ECLI:NL:GHARL:2026:5445

ECLI:NL:GHARL:2026:5445

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 25/1121
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Wet Woz. Proceskostenvergoeding. Wegingsfactor

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/1121

uitspraakdatum: 18 augustus 2026

Uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 maart 2025, nummer UTR 23/4976, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Woudenberg (hierna: de heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 471.000,-. Bij deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) eigenaren vastgesteld.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar vernietigd, de waarde verminderd tot € 446.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting is achterwege gebleven, aangezien geen van beide partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Het Hof heeft het onderzoek gesloten.

2. Vaststaande feiten

Tussen partijen is de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet meer in geschil.

De onderhavige procedure gaat over de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel a, en artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op grond van de Bijlage bij dat besluit worden die kosten forfaitair vastgesteld op basis van punten voor onderscheiden proceshandelingen, een waarde per punt en wegingsfactoren voor het gewicht van de zaak.

De Rechtbank heeft in de uitspraak van 13 maart 2025 aan belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding van in totaal € 678,51 toegekend die als volgt is berekend:

Fase

Proceshandelingen

Totaal

Bezwaar

- 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) – tarief per punt € 647,-

- Gewicht van de zaak: factor 0,25

€ 323,50

Bezwaar

- taxatierapport

€ 128,26

Beroep

- 1 punt (beroepsschrift) – tarief per punt € 907,-

- Gewicht van de zaak; factor 0,25

€ 226,75

Totaal

€ 678,51

In hoger beroep is uitsluitend de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor nog in geschil.

De Rechtbank heeft zowel voor de bezwaar- als beroepsfase een wegingsfactor 0,25 gehanteerd omdat “de zaak een zeer licht gewicht heeft’’.

Ter nadere motivering heeft de Rechtbank verwezen naar haar uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4481. Daarin heeft zij onder meer overwogen dat de Rechtbank voortaan als uitgangspunt hanteert dat WOZ-zaken waarin door de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze wordt gebruikt, tot een gewichtscategorie behoren die een stap onder de categorie ligt die anders zou zijn gebruikt. In WOZ-zaken wordt vaak geprocedeerd door gemachtigden die gebruik maken van een gestandaardiseerde werkwijze, met een algemeen geformuleerd beroepschrift voor vrijwel iedere procedure. Omdat de vergoeding van de proceskosten evenredig moet zijn met de prestatie van de gemachtigde, geeft dat de Rechtbank aanleiding om die gevallen van lager gewicht te achten dan zaken waarin geen gestandaardiseerde werkwijze wordt gebruikt. Dit betekent dat de Rechtbank in WOZ-zaken over de waardering van woningen (waarin de Rechtbank als uitgangspunt de categorie ‘licht’ (wegingsfactor 0,5) hanteert) de categorie ‘zeer licht’ (wegingsfactor 0,25) hanteert als de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze gebruikt.

In hoger beroep verzoekt belanghebbende het Hof om de kostenvergoeding geheel in heroverweging te nemen met toepassing van het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (hierna: het Richtsnoer). Belanghebbende betoogt dat een wegingsfactor van 1 dient te worden toegepast.

3. Geschil

In geschil is de wegingsfactor van de proceskostenvergoeding.

4. Beoordeling van het geschil

Het Hof stelt voorop dat in het belastingrecht geen steun kan worden gevonden voor een beperkte taakopvatting van de hogerberoepsrechter. Het Hof zal daarom ten volle toetsen of de Rechtbank de juiste gewichtscategorie voor de bezwaar- en de beroepsfase heeft toegepast. Daarbij zal het Hof het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer als uitgangspunt nemen.

Gelet op het vorenstaande ziet het Hof in de grond waarop de Rechtbank het beroep heeft doen slagen – de WOZ-waarde is op inhoudelijke gronden verminderd – aanleiding om, met toepassing van het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, het gewicht van het in bezwaar en beroep opgeworpen geschilpunt als gemiddeld (factor 1) aan te merken.

Berekend naar de tarieven van 2026 beloopt de totale vergoeding voor de bezwaar- en de beroepsfase een bedrag van € 2.394,26. De berekening luidt als volgt:

Fase

Proceshandelingen

Totaal

Bezwaar

- 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) – tarief per punt € 666,-

- Gewicht van de zaak: factor 1

€ 1.332,00

Bezwaar

- taxatierapport

€ 128,26

Beroep

- 1 punt (beroepsschrift) – tarief per punt € 934,-

- Gewicht van de zaak; factor 1

€ 934,00

Totaal

€ 2.394,26

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 143,00 te vergoeden.

De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 46,70 (1 punt voor hogerberoepschrift, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 934, factor 0,1 (artikel 30a Wet WOZ)).

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor wat betreft de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor bezwaar- en beroepsfase tot een bedrag van € 2.394,26,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor hogerberoepsfase tot een bedrag van € 46,70,

– draagt de heffingsambtenaar op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Meijnders als griffier.

De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S.A.M. Meijnders) (J. van de Merwe)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand