagen verminderd en de rentebeschikkingen dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft zij de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het aan belanghebbende betalen van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van respectievelijk € 1.909 en € 1.091. Tot slot heeft de Rechtbank de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan hem te vergoeden.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft een pleitnota ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij zijn namens de Inspecteur verschenen en gehoord [naam1] en [naam2] . Belanghebbende is met berichtgeving aan het Hof niet verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.
Na de zitting heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de pleitnota van de Inspecteur en het proces-verbaal van de zitting. Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie gegeven. De Inspecteur heeft daarop gereageerd.
Het Hof heeft partijen vervolgens gevraagd of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Partijen hebben daarop niet binnen de door het Hof gestelde termijn van twee weken gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
2. Vaststaande feiten
Belanghebbende dreef vanaf 2013 en in de jaren 2014 tot en met 2016 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Onder de naam ‘ [onderneming1] ’ exploiteerde belanghebbende een webwinkel op het gebied van verlichting en woonaccessoires. Belanghebbende ontving in deze jaren ook looninkomsten.
De Inspecteur heeft belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2016 niet uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen. Belanghebbende heeft voor deze jaren ‘spontaan’ aangifte gedaan. In zijn aangiften IB/PVV 2013 en 2014 heeft hij geen winst opgenomen, wel een resultaat uit overige werkzaamheden van respectievelijk negatief € 5.560 en negatief € 11.499. In zijn aangiften IB/PVV 2015 en 2016 heeft hij belastbare winsten opgenomen van respectievelijk negatief € 15.269 en negatief € 87.056.
De Inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2013 tot en met 2016. De bevindingen van dat onderzoek heeft de Inspecteur vastgelegd in een controlerapport. In dat rapport staat onder meer:
“Bewaarplicht
De belastingplichtige heeft niet voldaan aan de bewaarplicht. De gevoerde administratie is verloren gegaan door een computercrash, [belanghebbende] heeft verzuimd een back-up te maken. Hierdoor zijn deze gegevens niet meer beschikbaar. [Belanghebbende] heeft niet voldaan aan zijn bewaarplicht.
(…)
Derdenonderzoek
Bij een aantal leveranciers is derdenonderzoek ingesteld, uit dit onderzoek blijken aanzienlijke verschillen tussen de door [belanghebbende] in aftrek gebrachte inkopen en deze derdeninformatie. Van deze verschillen zijn facturen in de administratie van [belanghebbende] aangetroffen welke niet bij de leveranciers bekend zijn.
De corresponderende betalingen van deze inkopen welke op de door [belanghebbende] overgelegde bankafschriften voorkomen zijn niet aangetroffen op de originele bankafschriften.
Verklaring [belanghebbende]
Op 21 december 2017 heeft [belanghebbende] een verklaring afgelegd. Op door ons gestelde vragen is hem vooraf de cautie gegeven.
[Belanghebbende] heeft verklaard bankafschriften van zijn bij de ABN-AMRO bank gehouden zakelijke rekening (…) te hebben gemanipuleerd. Dit betreft de bedragen van gefingeerde schenkingen uit Duitsland, bedrag van inkopen en bedragen van ontvangen omzet. Voorts heeft [belanghebbende] meerdere inkoopfacturen vervalst.
Conclusie: de overgelegde administratie is deels vervalst c.q. gemanipuleerd. Hierdoor zijn kosten te hoog opgenomen, omzetbelasting ten onrechte teruggevorderd en omzet tot een te laag bedrag aangegeven.
Gebreken in de administratie
Samengevat zijn de volgende gebreken vastgesteld:
De administratie vormt geen betrouwbare basis voor de winstberekening. De administratie is deels vervalst c.q. gemanipuleerd.
De administratie van de belastingplichtige voldoet niet aan de eisen die het bedrijf stelt. Zo ontbreekt er een opbrengstverantwoording, een voorraadadministratie, een deugdelijke debiteuren en crediteurenadministratie.
De administratie is zodanig gevoerd dat niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van belastingplichtige duidelijk blijken.
De belastingplichtige heeft niet voldaan aan de bewaarplicht.
De administratie kan daarom niet dienen als betrouwbare grondslag voor de fiscale winstberekening. Uit het bovenstaande volgt dat belastingplichtige niet volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De belastingplichtige is er op gewezen dat bij een eventuele procedure deze tekortkomingen omkering van de bewijslast tot gevolg kunnen hebben op grond van artikel 25 lid 3 of 27a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.”
De Inspecteur heeft vervolgens voor de jaren 2013 tot en met 2015 navorderingsaanslagen en voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd (hierna: de (navorderings)aanslagen), waarbij hij is uitgegaan van een theoretische omzetberekening. De Inspecteur heeft op die berekende omzet kosten in mindering gebracht. Voor de omvang van die kosten heeft hij zich gebaseerd op de door belanghebbende aangeleverde auditfiles, en daarop gecorrigeerd in verband met vervalste facturen (zie 2.3). De Inspecteur is voor de (navorderings)aanslagen uitgegaan van de volgende berekeningen van de fiscale en de belastbare winst:
Jaar
2013
2014
2015
2016
Omzet theoretisch
€ 63.766
€ 101.110
€ 135.884
€ 148.952
Gecorrigeerde bedrijfskosten
- € 45.064
- € 67.330
- € 90.368
- € 132.518
Fiscale winst
€ 18.702
€ 33.780
€ 45.516
€ 16.434
Zelfstandigenaftrek
- € 7.280
- € 7.280
- € 7.280
- € 7.280
Startersaftrek
- € 2.123
- € 2.123
- € 2.123
MKB-winstvrijstelling
- € 1.301
- € 3.412
- € 5.055
- € 1.281
Belastbare winst
€ 7.997
20.965
€ 31.058
€ 7.873
De Inspecteur heeft een navorderingsaanslag Zvw 2013 van € 451 opgelegd gebaseerd op een bijdrage-inkomen gelijk aan de belastbare winst van € 7.997 en heeft daarbij € 81 aan belastingrente in rekening gebracht. De Inspecteur heeft een aanslag Zvw 2016 van € 451 opgelegd gebaseerd op een bijdrage-inkomen gelijk aan de belastbare winst van € 7.873 en heeft daarbij € 27 aan belastingrente in rekening gebracht.
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 6 februari 2019 bewezen verklaard dat belanghebbende (1) de aangifte IB/PVV 2016 opzettelijk onjuist heeft gedaan, (2) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld aan ambtenaren van de Belastingdienst. Belanghebbende is vrijgesproken van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2015.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende aan de Inspecteur een herziene, door zijn broer opgestelde, administratie over de jaren 2013 tot en met 2016 verstrekt en herziene aangiften IB/PVV ingediend. Belanghebbende heeft (herzien) aangegeven:
Jaar
2013
2014
2015
2016
Loon
€ 34.582
€ 31.304
€ 34.806
€ 8.379
Pensioen, uitkering e.d.
-
-
-
€ 22.609
Resultaat uit overige werkzaamheden
€ 37.518
€ 73.570
-
-
Diverse kosten
- € 50.529
- € 86.397
-
-
Belastbare winst
-
-
- € 25.384
- € 23.672
Verzamelinkomen
€ 21.571
€ 18.477
€ 9.422
€ 7.316
De Inspecteur heeft in zijn brief van 4 maart 2020 geschreven dat hij de herziene administratie heeft vergeleken met de gevoerde administratie die belanghebbende bij aanvang van het boekenonderzoek heeft verstrekt. Hij heeft geconcludeerd dat belanghebbende in de herziene administratie geen aanvullende cijfers heeft gehanteerd, maar dat hij de “gevoerde administratie” opnieuw heeft uitgewerkt. Bij uitspraken op bezwaar heeft hij de (navorderings)aanslagen gehandhaafd.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de administratie van belanghebbende niet aan de wettelijke eisen voldoet en ongeschikt is om de fiscale rechten en plichten uit af te leiden, waardoor deze niet als grondslag voor de omzet- en winstberekening kan dienen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt volgens de Rechtbank mee dat de Inspecteur in eerste instantie kan volstaan met een gemotiveerde schatting. De door de Inspecteur in beroep voorgestane, aangepaste schatting, waarbij hij – anders dan bij de (navorderings)aanslagen – rekening heeft gehouden met een vermindering van 7% vanwege terugbetalingen in verband met retourzendingen, acht de Rechtbank voldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft volgens de Rechtbank vervolgens niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omzet of de winst lager moet worden vastgesteld.
3. Geschil
In geschil is de hoogte van de winst uit onderneming in de jaren 2013 tot en met 2016.
4. Beoordeling van het geschil
Met hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd, heeft hij aannemelijk gemaakt dat aan de administratie van belanghebbende ernstige gebreken kleven. De tijdens het boekenonderzoek door belanghebbende verstrekte administratie vertoonde naar het oordeel van het Hof dusdanige gebreken dat deze niet kan dienen als betrouwbare grondslag voor de winstberekening. Volgens de verklaring van belanghebbende tijdens het boekenonderzoek (zie 2.3) heeft hij bankafschriften gemanipuleerd, waar het gaat om gefingeerde schenkingen, bedragen van inkopen en ontvangen omzet, en heeft hij meerdere inkoopfacturen vervalst. Daarnaast heeft de Inspecteur tijdens het boekenonderzoek geconstateerd (zie 2.3), en is tussen partijen niet in geschil, dat een opbrengstverantwoording, een voorraadadministratie, een deugdelijke debiteuren en crediteurenadministratie ontbreken, dat uit de administratie niet te allen tijde de rechten verplichtingen van belanghebbende duidelijk blijken en dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de bewaarplicht.
Belanghebbende heeft daarnaast tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de herziene, achteraf door zijn broer opgestelde administratie over de jaren 2013 tot en met 2016, die belanghebbende in de bezwaarfase heeft ingebracht, betrouwbaar bewijs vormt voor de winstberekening voor die jaren. Het Hof wijst erop dat belanghebbende niet met achterliggende stukken inzichtelijk heeft gemaakt waarop die herziene, achteraf opgestelde administratie precies is gebaseerd, terwijl niet in geschil is dat een opbrengstverantwoording, een voorraadadministratie, en een deugdelijke debiteuren en crediteurenadministratie ontbreken en de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat in die herziene administratie de “gevoerde administratie” opnieuw is uitgewerkt. Het enkele feit dat de herziene administratie is opgesteld door de broer van belanghebbende die, zoals belanghebbende stelt, boekhouder is, betekent – anders dan belanghebbende meent – niet dat die administratie betrouwbaar is, alleen al omdat dit mede afhankelijk is van de onderliggende gegevens.
Indien de administratie niet kan dienen als grondslag voor de winst- of omzetberekening, brengt een redelijke bewijslastverdeling meer dat de inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast in eerste instantie kan volstaan met een gemotiveerde schatting van de winst respectievelijk de omzet, waarna de belastingplichtige aannemelijk dient te maken dat en waarom zijn winst respectievelijk omzet lager is dan door de inspecteur is berekend.
De Inspecteur heeft in zijn pleitnota van 20 april 2026 nader op het standpunt gesteld dat de omzetten die belanghebbende heeft behaald met de (gecorrigeerde) inkopen, zoals die zijn vermeld in het controlerapport, moeten worden gebaseerd op de door hem ontvangen bancaire betalingen. Als uit deze bancaire betalingen de omzetbelasting wordt geëlimineerd resteren ontvangsten van € 38.537 (2013), € 73.803 (2014), € 112.760 (2015) en € 120.406 (2016). Omdat de Inspecteur uit de per bank ontvangen bedragen niet kan afleiden of daarbij al rekening is gehouden met eventuele retour betaalde bedragen, en hij vindt dat deze onzekerheid niet voor rekening van belanghebbende mag komen, vermindert hij de zojuist genoemde bedragen met 7% vanwege retouren. Ten aanzien van de inkoopkosten heeft de Inspecteur eerder, in zijn verweerschriften in de procedure bij de Rechtbank, toegelicht dat hij die heeft gebaseerd op de door belanghebbende aangeleverde auditfile, en dat hij daarop correcties heeft toegepast omdat uit in het kader van derdenonderzoek van verschillende leveranciers ontvangen facturen volgt dat belanghebbende in de auditfile meer inkoopkosten heeft vermeld dan aan hem is gefactureerd en omdat sprake is van vervalste facturen. De fiscale winst berekent de Inspecteur vervolgens als volgt:
Jaar
2013
2014
2015
2016
Omzet theoretisch
€ 38.537
€ 73.803
€ 112.760
€ 120.406
7% retour
- € 4.464
- € 7.078
- € 9.512
- € 10.427
Inkopen
- € 31.883
- € 50.555
- € 67.942
- € 74.476
Overige kosten
- € 13.181
- € 16.775
- € 22.426
- € 58.042
Fiscale winst
- € 10.991
- € 605
€ 12.880
- € 22.539
Naar het oordeel van het Hof is, gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen, sprake van een gemotiveerde schatting van de winst en van de omzet als bedoeld in 4.3.
Het Hof komt dan toe aan de vraag of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom zijn winst respectievelijk omzet lager is dan door de Inspecteur is geschat. Belanghebbende stelt in dit verband dat is uitgegaan van te hoge omzetten en dat hij stukken heeft overgelegd waarmee hij aannemelijk maakt dat het retourpercentage hoger ligt dan 7%. Hij verwijst daarvoor naar excel overzichten per jaar van omzet en retouren van Multisafepay voor de websites [onderneming1] .nl, [onderneming2] .nl en [onderneming3] .nl, Paypal en Afterpay. Om zijn berekeningen te onderbouwen heeft belanghebbende jaarrekeningen, grootboekkaarten en gecombineerde balansen van zijn onderneming en de herziene aangiften IB/PVV overgelegd. Volgens belanghebbende volgt uit de in de bezwaarfase overgelegde herziene administratie, dat de fiscale winst als volgt moet worden vastgesteld:
Jaar
2013
2014
2015
2016
Fiscale winst
- € 12.801
- € 12.364
- € 19.700
- € 19.213
Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en ingebracht, heeft hij tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat en waarom zijn winst respectievelijk omzet lager is dan door de Inspecteur gemotiveerd is geschat. Belanghebbende heeft zowel bij de herziene administratie, waarover het Hof in 4.2 al oordeelde dat dat geen betrouwbaar bewijs vormt voor de winstberekening voor die jaren, als bij de door hem ingebrachte (excel)overzichten geen nadere, achterliggende administratieve stukken of berekeningen ter staving van zijn standpunt verstrekt. Zonder dergelijke achterliggende gegevens is uit die stukken niet te herleiden dat de door de Inspecteur gehanteerde omzet te hoog is en de terugbetalingen in verband met retourzendingen te laag, zodanig dat de winst lager is dan waarvan de Inspecteur uitgaat. Daarnaast ontbreken (achterliggende) stukken waarmee belanghebbende aannemelijk zou kunnen maken dat de kosten hoger zouden moeten zijn dan de Inspecteur in aanmerking heeft genomen.
Gelet op het voorgaande zal het Hof aansluiten bij fiscale winst die de Inspecteur gemotiveerd heeft geschat, zoals vermeld in 4.4.
Niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek
Op grond van artikel 3.76, lid 1, Wet IB 2001 bedraagt de zelfstandigenaftrek voor 2016 € 7.280. Het bedrag van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking, aldus artikel 3.76, lid 5, Wet IB 2001. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2016 de zelfstandigenaftrek volledig toegepast (zie 2.4). Dat betekent dat de zelfstandigenaftrek volledig is gerealiseerd en dat in de aanslag IB/PVV 2016 dus besloten ligt een beschikking niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek van nihil. Omdat belanghebbende zich al in de bezwaarfase op het standpunt heeft gesteld dat de winst uit onderneming voor 2016 negatief is, ligt daarin besloten dat hij mede is opgekomen tegen die beschikking.
Aangezien de fiscale winst voor het jaar 2016 negatief is (zie 2.6), en de zogenoemde startersaftrek in het jaar 2016 niet meer van toepassing is, volgt uit artikel 3.76, lid 5, Wet IB 2001 dat belanghebbende de zelfstandigenaftrek voor dat jaar niet kan realiseren. Het Hof zal daarom de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek voor dat jaar vaststellen op € 7.280.
Zorgverzekeringswet
De verlaging van de fiscale winst voor de jaren 2013 en 2016 tot negatieve bedragen heeft tot gevolg dat het bijdrage-inkomen voor de Zvw op nihil moet worden gesteld, zodat navorderingsaanslag Zvw 2013 en de aanslag Zvw 2016, alsmede de bij die aanslagen gegeven beschikkingen belastingrente, moeten worden vernietigd.
Belastingrente
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Omdat het hoger beroep gegrond is voor zover het betrekking heeft op de (navorderings)aanslagen, moet de gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd.
Slotsom
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep gegrond is, de (navorderings)aanslagen Zvw en de daarbij gegeven belastingrentebeschikkingen zullen worden vernietigd en de (navorderings)aanslagen IB/PVV en de daarbij gegeven belastingrentebeschikkingen zullen worden verminderd.
Verzoek om immateriële schade
In zijn reactie op de pleitnota van de Inspecteur heeft belanghebbende geschreven “Het geeft mij veel stress, omdat er nu al bijna 10 jaar geen duidelijkheid is.” Voor zover belanghebbende daarmee heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, wijst het Hof dat verzoek om de volgende redenen af.
De Rechtbank heeft al een vergoeding van immateriële schade toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn van de zaak in de bezwaar- en beroepsfase. Belanghebbende heeft bij het Hof niet geklaagd over de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding. Het Hof neemt deze vergoeding dan ook als vaststaand aan. Het Hof heeft vervolgens onderzocht of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn van de procedure in hoger beroep. Belanghebbende heeft in beginsel recht op zo’n vergoeding wanneer het Hof niet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld uitspraak doet. Belanghebbende heeft op 16 december 2024 hoger beroep ingesteld. Het Hof doet heden, dus binnen twee jaar na die datum, uitspraak. De redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is dus niet overschreden.
5. Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoedingen van immateriële schade en de vergoeding van het griffierecht;
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;
– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot een navorderingsaanslag waarbij wordt uitgegaan van een winst uit onderneming van negatief € 10.991;
– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een navorderingsaanslag waarbij wordt uitgegaan van een winst uit onderneming van negatief € 605;
– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een navorderingsaanslag waarbij wordt uitgegaan van een winst uit onderneming van € 12.880;
– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 tot een navorderingsaanslag waarbij wordt uitgegaan van een winst uit onderneming van negatief € 22.539;
– vermindert de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;
– vernietigt de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2013 en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking;
– vernietigt de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2016 en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking;
– stelt het bedrag van de in het jaar 2016 niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek vast op € 7.280;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af; en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. R. Zeldenrust als griffier.
De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(R. Zeldenrust) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.