ECLI:NL:GHARL:2026:5446

ECLI:NL:GHARL:2026:5446

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 25/1702
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

IB/PVV. Loon en verrekening loonheffing. Onderhoudsverplichtingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/1702

uitspraakdatum: 18 augustus 2026

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 juli 2025, nummer ARN 24/3333 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Daarbij is hem voorts een vergrijpboete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, zijn deze belastingaanslag, de beschikking belastingrente en de vergrijpboete door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar de boete ambtshalve verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen: [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Belanghebbende is zonder – duidelijke - kennisgeving aan het Hof niet ter zitting verschenen. Belanghebbende is bij bericht van 1 juli 2026 uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op 1 juli 2026 geplaatst in het digitale dossier van belanghebbende op Mijn Rechtspraak. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 1 juli 2026 om 11.57 uur een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres ( [e-mailadres belanghebbende] ). Op 2 juli 2026 heeft belanghebbende telefonisch contact gehad met de griffie van het Hof waarin hij desgevraagd heeft bevestigd dat hij de uitnodiging voor de zitting van 28 juli 2026 heeft ontvangen. Belanghebbende is aldus rechtsgeldig uitgenodigd voor de zitting van 28 juli 2026.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. De vaststaande feiten

Belanghebbende is op 24 augustus 1990 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam3] (hierna: de ex-echtgenote). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

Bij beschikking van de Rechtbank Zutphen van 17 september 2008 is de echtscheiding tussen belanghebbende en de ex-echtgenote uitgesproken. Het huwelijk is op 24 december 2008 ontbonden door inschrijving van de beschikking in het register van de burgerlijke stand van de [gemeente] .

De beschikking van 17 september 2008 behelst onder meer het volgende:

‘(…)

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

(…)

l) zal bepalen dat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd op het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en desgewenst zal bepalen dat op grond van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek de partneralimentatie van rechtswege per die datum is vervallen;

(…)

De beoordeling

(…)

gebruiksvergoeding

Met betrekking tot de door de man verzochte redelijke vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt.

Gedurende de periode dat de vrouw al dan niet krachtens de beslissing ex artikel 1:165 BW de echtelijke woning bewoont, mist de man de mogelijkheid te beschikken over zijn aandeel in die woning, te weten de helft van de overwaarde. Dit levert een vermogensnadeel op dat gecompenseerd dient te worden met een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding voor die woning.

De stelling van de man dat de verkoopwaarde van de echtelijke woning circa € 620.000,-.- en de hypotheek € 220.000, -- bedraagt is door de vrouw niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten.

Daarvan uitgaande bedraagt het vermogen van de man in die woning circa € 200.000,--. Ervan uitgaande dat de man met voormeld bedrag een (netto) rendement van 2,8% kan realiseren, acht de rechtbank een per saldo aan de man te betalen vergoeding van afgerond € 466,— per maand redelijk. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het door de vrouw in dit kader verschuldigde op termijn zal worden verrekend met haar aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning.

(…)

vermeende samenwoning vrouw

Ten aanzien van het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw samenwoont met een ander als ware zij gehuwd op het moment dat de echtscheiding is ingeschreven en te bepalen dat op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW de partneralimentatie van rechtswege per die datum vervalt, overweegt de rechtbank als volgt. Nu de vrouw in deze procedure geen partneralimentatie verzoekt en de man zijn verzoek niet nader heeft toegelicht valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de man bij zijn verzoek heeft en zal dit verzoek worden afgewezen.

(…)

draagkracht man

(…)

Ten aanzien van de echtelijke woning gaat de rechtbank ervan uit, dat naast de huur van de woning voor de man van € 850,-- per maand, (…), de man ook de hypothecaire lasten verbonden aan de echtelijke woning blijft voldoen, die naar oordeel van de rechtbank genoegzaam zijn komen vast te staan.

(…)

De beslissing

De rechtbank:

Spreekt de echtscheiding uit tussen partijen op 24 augustus 1990 in de [gemeente] met elkaar gehuwd;

bepaalt dat de vrouw, als deze op het ogenblik van de inschrijving van de beschikking, voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken, de echtelijke woning aan de [adres1] te [plaats1] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten;

(…)

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen aan de vrouw zal betalen € 263,50 (…) per kind per maand, (…);

(…)

bepaalt dat de man, naast de huur van € 850,-- per maand, (…), de hypothecaire lasten verbonden aan de echtelijke woning, ( [kenmerk1] ) voldoet;

(…)’

Op 27 juni 2013 heeft verdeling van de woning tussen belanghebbende en de ex-echtgenote plaatsgevonden. De daarop betrekking hebbende notariële akte vermeldt het volgende:

‘(…)

Toedeling:

In verband hiermee verklaarden de comparanten toe te delen aan:

I. mevrouw [naam3] , de comparante sub l:

Het woonhuis met opstallen, erf en tuin te [postcode] [plaats1] , [adres1] , (…) onder de verplichting voor haar rekening te nemen de schuld aan de te Amsterdam gevestigde naamloze vennootschap: ING Bank N.V., (…), welke blijkt uit een akte van (schuldbekentenis met) hypotheekverlening op één februari tweeduizend zes verleden voor [naam notaris] destijds notaris te [plaats2] , ingeschreven bij afschrift in Register Hypotheken 3 van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers in de voormalige bewaring Arnhem op twee februari daaropvolgend, in [kenmerk2]

en om wegens overbedeling uit te keren aan de comparant sub 2 een bedrag groot één en zestig duizend euro (€ 61.000,00). Het overige te benoemen tot partneralimentatie in natura

II. de heer [belanghebbende] , de comparant sub 2:

De uitkering wegens overbedeling te doen door de comparante sub 1 als voormeld ad één en zestig duizend euro (€ 61.000,00), onder de verplichting voor zijn rekening te nemen:

a. zijn schuld aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [naam B.V.] (…);

b. het krediet met [rekeningnummer1] bij de ING Bank NV. Lenen te Leeuwarden met contractnummer [kenmerk3] , onder de verplichting om dit krediet af te lossen en op te heffen;

c. de kredietfaciliteit op [rekeningnummer2] (…), bij de ING Bank NV., onder de verplichting om het negatieve saldo af te lossen en de kredietfaciliteit op te heffen, (…);

d. de kredietfaciliteit op [rekeningnummer3] , (…) bij de ING Bank N.V., onder de verplichting om het negatieve saldo af te lossen en de kredietfaciliteit op te heffen, (…).

Ter uitvoering van de verdeling verklaarden de comparanten genoemde onroerende zaak in eigendom te leveren aan de comparante sub 1.

De comparante sub 1 verklaarde deze levering aan te nemen.

De comparante sub 1 vrijwaart de comparant sub 2 terzake van alle verplichtingen die voortvloeien uit de door haar voor haar rekening genomen hypothecaire schuld.

De comparant sub 2 vrijwaart de comparante sub 1 terzake van alle verplichtingen die voortvloeien uit de door hem voor zijn rekening genomen onder a, b, c en d genoemde schulden.

(…)’.

Volgens de nota van afrekening van de notaris van 28 juni 2013 heeft belanghebbende per saldo € 27.796,10 (€ 61.000 wegens onderbedeling -/- 33.203,90 aan kosten) ontvangen.

Belanghebbende was van 16 januari 2004 tot 1 juli 2014 directeur-enig aandeelhouder van [naam B.V. 2] Deze vennootschap is op 1 juli 2014 ontbonden.

Aanslagregeling 2019

Belanghebbende heeft op 13 oktober 2021 (een nadere) aangifte IB/PVV 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.354. Dit inkomen bestaat uit een bedrag van € 14.500 aan loon uit dienstbetrekking en een bedrag van € 354 aan resultaat uit overige werkzaamheden. Aan uitgaven voor onderhoudsverplichtingen is een bedrag van € 3.500 in aanmerking genomen (alimentatie aan [naam3] ). In de aangifte is voorts een bedrag van € 3.750 aan ingehouden loonheffing verrekend.

Na correspondentie tussen partijen heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 10 maart 2023 bericht dat hij van de aangifte zal gaan afwijken. Het opgegeven loon, de verrekende loonheffing en het bedrag van de opgevoerde onderhoudsverplichting zullen niet in aanmerking worden genomen. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende aangekondigd dat hij hem een vergrijpboete op basis van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zal gaan opleggen. Met betrekking tot de boetegrondslag heeft de Inspecteur belanghebbende het volgende geschreven:

‘(…)

Boetebedrag

De hoogte van de vergrijpboete wordt berekend over het bedrag van de aanslag. Op basis van de door u opzettelijk onjuist ingediende aangifte hebt u een voorlopige aanslag ontvangen met een aanslagbedrag van -/- € 3.089. Wanneer u een juiste aangifte had ingediend, had het aanslagbedrag € 0 bedragen. Het verschil, de te weinig geheven belasting of de teveel ontvangen teruggave, vormt de grondslag voor de vergrijpboete. In dit geval is de grondslag voor de vergrijpboete € 3.089. In paragraaf 25 van het BBBB is opgenomen dat bij zowel opzet als voorwaardelijk opzet een boete wordt opgelegd van 50% van het bedrag dat niet is geheven als gevolg van uw (voorwaardelijk) opzet (het belastingnadeel). De hoogte van de boete stem ik af op het bepaalde in paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boetes Belastingdienst 1998 (BBBB), zodat deze 50% van de grondslag bedraagt. Concreet betekent dit dat de vergrijpboete € 1.544 bedraagt.

Matigende omstandigheden

Afhankelijk van de vraag of sprake is van strafverminderende of strafverzwarende omstandigheden, kan dit percentage bijgesteld worden. Rekening houdend met uw financiële omstandigheden acht ik een matiging van 20% (van 50%) passend. Het boetebedrag bedraagt hierdoor € 1.235.

Berekening

Het gevolg van bovengenoemde correcties is dat het verzamelinkomen, door u aangegeven € 11.354, wijzigt naar € 354. Zoals hierboven reeds genoemd bedraagt de vergrijpboete € 1.235.

(…)’

Met dagtekening 8 april 2023 is aan belanghebbende de onderhavige aanslag IB/PVV 2019 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 354. Daarbij is geen loonheffing verrekend. Voorts is hem een vergrijpboete van € 1.235 opgelegd en is hem € 34 aan belastingrente in rekening gebracht.

Hiertegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend. Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de Rechtbank ter zitting van 4 juni 2025 behandeld. De Inspecteur is wel ter zitting verschenen, belanghebbende niet. In verband hiermee heeft de Rechtbank het volgende vastgesteld:

‘(…)

De rechtbank heeft op 23 april 2025 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 4 juni 2025. De rechtbank heeft op 23 april 2025 om 14.29 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 23 april 2025 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.

(…)’

In haar uitspraak van 28 juli 2025 heeft de Rechtbank de beroepsgronden van belanghebbende verworpen en het beroep ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank de vergrijpboete ambtshalve verminderd tot € 1.173,25 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De griffier van het Hof heeft de Inspecteur bij brieven van 23 oktober 2025 en 9 december 2025 in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, uiterlijk op 23 december 2025. Daarbij heeft de griffier geschreven ‘Als op de genoemde datum geen verweer is ingediend, zal het gerechtshof ervan uitgaan dat u geen verweer zult indienen.’. De Inspecteur heeft het verweerschrift in hoger beroep op 20 januari 2026 bij het Hof ingediend.

Strafrechtelijk traject

Belanghebbende is door de FIOD op 18 februari 2020 als verdachte gehoord met betrekking tot (onder meer) de aangifte IB/PVV 2016. Daarvan is op 18 februari 2020 een proces-verbaal opgemaakt. Belanghebbende is door de strafrechter veroordeeld.

Procedure IB/PVV 2014 tot en met 2018

Over de jaren 2014 tot en met 2018 zijn door de Inspecteur belastingaanslagen aan belanghebbende opgelegd waarin vergelijkbare correcties spelen als in het onderhavige jaar (2019). In zijn uitspraak van 4 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:588 heeft het Hof belanghebbende in het ongelijk gesteld. Tegen die uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld (zaaknummer bij de Hoge Raad: 25/00815). Daarop is door de Hoge Raad nog niet beslist.

3. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 terecht is afgeweken van de door belanghebbende (nader) ingediende aangifte. Voorts is de vergrijpboete in geschil.

4. Beoordeling van het geschil

Griffierecht hoger beroep

Belanghebbende heeft met betrekking tot het voor het hoger beroep verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij brief van 23 oktober 2025 heeft de griffier van het Hof belanghebbende bericht dat hij voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht, en dat daarom vooralsnog wordt afgezien van het heffen van griffierecht. Het Hof ziet geen aanleiding van deze beslissing terug te komen. Dit betekent dat belanghebbende voor het onderhavige hoger beroep geen griffierecht is verschuldigd.

Verweerschrift hoger beroep

Belanghebbende klaagt, gelet op de door het Hof gestelde termijn (zie 2.12), terecht erover dat de Inspecteur het verweerschrift in hoger beroep te laat heeft ingediend. Hoewel de wet (artikel 8:42 in verbinding met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) geen – fatale – gevolgen verbindt aan het te laat indienen van een verweerschrift, zal het Hof vanwege de mededeling die in de brief van 9 december 2025 door het Hof is gedaan (‘Als op de genoemde datum geen verweer is ingediend, zal het gerechtshof ervan uitgaan dat u geen verweer zult indienen.’), het stuk van de Inspecteur van 20 januari 2026 niet als een verweerschrift in hoger beroep in de procedure betrekken.

Nader stuk

De Inspecteur heeft het Hof verzocht het stuk dan als een ‘nader stuk’ in de zin van artikel 8:58 Awb aan te merken. Op grond van dat artikel is het partijen toegestaan tot tien dagen voor de zitting nadere stukken in te dienen. Het Hof zal het verzoek van de Inspecteur honoreren en het stuk van 20 januari 2026 als ‘nader stuk’ tot het procesdossier in het hoger beroep rekenen. Van belang hierbij is dat het (ook) in een belastingprocedure in het kader van een behoorlijke rechtspleging van wezenlijk belang is dat een rechter de visie van beide partijen verneemt met betrekking tot het geschil dat hen verdeeld houdt en dat aldus ‘hoor en wederhoor’ wordt toegepast. Daarom is een (schriftelijke) reactie van de Inspecteur op het hogerberoepschrift van belanghebbende van belang. De processuele belangen van belanghebbende zijn hierdoor niet geschaad, aangezien belanghebbende zeer ruim vóór de zitting kennis van het nadere stuk van de Inspecteur heeft kunnen nemen en de gelegenheid heeft gehad om zich daarover uit te laten.

Opvragen stukken door het Hof

Belanghebbende heeft gesteld dat bijlage 31 bij het door de Inspecteur bij de Rechtbank ingediende verweerschrift in het procesdossier ontbreekt. Naar aanleiding hiervan heeft het Hof dit stuk alsnog opgevraagd bij de Inspecteur die de betreffende bijlage heeft ingebracht. Een afschrift hiervan is aan belanghebbende verstrekt. Voor zover belanghebbende over die aanpak door het Hof klaagt, is dat niet terecht. Het Hof is namelijk gehouden erop toe te zien dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter overlegt. Wanneer, zoals hier met betrekking tot bijlage 31, uit het dossier blijkt dat de door de Inspecteur ingezonden stukken niet volledig zijn, dient de rechter de Inspecteur op te dragen dat verzuim te herstellen (zie HR 23 oktober 2020, ECLI:HR:2020:1670), en dat is wat het Hof heeft gedaan.

Vooringenomenheid rechter

In zoverre belanghebbende erover klaagt dat de rechter die de – thans in hoger beroep bestreden – uitspraak heeft gedaan (mr. L.L. van Benthem) jegens hem ‘vooringenomen’ heeft gehandeld en beslist, faalt die klacht. De uitspraak van de Rechtbank, het proces-verbaal van de zitting en het procesdossier bevatten geen enkel aanknopingspunt voor de gegrondheid van die klacht.

Vooringenomenheid Inspecteur

Voor zover belanghebbende stelt dat de (behandelend) Inspecteur in de onderhavige zaak vooringenomen – en dus in strijd met artikel 2:4 Awb – heeft gehandeld, is die stelling evenmin gegrond. Het procesdossier bevat voor die conclusie geen enkele aanwijzing.

Uitnodiging zitting Rechtbank

Belanghebbende is niet ter zitting van de Rechtbank verschenen. Belanghebbende klaagt in hoger beroep erover dat de Rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat door verzending van een digitaal bericht over de uitnodiging dat bericht ook daadwerkelijk door de geadresseerde wordt ontvangen en gelezen.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat zij op 23 april 2025 belanghebbende via digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats heeft uitgenodigd voor de zitting op 4 juni 2025 en dat zij belanghebbende hiervan op 23 april 2025 om 14.29 uur een geautomatiseerd notificatiebericht heeft gestuurd aan het door belanghebbende opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier.

Belanghebbende heeft deze vaststellingen als zodanig in hoger beroep niet bestreden. Dit betekent dat belanghebbende naar het oordeel van het Hof rechtsgeldig door de Rechtbank is uitgenodigd voor de zitting op 4 juni 2025 (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160). Anders dan belanghebbende stelt, is in dit verband niet van belang of de kennisgeving (notificatie) is ontvangen door de belanghebbende. Het gaat erom dat de notificatie (rechtsgeldig) is verzonden (vgl. conclusie van A-G Koopman van 22 augustus 2025, ECLI:NL:PHR:2025:858, onderdeel 4.15).

Loon en verrekening voorheffing

Wat betreft de correctie van de Inspecteur met betrekking tot het aangegeven loon en de verrekening van ingehouden loonheffing is het financiële (en daarmee processuele) belang van belanghebbende gelegen in de verrekening van de loonheffing. De Inspecteur heeft immers geen belastbaar loon in de onderhavige aanslag begrepen.

Voor het in het kader van de heffing van IB/PVV in aanmerking nemen van een verrekening van loonheffing als voorheffing dient – uiteraard – loonheffing door een inhoudingsplichtige te zijn geheven. De bewijslast dat dit het geval is, rust op belanghebbende. Hij heeft in dit dossier echter geen enkel bewijs bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat in 2019 te zijnen aanzien loonheffing door een inhoudingsplichtige is ingehouden en afgedragen. Reeds hierom faalt het betoog van belanghebbende. De Inspecteur heeft terecht het opgevoerde bedrag van € 3.750 aan loonheffing niet verrekend met de onderhavige aanslag.

Onderhoudsverplichting

Voor de door belanghebbende bepleite aftrek van € 3.500 ter zake van een onderhoudsverplichting is vereist dat sprake is geweest van een op belanghebbende in 2019 drukkende onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3 van de Wet IB 2001. De bewijslast dat dit het geval is geweest, rust op belanghebbende.

Belanghebbende heeft, hoewel hij daartoe meermalen door de Inspecteur in de gelegenheid is gesteld, in dit dossier geen enkel bewijs aangedragen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij in 2019 alimentatie aan zijn ex-echtgenote heeft voldaan. Reeds hierom heeft de Inspecteur terecht de in de aangifte opgevoerde onderhoudsverplichting niet in aftrek toegestaan. Anders dan belanghebbende meent, kan hij niet volstaan met een verwijzing naar stukken uit eerdere jaren. De aanvaardbaarheid van een aftrekpost, zoals een onderhoudsverplichting, dient immers per jaar te worden beoordeeld.

Vertrouwensbeginsel

Voor zover belanghebbende in hoger beroep het – door de Rechtbank verworpen - beroep op schending van het vertrouwensbeginsel herhaalt, faalt dit beroep. Ook al zou de Inspecteur in het kader van de aanslagregeling IB/PVV 2014 het standpunt hebben ingenomen dat de door belanghebbende opgevoerde posten (onderhoudsverplichting en verrekening van loonheffing) correct waren, dan nog kan belanghebbende hieraan wat betreft de aanslag IB/PVV 2019 niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat die ‘aftrekposten’ ook in 2019 in aanmerking moeten worden genomen. De Inspecteur heeft immers voor de heffing van IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 het standpunt ingenomen dat van een aftrekbare onderhoudsverplichting en een verrekenbare loonheffing als voorheffing geen sprake is, zodat daarmee het (eventuele) door belanghebbende gestelde vertrouwen toen is beëindigd.

Vergrijpboeten

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de vergrijpboete terecht aan belanghebbende is opgelegd, en dat die boete passend en geboden is. Wel heeft de Rechtbank de boete gematigd tot € 1.173,25 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep heeft belanghebbende het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangifte IB/PVV 2019 gedaan niet bestreden. Indien ervan moet worden uitgegaan dat in de in het hogerberoepschrift van belanghebbende vervatte klachten wel een bestrijding van dat oordeel over ‘opzet’ ligt besloten, faalt dit. Het Hof verenigt zich met hetgeen de Rechtbank dienaangaande in de overwegingen 26 tot en met 28 van haar uitspraak heeft geoordeeld en maakt dit tot de zijne.

Wat betreft de hoogte van de boete neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende wegens zijn slechte financiële omstandigheden de in beroep en in hoger beroep verschuldigde griffierechten niet heeft kunnen betalen. Die slechte financiële omstandigheden vormen voor het Hof reden de opgelegde boete (verder) te matigen tot € 600. Die boete acht het Hof passend en geboden voor het vergrijp dat door belanghebbende is begaan. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg vermindert het Hof deze boete vervolgens nog met 5%, zodat de boete uiteindelijk € 570 bedraagt. In zoverre is het hoger beroep gegrond.

Dat belanghebbende ter zake van dezelfde feiten dubbel is gestraft, is – nu belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangedragen – niet aannemelijk geworden, zodat het beroep op het ‘ne bis in idem’-beginsel ook in hoger beroep strandt.

Belastingrente

Het hoger beroep van belanghebbende wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikking inzake de belastingrente. Belanghebbende heeft daartegen geen zelfstandige klachten aangevoerd. Nu de aanslag IB/PVV 2019 in stand blijft, geldt dit ook voor de beschikking inzake de belastingrente.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van het griffierecht en/of voor een veroordeling in de proceskosten. Belanghebbende heeft immers geen griffierechten voldaan en niet is gebleken dat door belanghebbende proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

Het Hof:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. A. Tax-Battal als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

De griffier, De voorzitter,

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026090209
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand